Ba(c)h! Waarom ik de Matthäus Passion niet meer kan horen…

Rond deze tijd van het jaar laat ik, toch fervent luisteraar van de klassieke zenders, de radio liever uit. Kerken blijf ik bezoeken, juist nu, ik kan helaas niet anders (though my promise counts for nothing, vrij naar Leonard Cohen, I must keep it nonetheless). Maar ik moet mijn ergernis regelmatig verbijten. De reden? Drie woorden: Johann Sebastian Bach. De meest overschatte componist van de gehele muziekgeschiedenis, onvergeeflijk schuldig aan schier eindeloos orgelgepriegel en jankerige passiemuziek.

Overal klinkt Bach in dit land. Elk amateurkoor zijn eigen Matthäus. En elk professioneel koor ook. Een Matthäus Passion voor kinderen. Een ‘zapp-Matthäus’ voor mensen met een gebrekkige aandachtsspanne. We hoeven nergens meer van op te kijken. Een Josti-passie voor en door verstandelijk gehandicapten. Een Bach-bewerking voor boerderijdieren met Yvon Jaspers als Pilatus, de ezel als Petrus en Christus als de haan. Volksmassa’s zou het op de been brengen.

De dweepzucht der Bach-beliebers

Johann Sebastian BwaaagghSommige Bach-puristen vinden al die frivole vulgariseringen ook maar niks, die menen dat het meesterwerk daarmee getrivialiseerd wordt. Ik deel die mening niet. Het meesterwerk was al triviaal, dus het krijgt precies de onnozele bewerkingen die het verdient. En trouwens ook de onnozele lof; je moet eens een praatprogramma op Radio 4 opzetten dezer dagen; de ene na de andere Bach-belieber mag leeglopen over de ongeëvenaarde genialiteit van ’s mans muziek, de een nog lyrischer dan de ander. Volwassen mannen pinken een traantje weg als ze met bevende stem verhalen van die allereerste keer dat hun grootvader zaliger hen meenam naar het concertgebouw om de Matthäus te horen. Als moderne orakels kakelen de intellectuelen hun tongentaal over de diepe betekenissen van de verborgen getallensymboliek in Bachs partituren. En voor wie de Bach-cathecismus nog niet helemaal uit het hoofd kent, heeft Radio 4 nu zelfs een heuse Bach-helpdesk ingesteld. Voor al je vragen over Bach, zoals daar zijn: “Waarom is Bach zo briljant?”, “Waarom ontroert de Matthäus Passion mij zo?” (Ik verzin deze voorbeelden niet.) Niemand die de tenenkrommende dweepzucht tempert, niemand die de hysterie relativeert, niemand die zegt: jongens, die Bach kon heus wel wat, maar zó bijzonder zijn die passies nou ook weer niet.

Nou ja, bij deze.

De muzikale monocultuur

Mijn grote probleem met de Matthäus is dus niet eens die tamelijk langdradige liedjesparade zelf, maar vooral de populaire weerklank ervan. Die is zo massaal en zonder enig tegenwicht, dat er een muzikale monocultuur is ontstaan. In deze tijd rond Pasen is dat schrijnend duidelijk: andere passiemuziek dan die van Bach wordt nauwelijks uitgevoerd. Voor een koor geldt als toppunt van artistieke waaghalzerij om eens een jaartje Bachs Johannes Passion in plaats van diens Matthäus Passion uit te voeren. Een programma zonder Bach is commerciële zelfmoord.

En dat is jammer voor al die andere prachtige muziek die in de loop van de geschiedenis gemaakt is. Alleen al zo veel tijdgenoten van Bach hebben zulke wonderschone muziek geschreven. Zoals bijvoorbeeld, eh… kom, hoe heet ‘ie ook alweer? En niet te vergeten, eh, dinges… Nou ja, zie je nou wel, dit is precies wat ik bedoel!

Dat Bach zijn tijdgenoten in de vergetelheid heeft gedrukt is nog niet eens het ergste. (De barok geldt immers sowieso niet als toonbeeld van verfijnde smaak; qua kitsch en klatergoud strijdt het slechts met gangsterrap om de toppositie.) Veel erger is dat hij ook grote muzikale meesters voor en na hem heeft verduisterd. Ik moet mij preciezer uitdrukken, want Bach zelf kun je zo veel eer niet eens toekennen – die werd keurig en terecht vergeten na zijn dood om pas in de loop van de negentiende eeuw helaas herontdekt te worden. Nee, het zijn de hedendaagse Bach-evangelisten die de andere componisten hebben verduisterd, door de muzikale geschiedenis te herschrijven en op te delen in een era ‘voor Bach’ en een era ‘na Bach’, waarbij alle muziek v.B. slechts een opmaat was naar Bach toe, en alles n.B. een lange nabeschouwing. Aan beide zijden van Bach doet dat componisten vreselijk onrecht.

De schemering van de sacrale muziek

Om vóór Bach te beginnen: in de late Middeleeuwen hadden de wereldse en de religieuze muziek elkaar in een opzwepende paringsdans het hof gemaakt, wat geleid had (zo gaat dat met paringsdansen) tot een nieuwe geboorte – ook terecht wedergeboorte genoemd, renaissance – de geboorte van de polyfonie. In heel Europa zinderde het van de creativiteit, in Italië (denk aan Palestrina, Allegri), Spanje (Victoria), Engeland (Byrd, Tallis), ja zelfs de Lage Landen deden volop mee met meesters als Dufay, Obrecht, Des Prez. Dergelijke componisten wisten een werkelijk imposante canon van sacrale en wereldse muziek te creëren, die qua zeggingskracht, vernuft en verfijning helemaal niets onderdoet voor Bach – sterker, die Bach volkomen doet verbleken, naar mijn stellige mening.

In elk geval is het geheel onterecht om slechts door de lens van Bach naar de Ars Nova- en Renaissancecomponisten te kijken, want dan mis je iets wezenlijks. Zij waren geen voorlopers van Bach; Bach was hooguit een uiterst selectieve naloper. Het is makkelijk om aan te wijzen wat Bach allemaal heeft overgenomen van die vroegere componisten; veel belangrijker is het te ontdekken wat Bach níet heeft overgenomen. Dat is, kort gezegd, de mystiek – of om in mijn eerdere beeldspraak te blijven: de erotiek. Ik noemde de Oude Muziek al het resultaat van een paringsdans tussen wereldse en religieuze muziek; die durfde de vrolijkheid van marktpleinen en taveernes te verbinden aan de verstilling en verinnerlijking van kloosters en kerken. Soms lag het zwaartepunt bij het eerste, soms bij dat laatste, maar hoe dan ook bleven die twee polen op elkaar betrokken, waardoor er altijd een mysterieuze diepgang in de muziek bleef bestaan. Een sacraal moment. Verklankte stilte.

Die sacraliteit is volkomen afwezig bij Bach. Er is geen sprake meer van een wisselwerking tussen werelds en religieus, geen paringsdans, geen erotiek. Bach is sentimenteel tot in de haarvaten, maar zeker niet sensueel – hij is zo sensueel als een grindtegel; zo erotisch als een uniseks jumpsuit. De zinderende spanning tussen verinnerlijking en veruiterlijking is opgeheven, zijn muziek is louter nog werelds, grauw en massief, een druilerige maartse regenbui.

De liturgische ongeschiktheid van Bach

Werelds ja; dat kan vreemd klinken – de Passies gaan toch over het lijden van Jezus, religieuzer krijg je het toch niet? Maar laat je door de thematiek niet van de wijs brengen. Bach heeft in zijn hele leven geen noot sacrale muziek geschreven, niet één. Want wat is sacrale muziek? Verklankte stilte, zei ik al, maar misschien kan ik ook simpelweg zeggen: biddende muziek. Dat wil zeggen: muziek die wil spreken tot God, die sprakeloos en bescheiden opkijkt naar het immense mysterie van ons bestaan. Dat doet Bach dus nergens. In plaats daarvan zwelgen zijn klanken in hun eigen vernuft, ze feliciteren zichzelf omstandig, trillen met allerlei platte emoties die door moeten gaan voor religieuze vroomheid. Goethe omschreef Bachs muziek als “oneindige harmonie in dialoog met zichzelf”, en hij bedoelde dat ongetwijfeld als compliment. Voor mij legt het de vinger echter op de zere plek: zijn muziek is zelfdialoog, een langgerekte serenade aan zijn spiegelbeeld. Met religieuze eerbied en verwondering heeft dat niets uit te staan. Daarom heb ik er ook zo’n moeite mee wanneer flarden uit de Matthäus in de kerk worden gebruikt tijdens de eredienst. Het is daar niet op z’n plaats. Op een poppodium, prima. Tijdens een polonaise op het Maastrichtse Vrijthof, geen probleem. Maar niet tijdens een gebedsbijeenkomst. Dan kun je net zo goed death metal spelen tijdens de Heilige Mis. Is nog minder saai ook.

Nee, maar echt. Ik wil dit punt onderstrepen. Juist omdat veel liturgische puristen in de kerk moderne muziek in de Mis categorisch afwijzen. Ten dele kan ik in hun redenaties meegaan. Ik ben ook geen liefhebber van het onzalige idee van popmissen en jazzmissen. Maar waarom hoor je diezelfde puristen nooit protesteren wanneer er muziek van Bach of Händel (diens Messiah is zo mogelijk nog afgrijselijker dan de Matthäus) of andere barokke en klassieke componisten wordt gebruikt in de Mis? Er is werkelijk geen kwalitatief verschil – als ik probeer te bedenken welke muziek nog minder sacraal is dan Bach, schiet mij enkel rockabilly te binnen. Blijkbaar gaan velen uit van de simplistische veronderstelling ‘alles van voor 1900 = traditioneel = goed’ (of, afhankelijk van de persoonlijke voorkeuren: ‘alles van voor 1900 = traditioneel = slecht’). Het getuigt van een gemankeerde opvatting van wat traditie is, en van een onscherp luisterend oor bovendien.

De dageraad van een nieuwe sacraliteit?

Want niet alleen vóór Bach is prachtige religieuze muziek gemaakt, ook daarna is die traditie voortgegaan, al laat die zich wat moeilijker vinden – mede doordat de kerken in hun Bachiaanse verblinding kwalijk achteloos met die traditie zijn omgesprongen. Ondanks die desinteresse liet de sacrale muziek zich niet helemaal verjagen. Bij de Romantici van de 19e eeuw, brak die soms kort door, als een eenzame baan zonlicht door een grauw wolkendek. Bij Liszt bijvoorbeeld, ooit een toonbeeld van ijdeltuiterige virtuositeit en zelfgenoegzaamheid, maar gestorven als een halve monnik; in zijn Via Crucis is meer dan een glimp van die mysterieuze diepgang op te vangen. Bij Dvořák, die zelfs in de orkestrale bombast van zijn Stabat Mater momenten van goddelijke verstilling wist te weven. Of bij Bruckner, die stevig geworteld was in de braaf-klassieke traditie met zijn vierkante vormentaal, maar toch ook verlangde naar een oudere, grilligere klankschat, en het Gregoriaans opnieuw afstofte.

In de vroege twintigste eeuw waren het de grote Russische componisten die iets van de mystiek van hun diep sacrale oosters-orthodoxe muziektraditie in de westerse klassieke muziek inbrachten – Stravinsky bijvoorbeeld vrij subtiel in zijn Psalmensymfonie, Rachmaninov meer uitgesproken in zijn Vespers. En juist ook in het muzikale modernisme dat de klassieke tonale schema’s achter zich liet, werd de sacraliteit herontdekt – luister eens naar de prachtige werken van Pärt, Górecki, Tavener. Hun composities hoor je zelden in kerken, terwijl die nu net een liturgische kwaliteit bezitten die in een concertzaal niet op de plek is.

Besluit

Daarom kan ik de Matthäus even niet meer horen. Ik geloof dat het niet eens zozeer aan Bach zelf ligt. Die heeft zijn plaats in de muziekgeschiedenis verdiend; ik heb vooral moeite met het schrale culturele klimaat waarin er buiten Bach geen muziekgeschiedenis meer bestaat. Er is meer, zo veel meer. Muziek die niet vooruitloopt op Bach, noch eruit voortvloeit, maar wezenlijk anders is – die ver uitstijgt boven de platte sentimenten, boven geveinsde jubel en jammerklacht, die werkelijk jubelt en jammert tegelijk in een eeuwig magnificat en miserere, in bevreemdende toonladders die niet het applaus van mensen zoeken, maar de vertrouwelijkheid met God; niet de virtuositeit, maar de stille eenvoud. Dat heet sacrale muziek, en het westerse christendom mag daar wel eens wat zuiniger op zijn.

1 gedachte over “Ba(c)h! Waarom ik de Matthäus Passion niet meer kan horen…

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *