(Een loflied bij Marcus 1:14-20. Denk de muziek er zelf maar zelf bij.)
Kalm is het water van het meer
Maar mijn boot schudt heen en weer
Niet door een storm, maar door een stem
Niet door een schim, maar slechts door Hem
Die mij roept vanaf de wal: de Heer.
Je kunt zeggen: flashmobs zijn over hun hoogtepunt heen. Alles is al wel gedaan; de grap en de verrassing zijn er een beetje af. Ja, vooruit. Maar toch blijft het fenomeen iets fascinerends hebben. Ecce homo; niet zozeer de mensen die de flashmob uitvoeren staan te kijk, maar de omstanders – betrapt in de tredmolen van het winkelcentrum, verveling op de gezichten, pratend in een mobiele telefoon, likkend aan een ijsje… Dan plots wordt de sleur doorbroken, breekt er een zonnestraal door, waardoor de grijze werkelijkheid weer kleur krijgt. Precies daarom was de beroemde ‘Hallelujah-flashmob‘ van eind vorig jaar zo prachtig en populair, vermoed ik. Ja, in wezen is een dergelijke geslaagde flashmob een religieuze gebeurtenis. Het goddelijke toont zich in het alledaagse, het wereldse; geest en stof raken elkaar. De katholieke kerk viert vandaag, op Sacramentsdag, in feite dezelfde mysterieuze ontmoeting. We hebben het over de ‘werkelijke tegenwoordigheid’ van Christus in brood en wijn. Een dogma dat veel mensen onbegrijpelijke en onzinnige hocuspocus vinden. Maar kijk nou eens naar het bovenstaande filmpje. Een eucharistische flashmob – het summum van het genre, als je het mij vraagt, want de eucharistie is de oorspronkelijke flashmob. Ik stel me zo voor dat de mensen in de tijd van Jezus’ prediking hetzelfde op Hem gereageerd hebben. Sommigen lieten spontaan vallen waar ze mee bezig waren, en gingen aan Zijn voeten zitten. Sommigen keken verbaasd, verstoord. Sommigen liepen geërgerd door. Christus is tegenwoordig in dit Engelse winkelcentrum. Niet bij wijze van spreken, niet op een of andere vage, abstracte of symbolische manier. Nee: werkelijk.
Ik had geen fototoestel bij me toen ik het zag gebeuren – en trouwens, al had ik wel een fototoestel, ik heb geen talent voor fotografie. Vandaar dat ik dit mooie beeld maar even provisorisch zo vastleg, met wat woorden. Stel je voor: Goede Vrijdag, de namiddag, in de kerk had de Via crucis van Liszt het lijden en sterven van Jezus plechtig begeleid. Je fietst naar huis, het is zonnig, bijna zomers warm. Langs de lange weg de stad uit staat een file de stad in. Verveelde en verhitte gezichten door de opengedraaide autoramen. De weg in tegengestelde richting – jouw kant van de weg – is bijna leeg, een enkele automobilist in de file probeert om te keren. Dan passeert een auto je op die lege rijbaan. Het dakraam gaat open. Een jonge vrouw steekt haar hoofd naar buiten; eerst voorzichtig, maar al snel gaat zij zelfverzekerd rechtop staan. Zij strekt haar armen wijd uit, begroet de verkoelende wind, en tart de bedrukte gezichten op de andere weghelft. Een fractie van een tel is zij, vermoedelijk onbedoeld, het sprekende beeld van moeilijk te bevatten woorden. Vrijheid door het Kruis.
Twee jaar geleden plaatste ik op mijn blog iedere dag van de Goede Week een nieuw gedicht, geïnspireerd door de bijbeltekst van de dag. Ik wilde het verhaal van Jezus’ laatste dagen navertellen vanuit het perspectief van een anonieme omstander, een bijbelse figurant, die merkt dat er iets aan de hand is, maar niet goed weet wat… de spanning moet destijds, zo stel ik mij voor, te snijden zijn geweest in Jeruzalem. De gedichten pretenderen niet iets te begrijpen van het Paasmysterie – als ze al iets pretenderen, dan is het dat ze voelbaar maken hoe moeilijk dat Paasmysterie te begrijpen is.
Het zijn daarom kleine en bescheiden gedichten, en ik was ze al zo’n beetje vergeten toen ik ze bij toeval weer tegenkwam. En eigenlijk vind ik ze nog altijd redelijk geslaagd (iets dat me niet vaak gebeurt bij oude gedichten). Dus, voor wie er wat om geeft – encore:
“Vader en moeder [waren] onverbrekelijk verbonden als de Bossche Sint-Janstoren met zijn kathedraal.
Moeder als het kerkgedeelte, Brabantse gotiek op z’n hoogtepunt met alle krullen en versiering uit ‘n Bourgondische periode. Heel open en licht van binnen.
Vader als de Sint-Janstoren. Gewoon boeren baksteen, markant en vierkant, maar hoog ten hemel rijzend en je kon altijd precies zien hoe laat het was.
Deskundigen zeggen: ‘Die toren hoort niet bij die kerk.’
Wij Bosschenaren weten door de eeuwen heen: dit is onze eigen Sint-Jan. Daar moet niemand aankomen.”
- Bron: Frits van der Ven SJ, In dit teken…, Adr. Heinen uitgevers, ‘s-Hertogenbosch, 2004.
Deze ontroerende karakterisering van zijn ouders komt uit een rede die Frits van der Ven uitsprak op 30 maart 1981 in de Sint-Janskathedraal in Den Bosch, bij de uitvaart van zijn vader.
Toevallig ontmoette ik deze markante pater jezuïet vrij recent; hij was ziek en broos, maar had een uitstraling die indruk op me maakte. Vrolijk. Hartelijk. Hij schijnt als studentenpastor zeer geliefd geweest te zijn, en ik kan me goed voorstellen waarom. Aan de andere kant lees ik ook verhalen over zijn activisme, waarin hij naar voren komt als een koppige, eigenzinnige man – ook daar kan ik me best iets bij voorstellen. Ik weet het niet, ik ken hem verder niet. Maar ik vermoed dat hij iets van die dubbelheid in zich droeg van zijn ouders, en van de kathedraal van zijn geboortestad.
Afgelopen zaterdag stierf pater Van der Ven op 79-jarige leeftijd, komende zaterdag wordt hij begraven, vanuit diezelfde Bossche Sint-Janskathedraal. Moge hij rusten in vrede.
Ik ken Olivier Messiaen eigenlijk vooral van zijn opera Saint François d’Assise. Wat ik aan dat werk bijzonder waardeer, is Franciscus daarin niet neerzet wordt als de dwaze, goedmoedige flierefluiter die de folklore soms van hem dreigt te maken; Messiaen maakt voelbaar dat er onder die excentriciteit iets verontrustends schuilgaat, iets radicaals, iets heiligs… En eenzelfde verontrustende ondertoon hoor ik in dit stuk, de derde beweging uit de ‘orkestmeditatie’ L’Ascension uit 1932/’33. Ook de Hemelvaart van Christus is zo’n verhaal dat zo ingebakken zit in ons collectieve geheugen, dat we makkelijk vergeten hoe verbijsterend het is. Messiaen maakt iets van de verbijstering voelbaar in de bevreemdende melodieën die door de triomf van de trompetten heen breken.
“En elders vele andere heilige martelaren…” Dat is, zo ongeveer, de vertaling van de kop boven dit stukje. Het is een frase uit het Martyrologium Romanum, het officiële martelarenboek van de Katholieke Kerk. Ik las ergens dat dat boek meer naamloze martelaren telt dan met naam bekende martelaren.
Paul Hamans, priester van het bisdom Roermond en deskundige op het gebied van twintigste-eeuwse martelaren, schreef een boek over een soort van tussencategorie: de martelaren wiens namen wij bijna vergeten zijn, namelijk die van de meer dan honderd tot het katholicisme bekeerde joden die in de zomer van 1942 werden gearresteerd en in Auschwitz vermoord werden. Edith Stein is eigenlijk de enige nog alom bekende naam uit deze groep. De executie van deze joodse katholieken was een vergeldingsactie voor een herderlijke brief van de Nederlandse bisschoppen, waarin de nazi’s bekritiseerd werden.
Het boek van pater Hamans heet Edith Stein and Companions. On the way to Auschwitz, en is verschenen bij de Amerikaanse uitgever Ignatius Press. Ik kon in een tamelijk uitgebreide lijst van publicaties van deze auteur (zie hier, onderaan de pagina) geen Nederlandse editie van dit boek vinden. Vreemd eigenlijk – waarom is dit boek niet in het Nederlands verschenen? Is ons land er nog niet klaar voor? Willen wij, zoals de recent overleden katholieke schrijver Ralph McInerny in zijn voorwoord bij Hamans’ boek ook suggereert, Edith Stein en haar bijna naamloze kompanen liever als joodse Holocaust-slachtoffers zien dan als katholieke martelaren? Of is er een andere (misschien ook plattere, meer praktische) reden dat dit boek meteen in het Engels verscheen? Wie het weet mag het zeggen, ik ben benieuwd.
Om deze ene bij naam bekende heilige en slachtoffer van het naziregime te herdenken – et alibi aliorum plurimorum sanctorum martyrum, uiteraard - een filmpje uit de nog niet eens zo oude doos. Gemaakt in Keulen, rond de verschijning van het Bronnenboek Christendom, waarin ook een tekst van Edith Stein is opgenomen. Neem me de povere beeld- en geluidskwaliteit niet kwalijk.
“Een jonge journalist en schrijver die zonder complexen opkomt voor de rijkdom van het
katholieke geloof, ook in deze voor de kerk
beroerde tijden. Hij doet dat met een ongewone
taalvaardigheid, speels, sprankelend en ‘geestig’
in de twee betekenissen.” - Tertio