De achterkant van de wereld

Vanochtend fietste ik over de brug tussen Ewijk en Valburg. De A50 vormde een gordijn van asfalt en uitlaatgassen aan mijn linkerzijde. Aan mijn rechterzijde werd de loom slingerende Waal onzichtbaar gemaakt door een sluier van nevel. Als het geen ochtend was, en als ik niet aan het fietsen was, dan was ik er vast mistroostig van geworden. Nu was mijn geest, ondanks de grauwe sluiers, helder en opgewekt. Ik moest aan die goeie ouwe Plato denken.

platos-caveDiens overbekende allegorie van de grot is voor mij eigenlijk altijd slechts dát geweest: overbekend. Belangrijk, briljant, maar ook: uitgekauwd. Maar vanochtend op die brug, geïnspireerd door de grijze gordijnen aan weerszijden, bedacht ik dat ik deze allegorie altijd te veel als iets gelezen heb. Als belangrijke tekst in de geschiedenis der westerse wijsbegeerte, als metafysica, als verbeelding van het menselijke onvermogen om tot de kern van zaken door te dringen, als christendom avant la lettre. Maar eigenlijk nooit om de tekst zélf, om de poëtische verbeelding die er van uit gaat.

Ik heb Plato’s grot kortom eigenlijk nooit als werkelijkheid begrepen. Dat ligt niet alleen aan mij, het is ook wel een beetje Plato’s eigen schuld. Want wie situeert z’n allegorie nou weer in een grot – daar komt toch geen kip meer vandaag de dag? Dus echt herkenbaar als werkelijkheid is zijn verhaal niet.

Maar de moraal van het verhaal dringt zich de laatste weken voortdurend aan mij op. Op allerlei mogelijke manieren. Via kunst allereerst – schilderkunst, muziek, poëzie, literatuur. Juist die kunstwerken grijpen mij naar de keel die iets van dat platoonse mysterie laten zien. Dat ‘naar de keel grijpen’ bedoel ik vrij letterlijk; het lijkt alsof mijn adem stokt wanneer ik ermee geconfronteerd wordt – ze zijn letterlijk adembenemend.

Eerder heb ik het al gehad over de Waterhouse-expositie in Groningen. Ik voelde die fysieke ervaring bij het schilderij The Lady of Shalott uit 1888. Ik voel het bij het gelijknamige gedicht van Alfred Tennyson, hoewel ik diens pompeuze gedoe normaliter maar moeilijk verdraag. En ik voel het bij het liedje van Loreena McKennitt:

[youtube=http://www.youtube.com/watch?v=MU_Tn-HxULM]

De dame van Shalott, zo vertelt dit verhaal, is verdoemd om voor altijd in haar kamer te zitten en te weven.

There she weaves by night and day
A magic web with colours gay.
She has heard a whisper say,
A curse is on her if she stay
To look down to Camelot.
She knows not what the curse may be,
And so she weaveth steadily,
And little other care hath she,
The Lady of Shalott.

In deze strofe schuilt de platoonse tragedie al: ze heeft het niet direct gehoord dat deze vloek op haar rust, nee, ‘she has heard a whisper say’, ze heeft het horen fluisteren. Het klinkt alsof deze dame wel erg bangig en goedgelovig is: wie laat zichzelf immers eeuwig huisarrest geven door niets een vaag gerucht? Maar als je er even over doordenkt is juist dit de menselijke conditie: we bevinden ons in een bepaalde situatie, doen de dingen die we dagelijks doen, zonder helemaal goed te weten waarom we het doen. We hebben allemaal maar van horen fluisteren dat we het zo en niet anders moeten doen. En intussen weven wij het web waarin we zelf verstrikt raken.

Vervolgens wordt de verwantschap aan de allegorie van de grot nog duidelijker:

And moving through a mirror clear
That hangs before her all the year,
Shadows of the world appear.
There she sees the highway near
Winding down to Camelot;
There the river eddy whirls,
And there the surly village churls,
And the red cloaks of market girls
Pass onward from Shalott.

Zij ziet de wereld slechts door een spiegel, ze kan de wereld niet direct aanschouwen. Maar ze weet dat wat zij ziet slechts schijn is, en ze wil eraan ontsnappen:

“I am half sick of shadows,” said
The Lady of Shalott.

Dan ziet ze de knappe Lancelot in die spiegel voorbij paraderen, wordt verliefd, en wil hem dan écht zien, niet slechts zijn schim. Dus zij keert zich om, met alle gevolgen van dien… Eén van die passages die mijn adem benemen:

She left the web, she left the loom,
She made three paces through the room,
She saw the water-lily bloom,
She saw the helmet and the plume,
She look’d down to Camelot.
Out flew the web and floated wide;
The mirror crack’d from side to side;
“The curse is come upon me,” cried
The Lady of Shalott.

Lang verhaal kort: zij heeft de echte wereld gezien, maar sterft eraan. Zoals ook Plato waarschuwt dat de gevangene die aan de grot ontsnapt, verblind wordt door het volle daglicht. En afgelopen zondag werd in de liturgie een prachtige tekst uit Deuteronomium gelezen, waaruit je iets soortgelijks kunt afleiden:

Laat mij de stem van de HEER mijn God niet meer horen
en dat grote vuur niet meer zien,
anders sterf ik.

(God besluit daarom een profeet, een bemiddelaar te zenden – zoals ook de Heilige Maagd Maria dat voor katholieken is. Het katholicisme heeft sowieso een groot gevoel voor dit type platonisme – dat blijkt ook wel uit het KN-interview met de katholieke kunstenaar Gyula Somos, dat ik eerder in een andere context citeerde.)

Nu kun je daar cynisch van worden en denken: mensen kunnen de onversneden waarheid niet aan. Maar cynisme heeft de mens nooit iets zinnigs geleerd, dus we moeten ons niet te snel tot een dergelijk fatalisme laten verleiden.

Wat we er positief van kunnen leren is een verzoening met het lot, de werkelijkheid – een werkelijkheid die zo vaak ellendig en verwarrend is. Ook daarin dringt de allegorie van de grot zich steeds vaker aan mij op, en ook dat beneemt mij de adem. Uiteindelijk raakt de allegorie dus aan die diepe, steeds weer terugkerende vraag naar het kwaad – waarom laat een goede God zo veel kwaad op de wereld toe?

Die vraag weerklinkt bij Plato, bij Tennyson, bij Waterhouse, bij McKennitt, bij Somos, bij Mozes, we horen die vraag – nee, een fluistering, een echo van die vraag – op de Waalbrug en in Dendermonde, in Vaticaanstad en in Gaza, overal, hier en ginder.

Sommige echo’s van de vraag klinken zelfs zo luid, dat ze bijna een antwoord lijken. Eén toevallige vindplaats van de allegorie van de grot heb ik nog niet genoemd, en voor mij is die de belangrijkste, misschien wel de aanjager van deze overpeinzingen op de brug… Onlangs schonk het toeval mij een prachtige studie-uitgave van The Man Who Was Thursday van G.K. Chesterton. Al in de inleiding van Martin Gardner greep dit verhaal mij bij de keel – ik heb het weg moeten leggen en heb nog altijd niet verder kunnen lezen. In deze surrealistische nachtmerrie, zo legt Gardner uit, geeft Chesterton een heel eigen draai aan de allegorie van de grot in relatie tot de vraag naar het kwaad.

In feite was Chesterton daar al op vooruit gelopen in zijn biografie van de 19e-eeuwse schilder G.F. Watts – die, laten we het toeval noemen, dan weer een vriend was van Tennyson. Watts schilderde mensen veelvuldig van de achterzijde bezien, dus kijkend op hun rug. Chesterton schrijft daarover:

The back is the most awful and mysterious thing  in de universe: it is impossible to speak about it. It is the part of man that he knows nothing of; like an outlying province forgotten by an emperor. It is common saying that anything may happen behind our backs: transcendetally considered the thing has an eerie truth about it. Eden may be behind our backs, or Fairyland.

Wat een prachtige manier om het te bezien: het paradijs ligt achter ons, niet zozeer in de tijd, maar in de ruimte, en daarom kunnen we het niet zien. Zoals Camelot achter de rug van de dame van Shalott lag. Maar er komt geen sluier of spiegel meer aan te pas die het aan onze blik onttrekt: slechts de beperktheid van ons eigen gezichtsvermogen. In Thursday is het de personage Syme die dit standpunt schitterend onder woorden brengt. Ik citeer uit de inleiding van Gardner:

“Listen tot me”, Syme cries in chapter 14. “Shall I tell you the secret of the whole world?” His speech wonderfully capsules the heart of G.K.’s nightmare as well as the heart of Plato. “It is that we have only known the back of the world. We see everything from behind and it looks brutal. That is not a tree, but the back of a tree. That is not a cloud, but the back of a cloud. Can’t you see that everything is stooping and hiding a face?”

Het benam me weer de adem, toen dit citaat mij vanochtend weer te binnen schoot – daar op de achterkant van de brug, langs de achterkant van de A50, over de achterkant van de Waal.

6 gedachten over “De achterkant van de wereld

  1. Ik weet dat het niet jouw soort boek is, maar ik moest denken aan een kleine gedachte van het kind Anna.
    “Meneer God heeft geen billen!”
    God heeft geen achterkant; hij hoeft zich niet ‘om te draaien’ om iets of iemand te kunnen zien. God is alleen voorkant.

  2. Gisteren had ik Thursday uit!
    De laatste regel van het voorlaatste hoofdstuk:
    ‘De vermommingen vermommen niet, ze onthullen.’

  3. @ Marsha: Interessant, mooie gedachte! Overigens is de stelling van Chesterton (of althans in de interpretatie van Gardner) dat de hele werkelijkheid zoals wij die zien de achterkant van God is. De personage Sunday, die je als de immanente God kunt zien, ziet er van de voorkant uit als een engel, en aan de achterkant als een monster.

    @ L.W. van der Sluijs: wat een schitterend citaat! Ik ben nu dus nog maar net begonnen aan dit boek, maar ik ben nu al zeer enthousiast.

  4. Pingback:Verdediging van Carnavalloosheid « Geloof jij het?

  5. Pingback:Herinneringen aan de zon « Geloof jij het?

  6. Pingback:Herinneringen aan de zon | Anton de Wit

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *