De fantasieloosheid van fantasy

Vandaag deelde ik een treincoupé met een groep tienerjongens die geanimeerd aan het discussiëren waren over het nut en het gevaar van 4-4 creatures. Dat is afhankelijk van hoeveel levens je hebt, luidde de communis opinio onder deze pubers.

Waar deze jongens het over hadden? Al sla je me dood. Geen idee wat 4-4 creatures zijn, en ik ben geen boeddhist en geloof dus ook niet in meerdere levens. Maar ik vond het een vermakelijk gesprek om aan te horen (ondanks mijn eerdere zelfvermaning dat niet te doen). Het waren duidelijk intelligente jochies, gymnasiumtypes van het alternatieve slag, met schilferig lang haar, lome gezichtsuitdrukkingen en jeugdig pokdalige smoeltjes. Ze spraken hun geheimtaal met zo’n uitgesproken vanzelfsprekendheid dat ik vermoed dat ze niet eens weten dat het geheimtaal is – het is simpelweg hún taaltje, zoals ook voetbalfans, gamers en ambtenaren dat hebben.

Ze waren met speelkaartjes in de weer, dus ik denk dat ze iets van Magic aan het spelen was, of een soortgelijk fantasy-gedrocht.

Ik ken aardig wat mensen (sommigen zelfs heel goed) die zich tot deze wereld aangetrokken voelen. Ze priegelen miniscule Warhammer-poppetjes in elkaar, en weten die prullen zelfs met micrscopische nauwkeurigheid te schilderen. Ze hebben het over Level-5-Paladijnen, Dungeon Masters en D20-dobbelstenen alsof die zaken zo alledaags zijn als pindakaas, wc-papier en fietssleuteltjes – en ongetwijfeld zíjn die dingen voor hen ook even alledaags. 

Als ik erg mijn best doe kan ik best begrijpen wat de aantrekkingskracht van dit soort hobby’s is. Toch heb ik elke uitnodiging die ik ooit gekregen heb om Dungeons & Dragons of Magic te spelen steeds met beleefd hoongelach afgeslagen. Ik blijf er namelijk moeite mee houden, niet alleen met dergelijke spelletjes, maar eigenlijk met het hele fantasy-genre waar dit een spin-off van is.

Waarom eigenlijk? Die vraag stelde ik mezelf ook toen ik vandaag die knulletjes in de trein aanhoorde. Het zijn toch alleraardigste jongens – net als al die lieve vrienden van me die wél van fantasy houden – en ze doen er toch niemand kwaad mee? Nee, maar ik vind eerlijk gezegd dat zij zichzelf ermee tekort doen. Mijn belangrijkste bezwaar tegen fantasy is namelijk dat het, anders dan de naam van het genre doet vermoeden, zo verdomd fantasieloos is. Ergerniswekkend fantasieloos zelfs, gespeend van iedere originaliteit.

“Fantasieloos?”, roepen de lieve vrienden in opperste verbazing uit wanneer ik dat zeg. “Dergelijke spellen zijn juist ontzettend fantasierijk, je creëert met je medespelers een hele wereld, geheel in je hoofd.” Dat zal best, maar het is opmerkelijk genoeg wel steeds een volstrekt onoriginele wereld, een kloon van Tolkiens Midden-aarde, bevolkt door precies die wezen die ook in The Lord of the Rings rondhuppelen – elven, orks, dwergen – aangevuld met nog wat andere fabeldieren en sprookjeswezens. 

Ik weet ook wel dat je niet kunt zeggen dat alle fantasy simpelweg een spin-off is van het universum van J.R.R. Tolkien. Dat Tolkien, anders gezegd, de oppergod van het genre is, en alle fantasyschrijvers en -kunstenaars na hem slechts mindere goden. Hoewel je niet veel fantasie nodig hebt om Tolkien de aartsvader van de moderne fantasy te noemen, zou dat toch een wat al te simpele voorstelling van zaken zijn. Ik denk dat de werkelijkheid voor fans van het genre echter nog aanstootgevender zal zijn: dat de fantasieloosheid zich uitstrekt tot deze aartsvader van het genre zélf. 

Hou me ten goede: ik ben een groot liefhebber van het werk van Tolkien, ik mag zijn boeken graag lezen, vind ze allegorisch rijk en indrukwekkend. En natuurlijk, hij heeft een hele wereld uit zijn duim gezogen, compleet met gedetailleerde geschiedenis, theologie, mythologie, en zelfs volledige talen met grammatica en al. Als je dan geen fantasie hebt! Nou, nee, dat vind ik dus niet. Fantasie is meer dan het talent om dingen te bedenken die er eerst niet waren. Dan zou ik ook heel fantasierijk zijn omdat ik nu ter plekke de zin “Havloeka ti-loema, aï vira gaa ujah” bedenk. Zou zomaar Hoog-Elfs kunnen zijn, maar dat terzijde. Het punt is dat het  niets betekent, of hooguit dat het iets betekent omdat ik zeg dat het “Goedemorgen mevrouw, mag ik een halfje meergranen alstublieft”  betekent. Je kunt het met wat goede wil creatief noemen, maar wanneer het geen contact maakt met een werkelijkheid buiten zijn eigen sfeer kun je het niet fantasierijk noemen. 

En dat is precies waar het werk van Tolkien onder lijdt. De beste man is encyclopedisch te werk gegaan, met de monomane bevlogenheid van een modeltreinbouwer of postzegelverzamelaar, en met even veel (of weinig) fantasie. Laat ik de nuance proberen te bewaren: ik vind hem zeer fantasierijk in de verhalen zelf, die hebben grote zeggingskracht en maken weldegelijk contact met een werkelijkheid buiten Midden-aarde. Zoals ik al zei vind ik ze allegorisch rijk (maar zeker niet sluitend, ook de symboliek schiet uiteindelijk tekort). Maar zijn schrijfstijl vind ik vaak dor, saai, weinig sprankelend. Juist door zijn wens om compleet te zijn, om alle details te vermelden, perst hij de verbeeldingskracht er feitelijk uit. Een schrijver of kunstenaar met fantasie, geeft ook nog ruimte aan de fantasie van zijn lezers. Is het niet typisch dat zelfs de beroemde illustraties van Tolkiens boeken (bijvoorbeeld van John Howe of de gebroeders Hildebrandt) steeds uiterst gedetailleerd zijn en dus niets aan de verbeelding overlaten? (Ook qua beeldende kunst is met hun werk trouwens een standaard neergezet die hedendaagse artiesten alleen nog maar fantasieloos kunnen klonen.)

Fantasy bevat dus een fantasieloos moment, dat al in het werk van Tolkien aanwezig was (naast, gelukkig, ook een hoop fantasierijke momenten). En wat mij stoort aan het genre zoals het zich na Tolkien ontwikkeld heeft, is dat het wel zijn fantasieloosheid heeft gekopieerd, maar niet zijn fantasie.

Ach, en die jochies in de trein – ik kan alleen maar welwillend zijn, en geloven dat het wel goed komt. Ze zijn immers intelligent, en ongetwijfeld ook creatief en fantasierijk. Dus ik vertrouw er maar op dat ze die talenten niet blijven verspillen aan dit soort nutteloos tijdverdrijf.

11 gedachten over “De fantasieloosheid van fantasy

  1. Hallo Anton,

    Leuke blog! Het is inderdaad kenmerkend hoe veel fantasy-liefhebbers opgaan in hun eigen wereldje. Maar ik ben het bepaald niet eens met je schets van Tolkien.

    Allereerst, het valt eigenlijk wel mee hoeveel Tolkien uit z’n duim heeft gezogen. Hij had een hartstocht voor de verscheidene mythologieën van Noordwest-Europa en heeft in zijn werken gepoogd die mythologieën opnieuw tot uitdrukking te brengen. Zijn verbeeldingswereld is zodoende onmiskenbaar Noordwesteuropees. Het is duizelingwekkend hoeveel elementen – diep en oppervlakkig – hij uit het mythologische erfgoed heeft kunnen stoppen in zijn verhalen. Wellicht duidt dat juist op een gebrék aan fantasie, maar zijn creatie (Tolkien zelf zou het “subcreatie” noemen) ademt zonder meer de geest van Noordwest-Europa. En er zit ook behoorlijk wat interpretatie in. Hij heeft al deze mythologische flarden tot een levend geheel weten te smeden.

    Neem de elven. Tegenwoordig is bijna iedere fantasy-schrijver daarbij schatplichtig aan Tolkien. Tolkien was een van de eerste geleerden/schrijvers die deze mythologische wezens serieus onderzocht en poogde uit te beelden. Elven waren door de eeuwen heen verworden tot boze geesten of kleine figuurtjes met vlindervleugels. Maar Tolkien proefde in de oude verhalen en in de krochten van talen dat elven ooit heel anders door mensen werden beschouwd. Zijn beeld van elven is hoogstwaarschijnlijk trouwer aan het oeroude beeld dan welke andere moderne “interpretatie” dan ook.

    Wat betreft de talen die hij bedacht: je doet Tolkien onrecht. Het is niet zo dat Tolkien zo maar wat klanken en letters uit de lucht greep en hier een betekenis aan plakte. Hij ging regelrecht in tegen de opkomende en nog immer dominante moderne blik op taal: dat het verband tussen een woord en het ding waar dit naar verwijst volledig arbitrair is. Nee, Tolkien hield vol dat klanken een inherente lading hebben. Dit poogde hij dan ook te verkennen in het scheppen van zijn talen. Daarnaast hechtte hij veel waarde aan de welluidendheid van de klanken en woorden die hij bedacht. Maar het moest wel iets betekenen: hij bedacht een paar honderd wortels die de ruggengraat vormden van zijn twee elventalen. Een monnikenwerk waarbij hij juist ontzettend vindingrijk heeft moeten zijn. Op dusdanige wijze Schoonheid en Betekenis verenigen getuigt juist van creatieve genialiteit.

    Dit doet mogelijk denken aan de aard van de modeltreinbouwer of de postzegelverzamelaar, maar ik zou het liever willen omschrijven als de aard van de ware kunstenaar. Door ijzersterke discipline en kundigheid wist hij zijn visie op indrukwekkende wijze leven in te blazen. En het lukte hem: zijn werk is ongeëvenaard. Precies omdat al zijn volgers feitelijk maar wat aanmodderen, waar Tolkien als een soort Gandalf zijn verworven wijsheid kon aanwenden.

    Verder heb ik het idee dat je jezelf een beetje tegenspreekt. Als ik je mag parafraseren, je zegt dat Tolkien verbeelding ontbeerde omdat zijn werk weinig aan de verbeelding (van de lezer) overliet. Sowieso, Tolkien liet juist heel veel aan de verbeelding over. Hij liet behoorlijk wat horizonnen liggen; de lezer mag vervolgens zelf verbeelden wat er achter al deze horizonnen ligt. Juist omdat hij zo’n wijde wereld letterde wordt je als lezer aangevuurd tot het afvragen wat er achter iedere nieuwe horizon gebeurt of is gebeurd. Juist omdat je als lezer weet dat in de verbeelding van de schrijver de wereld niet ophoudt achter iedere nieuwe horizon, krijg je de indruk dat de wereld nog veel groter is dan het reeds indrukkend grote deel dat de schrijver tot dan toe heeft beschreven.

    Ten slotte, je vindt zijn schrijfstijl dor, saai en weinig sprankelend. Ik raad je aan zijn werk hardop te lezen, met overtuiging. Dan komen zijn woorden het meest tot hun recht, en zul je ontdekken hoezeer hij eigenlijk wel niet speelde met zijn woorden, hoe hij bijvoorbeeld stafrijm verwerkte in zijn proza. Zijn Nederlandse vertalers hebben in dat opzicht liggen slapen. Als je bijvoorbeeld The Silmarillion vergelijkt met de vertaling ervan, dan merk je pas echt hoe rijk het taalgebruik van Tolkien was. De vertaling ontbeert de balans tussen archaïsme en bondigheid volledig en laat ook weinig over van de krachtige zinswendingen en contrasten van het origineel.

  2. Het probleem van moderne fantasie als Warhammer en Magic is niet dat het fantasie is, maar dat het modern is. Een van de kwalijke eigenschappen van de moderniteit is immers dat het kant-en-klaar is (en zodoende dus onvrij). Om het anders te zeggen: het is de wereld van fast food en niet die van zelfgemaakte appeltaart. Dit kant-en-klare zie je zelfs terug bij die ongeverfde Warhammer-figuurtjes; de verf en kwast krijg je er namelijk gewoon bij.

    Bij Tolkien is dit juist nadrukkelijk niet het geval. Dat de tekeningen van John Howe uiterst gedetailleerd zijn, is Tolkien niet aan te rekenen. Juist Tolkien is een voorbeeld van een schrijver die modern noch fantastisch was. De opsomming van dwergennamen in The Hobbit heeft hij bijvoorbeeld niet zelf bedacht, maar komy gewoon uit de Völuspá. Tolkien wilde niet ongewoon origineel zijn, zoals James Joyce, maar gewoon traditioneel.

    Een besliste aanrader is trouwens het volgende schrijfstuk van de meester zelf: http://bjorn.kiev.ua/librae/Tolkien/Tolkien_On_Fairy_Stories.htm

  3. @ Olivier: Bedankt voor je zeer uitgebreide reactie, die ik met plezier heb gelezen. Ik besef dat ik Tolkien tekort doe op sommige punten… Ik zat eigenlijk te wachten op een intelligente tegenreactie als de jouwe, want zoals je misschien gemerkt hebt is mijn mening allesbehalve een definitief en afgerond oordeel, maar een voorzichtig geformuleerde worsteling die ik met zijn werk heb. Een bepaalde ambivalentie… juist een werk als The Silmarillion slingert me steeds heen en weer tussen bewondering en ergernis. Ik ben het eens met wat je zegt over zijn taalkundig vermogen… Ik wilde ook zeker niet suggereren dat Tolkien ook zomaar wat klanken bij elkaar gooide, ik weet dat hij een taalwetenschapper was die er echt over nagedacht heeft. Met die klanken wilde ik alleen het punt illustreren dat een zelfgeschapen woord (of iets anders wat je maar kunt verzinnen) pas betekenis heeft zodra het contact maakt met iets universeels, iets wat anderen ook begrijpen kunnen. Dat was dus meer een algemene opmerking over verbeelding dan over Tolkiens procedé van het scheppen van de talen van Midden-aarde (wat ik weldegelijk knap vind).
    Ik hou nog wel wat moeite met je definitie van kunstenaarschap. Maar dat moet ik nog even laten bezinken, wellicht kom ik er later op terug.

    @ Daniël: ook jij bedankt voor je interessante reactie. Een aardige vergelijking, van de appeltaart en de traditie. Dat punt van originaliteit is belangrijk, want inderdaad is dat meer iets van het moderne kunstenaarschap waar Tolkien geheel lak aan leek te hebben. ‘On Fairy Stories’ ken ik zeker, een prachtig essay, met die schitterende notie van de ‘eucatastrofe’. Wat trouwens interessant is om ernaast te lezen, is het hoofdstuk over sprookjes (‘The Ethics of Elfland’) uit ‘Orthodoxy’ (1908 ) van mijn grote held G.K. Chesterton. Ongetwijfeld heeft Tolkien dat gelezen, en precies in het essay dat jij noemt merk ik de invloed van Chesterton.

  4. Mijn dank voor je antwoord, Anton. Het is trouwens grappig dat je Chesterton noemt als je grote held; ook ondergetekende zit namelijk al een tijd op een -geestelijk uitermate gezond- Chesterton-dieet. Hij slaat in The Ethics of Elfland inderdaad de spijker op z’n kop: “My first and last philosophy, that which I believe in with unbroken certainty, I learnt in the nursery. I generally learnt it from a nurse; that is, from the solemn and star-appointed priestess at once of democracy and tradition. The things I believed most then, the things I believe most now, are the things called fairy tales.” In zekere zin is On Fairy Stories dan ook een voortzetting van Chestertons verdediging van Faërie.

  5. Absoluut! En inderdaad, een Chesterton-dieet is uitermate gezond, het sonjabakkeren van de geest zullen we maar zeggen. Zoals je misschien al gezien hebt op m’n weblog ben ik stukje bij beetje een vertaling aan het maken van ‘The Everlasting Man’, dat ik misschien wel het sterkste boek van Chesterton vind. Mocht je bij die vertalingen technische of inhoudelijke opmerkingen hebben, schroom niet ze te posten.

  6. Het is erg goed nieuws dat je bezig bent met een vertaling van The Everlasting Man. Er is ooit een vertaling verschenen in 1948 onder de titel De Eeuwige Mens, maar die is nergens meer te vinden (op een regenachtige herfstdag in een stoffig boekwinkeltje te Assen na, althans). Heb jij trouwens ook een kopie?

    Enfin, het gevolg is dat menig Nederlander en Belg dus aangewezen is op een Engelse versie, maar voor veel mensen is dat toch een te hoge drempel, heb ik gemerkt. Dat terwijl Orthodoxy met intervallen nog steeds vertaald en uitgebracht wordt. Maar goed, ik zal de stukken die je vertaald hebt komende dagen eens aandachtig doorlezen!

  7. Bedankt, Daniël! Ik houd dat in het achterhoofd – ik probeer nog even antiquarisch aan een eigen exemplaar te komen, maar mocht dat niet lukken kom ik zeker op je aanbod terug.
    Sowieso: als je bij lezing van mijn fragmenten stuit op interessante verschillen met de versie van ’48, laat het gerust weten.

  8. Pingback:De vreugde van sprookjes « Geloof jij het?

  9. Pingback:De eeuwige strijd tussen goede en slechte fantasy | Anton de Wit

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *