De eeuwige strijd tussen goede en slechte fantasy

Ik weet het, ik weet het: sommige films moet je gewoon kijken zonder er al te veel achter te zoeken. Alle succesvolle filmgenres (actiefilms, romantische komedies, tranentrekkers) drijven op clichés en herhaling, je moet niet al te veel originaliteit of diepzinnigheid verwachten, maar gewoon je verstand op nul zetten en kijken. Of niet natuurlijk; voor dergelijke genres geldt: love it or leave it.

En ja, ik weet het: die vlieger gaat ook op voor fantasyfilms, die ik graag kijk. Of eigenlijk: die ik tegen wil en dank graag kijk. Ik zie mezelf helemaal niet als een rasechte fantasyliefhebber; het overgrote merendeel van het genre – zowel qua films als boeken – vind ik regelrechte pulp, flauwe kitsch. Maar de Grote Drie van het genre – dat zijn J.R.R. Tolkien, C.S. Lewis en J.K. Rowling, wat mij betreft – maken gewoon veel goed. Die creëerden verhalen die met de grote sprookjes uit vorige eeuwen kunnen concurreren. Een purist ben ik niet: ook de filmversies van hun boeken vind ik meestal goed te pruimen. Dus inderdaad: ik zit met ongeduld te wachten op allerlaatste film in de Harry Potter-reeks die volgende week verschijnt, en met evenveel ongeduld op The Hobbit, die volgend jaar verschijnt. En om het wachten wat veraangenamen, kijk ik graag naar soortgelijke films in het genre. Ook als ze lang niet zo origineel of diepzinnig zijn.

Zo zond RTL 8 gisterenavond de film The Seeker: The Dark is Rising uit. Op het eerste oog een prima formulefilm. Iets met de eeuwige strijd tussen goed en kwaad, een puberjochie dat uitverkoren blijkt te zijn om het kwaad te stoppen, daarvoor een aantal magische artefacten moet verzamelen… het zou ook zomaar de beschrijving van Harry Potter and the Deathly Hallows kunnen zijn. Qua beeldtaal hebben de makers van The Seeker daarbij ook nog eens goed naar de Harry Potter-films gekeken. De special effects zijn mooi en er spelen ook nog eens vaardige acteurs in mee. Dus: op zich niks mis mee, het zou best een vermakelijke film kunnen zijn.

Maar ik heb mij geen seconde vermaakt bij deze film. Sterker nog: ik heb me groen en geel geërgerd. Dat heeft met een hardnekkige dispositie mijnerzijds te maken: ik kán namelijk helemaal geen films kijken met het verstand op nul, ik moet altijd de achterliggende gedachten – of preciezer nog: het achterliggende wereldbeeld – ontdekken. Het zal wel beroepsdeformatie zijn. En als de achterliggende levensbeschouwing niet deugt, dan kan de film voor mij per definitie ook niet deugen.

Wat is voor mij het belangrijkste criterium? Simpel gezegd: een film moet christelijk zijn. En dan bedoel ik niet: vanuit een belijdend christelijk perspectief gemaakt, met duidelijk aanwijsbare bijbelse of theologische noties (dat soort films zijn meestal de ergste gedrochten). Nee, ik bedoel ‘christelijk’ eerder zoals in de zin: “Zeg buurman, het is half zeven ’s ochtends, kun je niet op een wat christelijker tijdstip met de klopboor in de weer gaan?”. Dan betekent het woord zoiets als: normaal, gewoon, (geestelijk) gezond. Een film moet een ‘normale’, nuchtere geestelijke gesteldheid hebben, een gezonde, speelse verbeeldingskracht die toch het contact met de realiteit niet verliest.

Ik gebruik nu met opzet een wat ruimere en subtielere definitie van ‘christelijk’. Enerzijds omdat ik meen dat mijn visie hierop, hoewel die best vanuit mijn geloof te duiden is, ook voor niet- of andersgelovigen betekenis en waarde kan hebben (anders gezegd: je hoeft het niet per se met mij oneens te zijn omdat je zelf toevallig niet christelijk bent). En anderzijds omdat er in christelijke kring naar mijn smaak namelijk vaak veel te simplistisch gedacht wordt over fantasy. Je hebt er grofweg twee kampen. Het ene kamp meent dat fantasy per definitie slecht is, want ‘occult’, ‘magisch’, ‘heidens’ en daarom ‘duivels’. Het andere kamp zoekt juist naarstig naar overeenkomsten met het christelijke denken, en vindt die dan ook in overvloed; de strijd van goed tegen het kwaad, opoffering, deugden als moed en trouw… allemaal christelijke thema’s, dus niks aan het handje, toch? Ik vind beide visies getuigen van gebrek aan helder onderscheidingsvermogen.

"Help, een kerstboom: heidens occultisme!" of: "Hé, een vrouwelijke verleidster bij een boom met appel-achtige vormen. Hoe christelijk!"

Ik meen dat er dwars door het genre een scheidslijn loopt die goede fantasy van slechte fantasy onderscheidt. Voor het onverschillige oog – christelijk of niet-christelijk – is het misschien allemaal één pot nat, maar ik denk dat het belangrijk is om wel degelijk verschil te maken. De ene strijd van goed tegen kwaad is de andere niet. En het simpele feit dat de held van het verhaal aan de kant van ‘het goede’ staat – dat is bijna altijd het geval – maakt iets nog geen ‘goede’ fantasy.

Misschien laat die scheidslijn zich als volgt duiden: goede fantasy is ‘christelijke’ fantasy (in de subtiele betekenis waar ik net al op zinspeelde), slechte fantasy is ‘gnostische’ fantasy. Ik bedoel die term ‘gnostisch’ al net zo breed en subtiel als de term ‘christelijk’. De gnostiek is een historische stroming – of beter: een verzameling min of meer gelijkaardige historische stromingen – die lijkt op het christendom, maar geen christendom is. Gnostiek, in bredere zin, is iets dat lijkt op een gezonde geesteshouding, maar geen gezonde geesteshouding is. Laat ik het onderscheid in een drietal punten uitwerken en toepassen op het fantasygenre:

1. Strikte scheiding tussen goed en kwaad

Dit is hét grote twistpunt tussen het christendom en de gnostiek. Allebei maken een duidelijk onderscheid tussen goed en kwaad, dat is het punt niet. Maar de gnostiek stelt goed en kwaad voor als twee concurrerende kosmische krachten, ja als twee godheden van ongeveer gelijke kracht. Het christendom houdt vol dat er één almachtige God is. Het kwaad is in het christendom niet zozeer een zelfstandige kracht, maar eerder de afwezigheid van het goede (zoals duisternis ook de afwezigheid van licht is). De duivel is geen macht, maar een onmacht.

Dit kun je zien als een abstracte en theoretische discussie, maar de consequenties zijn heel wezenlijk. Dat zie je heel duidelijk in The Seeker, een film die een uitermate gnostisch onderscheid maakt tussen ‘the Light’ en ‘the Dark’. Voor de personages is er geen keuze: ze behoren ofwel bij de ene, ofwel bij de andere groep. Dan kun je zeggen: dat is toch typisch iets voor fantasyverhalen? De tegenstellingen tussen goed en kwaad zijn daarin toch altijd karikaturaal, je hebt toch altijd helden en booswichten? Jawel, maar in een christelijk fantasyverhaal wordt altijd duidelijk dat het echte goed en kwaad er niet in bestaat bij welk kamp je hoort, maar welke keuzes je zelf maakt. Ook de ‘goeien’ maken slechte keuzes – Harry of Frodo hebben hun evidente tekortkomingen – maar ze kunnen uit de handen van het kwaad blijven door op beslissende momenten de juiste stap te zetten (vaak ook de moeilijkste stap, die het uiterste vergt qua moed, trouw of opoffering). De ‘kwaaien’ hebben altijd de mogelijkheid om tot inkeer te komen, en soms doen ze dat ook, vaak tegen een hoge prijs – denk aan Grima Wormtongue, Severus Snape. Zelfs van ultieme slechteriken als Voldemort, Sauron of Saruman wordt duidelijk gemaakt dat ze niet altijd alleen maar slecht zijn geweest. Voldemort was een begaafde en beminnelijke tovenaarsleerling. Sauron was een maia, een soort van engel in Tolkiens fantasiewereld. Saruman was een zeer wijs en gerespecteerd man. Door een opeenstapeling van verkeerde keuzes en drijfveren konden zij tot steeds erger kwaad vervallen. Daarin verschillen ze van een personage als The Rider in The Seeker, die gewoon boosaardig was en is en blijft.

De christelijke interpretatie van het kwaad is daarom hoopvoller, omdat er altijd de mogelijkheid tot verbetering blijft bestaan, en ook realistischer, omdat het kwaad net als in het echte leven iets is dat in alle mensen schuilt, en niet enkel in de mensen die bij de verkeerde partij, groepering of voetbalclub horen.

2. Strikte scheiding tussen uitverkorenen en onwetenden

“There’s something else you should know, Harry”, zegt Ron in één van de Harry Potter-films als hij zijn beste vriend wil mededelen dat zijn bezemsteel is vernield door de ‘Whomping Willow’. Als je het even los van die context ziet, kun je die zin lezen als een soort kernintuïtie van alle openbaringsreligies: er is nog iets dat je moet weten… Om je leven ten volle te kunnen leven, moet je ‘iets’ weten dat je nog niet wist en ook niet vanzelf kunt weten. Dat ‘iets’, dat zijn dan de voornaamste inzichten van het geloof: dus bijvoorbeeld de goddelijke wet die aan Mozes geopenbaard werd, of de prediking van Jezus. Christendom en gnostiek zijn het er roerend over eens dat er ‘iets’ te weten valt. Los van de vraag wat dat iets precies is, gaat het belangrijkste twistpunt over wie het allemaal mogen weten. De gnostiek meende dat de goddelijke kennis, gnosis in het Grieks, was bestemd voor een select groepje uitverkorenen. Je had ingewijden en onwetenden. De lucky few en de grote massa pechvogels. Tot welke groep je behoort is een kwestie van lotsbestemming, daar heb je zelf niks over te zeggen. Deze denkwijze zie je ook bij veel sektes nog duidelijk terug. Maar het kerkelijk christendom heeft altijd iets anders volgehouden: wat God ons te vertellen heeft, is geen gefluisterd geheim aan de enkeling, maar een hardop verkondigd mysterie dat ons allemaal aan kan spreken. Of je het ook wil horen is verder aan jou, maar het is in principe voor iedereen toegankelijk. Je kunt een kerk inlopen, je kunt een Bijbel kopen, je kunt een kerkelijk ambtsdrager de hemd van het lijf vragen, je kunt je laten dopen als je bij de ‘uitverkorenen’ wil horen. Het christendom doet niet aan besloten bijeenkomsten en geheime codes.

Het verschil toont zich weer in een vergelijking tussen The Seeker en Harry Potter. De eerste draait om de ‘uitverkorene’ Will Stanton, een schijnbaar gewone jongen die een ‘Old One’ blijkt te zijn, lid van een select clubje onsterfelijke strijders van ‘the Light’. De tweede draait om de ‘uitverkorene’ Harry Potter, een gewone jongen die een tovenaar blijkt te zijn, in zekere zin ook een select clubje buiten de normale orde. Op het eerste gezicht dus een zeer vergelijkbaar uitgangspunt. Maar het verschil tussen de ‘Old Ones’ en de tovenaars is toch tekenend. Zo lijkt er maar een handjevol ‘Old Ones’ te zijn, en dat zijn ook meteen een soort supermensen, met allerlei spectaculaire krachten. De gewone mensen hangen er in The Seeker maar een beetje bij, die kunnen werkelijk niks, ze zijn maar willoze toeschouwers van een kosmisch spel dat zij niet kunnen bevatten of beheersen. De tovenaarswereld uit Harry Potter aan de andere kant, bestaat uit een veel grotere groep mensen, en met hun superkrachten valt het wel mee; ondanks hun ‘magische’ gaven zijn ze uiteindelijk toch heel normale mensen, met al-te-menselijke zwakheden en tekorten. De ‘dreuzels’, gewone mensen, zijn niet machteloos of inferieur; ze spelen een rol, worden ook gevreesd. Er zijn wel onmiskenbare gnostici onder de tovenaars; zij die menen dat magische krachten slechts aan een select groepje bloedzuivere tovenaars toekomt, die superieur zijn aan dreuzels. Maar die tovenaars zijn in de verhalen van Rowling nou net de slechteriken, de handlangers van Voldemort.

3. Strikt individualisme

Will Stanton behoort niet enkel tot een klein groepje uitverkorenen, hij is onder de uitverkorenen ook nog eens extra uitverkoren: hij is een ‘Seeker’, wat inhoudt dat hij is uitverkoren om door de tijd te reizen om verloren geraakte ‘Signs’ te verzamelen, een soort van magische stenen die belangrijk zijn in de strijd tegen ‘the Dark’. Hij is de enige onder de ‘Old Ones’ die dat kan, maar sterker nog: niemand van de ‘Old Ones’ kan hem er feitelijk bij helpen. Voortdurend staat hij er helemaal alleen voor. Het enige wat de andere ‘Old Ones’ doen, is hem er steeds weer van verzekeren dat hij het helemaal zelf moet doen, en dat zij hem niks kunnen uitleggen, maar dat hij alle kennis uit zichzelf moet halen. Hier spreekt een strikt individualistisch mensbeeld uit, dat in de esoterie expliciet en door veel moderne mensen impliciet beleden wordt: het idee namelijk dat uiteindelijk alle kennis en vaardigheden al in je zitten, en dat die er onder de juiste omstandigheden wel uit zullen komen.

Het christelijke mensbeeld steunt op een wezenlijk andere intuïtie: namelijk dat je niet alles alleen kúnt doen, en dat je ook niet alles alleen hóeft te doen. Geen enkel mens is een afgerond geheel van precies genoeg kennis en vaardigheden, nee, we schieten allemaal tekort en hebben onze naasten hard nodig. Zij steunen ons, vullen ons aan en corrigeren ons zo nodig – zoals we dat zelf ook bij hen doen. Frodo steunt op zijn trouwe vriend Sam, het laatste deel van zijn reis in Mordor zelfs letterlijk. Ook Harry zou verloren zijn zonder zijn vrienden Ron en Hermione, die hem op wezenlijke punten aanvullen, en hij heeft daarnaast ook nog eens een belangrijke raadgever aan professor Dumbledore. Aslan staat de kinderen in Narnia op kritieke momenten met raad en daad terzijde.

"Kunnen jullie me niet een beetje helpen, zo af en toe?" "Nope. Je staat er alleen voor, knul." "Maar jullie zijn supermensen! Jullie kunnen toch zeker wel íets?" "Jazeker, wij kunnen heel goed fakkels vasthouden."

Deze drie punten zijn wat mij betreft cruciaal in het onderscheid tussen goede en slechte fantasyfilms. Het verschil lijkt subtiel, maar is wezenlijk. Het type fantasyverhaal dat ik ‘christelijk’ noem, is op al deze punten zowel hoopvoller als realistischer. De ‘gnostische’ film is welbeschouwd tamelijk troosteloos en cynisch – zo treurig en wereldvreemd als een buurman die om half 7 ’s ochtends gaten in z’n muur gaat staan boren. Ik vind dat ook als hersenloze verstrooiing geen aangenaam tijdverdrijf. Dan wacht ik toch echt liever op Deathly Hallows part 2 en The Hobbit.

Gerelateerde artikelen:

7 gedachten over “De eeuwige strijd tussen goede en slechte fantasy

  1. Sinds ik ‘een kleine theologie’ heb gelezen, volg ik ook met genoegen de gedachtenkronkels en beschouwingen op je blog. Deze bijdrage vond ik inhoudelijk sterk. Eens te meer het bewijs dat het Woord een ‘lamp voor de voeten’ is, of in dit geval voor de bril waarmee we naar de film (kunnen) kijken.

  2. Helder! Een verademing om eens iets goeds over fantasy te lezen…iets ‘christelijks’, om je eigen defenitie te gebruiken. Tijdje niet op je blog geweest en het eerste artikel is alweer raak. Thanks!

  3. Pingback:De vlakke wereld van 3D | Anton de Wit

  4. Pingback:De ware superheld | Anton de Wit

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *