Cruijff, The Passion en de noodzaak van de liturgie

Wat kent Nederland toch weinig smaken tussen blinde dweepzucht en calvinistische snibbigheid. Onze taal is verarmd tot louter ‘Hosanna’ of ‘Kruisig hem’.

Hosanna: Johan Cruijff in den hoge. De nationale televisie past zijn programmering aan, kranten pakken uit met extra katernen, de deskundologen buitelen over elkaar heen om de man de hoogste hemel in te prijzen, nog een treetje hoger dan God de Vader zelf als het even kan. ’s Mans uitgekauwde onnozelheden worden weer eens half-ironisch opgedist alsof het diepe wijsheden zijn. Alsjeblieft zeg, wat een armoede. Als we een voetballer al zo bewieroken, hebben we ofwel wierook te veel, ofwel – waarschijnlijker – te weinig echte grootheden die het bewieroken waard zijn. De Belgen hebben nuchterder en waardiger gereageerd op de aanslagen in Brussel, dan de Nederlanders op de dood van Johan Cruijff.

Maar genoeg! Want nu bezondig ik me zelf al weer aan dat andere uiterste, waar ik het eigenlijk vooral over wilde hebben: de calvinistische snibbigheid. Tja, het is verlokkelijk om te dwepen, en even verlokkelijk om af te kraken. Ik ben niet zonder zonde, ik weet het, werp niet de eerste steen. Laat ik dus wat terugkrabbelen. Johan Cruijff was natuurlijk ook best een belangrijke voetballer. En ach, láát die mensen zich toch lekker verkneukelen om cruijffiaanse kromtaal. Ze doen er toch niemand kwaad mee?

The Passion

The Passion 2016. Foto: Michaël Terlouw / EO.nl
The Passion 2016. Foto: Michaël Terlouw / EO.nl

Een ander onderwerp om mijn nieuw gevonden genuanceerdheid op te oefenen: The Passion. Ik ben geen fan, heb er ook niet naar gekeken – de veertigdagentijd is nog net niet voorbij, dus de televisie blijft nog uit in Huize-De Wit. Zelden zo veel boeken gelezen als in de voorbije weken. Man! Je moest me eens zien: ik straal gewoon een beetje van slimheid door al die mooie literatuur. Maar terug naar The Passion. Ik heb die beker dus wederom beleefd aan me voorbij laten gaan, maar zag toch her en der wat meningen voorbij schieten. Antoine Bodar vond het bijvoorbeeld helemaal niks. Dat is zijn goed recht natuurlijk, en ik kan zelfs moeilijk ontkennen dat ik het in hoge mate met hem eens ben. Ik vind het ook zo plat als een dubbeltje allemaal, ik geloof ook niet dat het als ‘religieuze ervaring’ beklijft.

Toch: vele mensen vinden het mooi, worden er door geraakt, en hoe tijdelijk het effect ook is: het is iets. Er zijn ook vele mensen die de Mattäuspassion mooi vinden, die is nog veel platter en smakelozer – en tegelijkertijd een nog veel grotere en helaas jaarlijks terugkerende bron van ongebreidelde dweepzucht. Maar goed, smaken verschillen, en als dit de manier is waarop veel mensen in onze seculiere tijden toch nog in aanraking komen met het grootste verhaal ooit verteld, hoe vluchtig ook, dan kan ik de waarde ervan niet miskennen. Het staat mij vrij de tv en de radio uit te laten.

Opleuken

Ik las één kritische reactie op The Passion, die mij iets langer bezighield, en die misschien ook wel de eigenlijke reden is dat ik dit alles schrijf. En die kwam van de dominicaan Leo de Jong. Zijn kritiek is subtieler en tegelijk diepgravender. Ik las er veel in dat ik het beamen waard vind: het niet willen toedekken van de afgrond van het lijden, het volhouden van de zinloosheid, de onzinnigheid van vrome vergoelijkende prietpraat. Heel waar!

Maar waar ik op bleef haken was op deze opmerking:

Ik kan niet verkroppen dat we iets zo afschuwelijks als de moord op een intens goed mens gaan opleuken met indrukwekkende gezangen en een verzorgde liturgie, met bekende Nederlanders, televisie-opnames en de zogenaamde zingeving van iets onzinnigs.

‘Opleuken’: als er één woord is in het Nederlands waarin de gehele calvinistische snibbigheid is samengebald, dan is dat het wel. Het opmerkelijke is dat hij het hier niet enkel over The Passion heeft. Pater De Jong vindt klaarblijkelijk ook de Mattaüspassion, en zelfs elke vorm van kerkelijke liturgie ongepast op Goede Vrijdag. Dat laatste bevreemdt mij. En niet alleen omdat ik zelf zo dadelijk wél zal aanschuiven in de kerkbanken om de kruisweg te bekijken en naar lezingen en plechtige gezangen te luisteren. Ik sta van harte open voor de suggestie dat dat even ongepast is als The Passion of de Mattäus; want natuurlijk, ook de liturgie is een vorm van theater – nee, juister gezegd: theater is een vorm van liturgie.

Naakte ervaring

Maar de vraag die het oproept is: wat dan? Hoe moet ik dan het lijden en sterven van Jezus Christus gedenken? Als zelfs een sobere liturgie al ‘aankleding’ is, wat is dan de naakte ervaring? Bedenk wel: ooit was ook de Mattäus een piëtistische poging om het lijdensverhaal echt in z’n rauwheid te laten voelen. Dat is dan vervolgens voor de ware piëtist ook niet meer vroom genoeg, we genieten er nog te veel van. Dan kom je denk ik bij de filmische zelfkwelling uit van Mel Gibsons Passion of the Christ. Maar ook dat is nog steeds aankleding, sadomasochistisch theater… Ook al ongepast! Wat dan? Eenzaam thuis zitten kniezen, met watten in de oren en de gordijnen stijf gesloten, in m’n uppie meevoelend met de zinloze zwartheid van het kruis? Om vervolgens te lamenteren over de onzuiverheid van mijn voorstellingen? Nee, dit is een vruchteloze neerwaartse spiraal, die onverbiddelijk weggezogen wordt in het afvoerputje van het puritanisme.

Wat wij willen gedenken, willen wij vertellen. Wat wij vertellen, kleden we aan. We cultiveren het, stileren het, maken er een verhaal van, bezingen het, we gieten het in strofen en noten en beelden – in ultimo: we maken er liturgie van. Dat is even onvermijdelijk als noodzakelijk. Want wat is ons alternatief? Het enige en meest zuivere alternatief, is de daad zélf herhalen. We zien het voor onze ogen gebeuren. De schoften van IS, theater- en liturgiehaters pur sang, hebben aangekondigd vandaag op Goede Vrijdag een gevangen genomen priester te gaan kruisigen. Dat is waarom we liturgie, desnoods in verdunde theatrale vorm, moeten vieren.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *