De laatste epische film

Geheel in de geest van Peter Jackson bracht ik onlangs een extended edition uit van een essay dat ik al eerder schreef naar aanleiding van de verfilmingen van The Hobbit. Ik vergeleek daarin het prachtige oorspronkelijke verhaal van J.R.R. Tolkien met de programmatische verhandeling over de vreugde van het evangelie door paus Franciscus. In het verlengde daarvan schreef ik over de onmiskenbare echo’s van het distributisme en het katholiek sociaal denken. In mijn extra lange versie heb ik dat nog eens verrijkt met een geestige gedachte van G.K. Chesterton over het verschil tussen kruideniers en herbergiers.

Bij het verschijnen van deze director’s cut van mijn essay had ik de derde en laatste Hobbit-film, The Battle of the Five Armies, echter nog niet gezien. Op Twitter merkte iemand direct op, dat die mooie thema’s die ik had aangekaart er in de film uitgesneden waren, om er een duidelijkere prequel van The Lord of the Rings van te maken.

Ik had zoiets al gevreesd: in de eerste twee Hobbit-films waren de dieper liggende thema’s ook al bedolven onder visueel spektakel, ongegeneerde CGI-masturbatie (is er überhaupt nog één grassprietje van Nieuw-Zeeland te zien, of zien we louter green screens en computeranimaties?), grotesk-kluchtige vechtscènes (de aardmannengrot in deel 1, de tonnenwildwaterbaan in deel 2), halfslachtige romantiek, en flauwe, gezwollen oneliners.

Deel 1 werd gered door een plechtige, haast sacrale dwergenhymne, deel 2 door een fantastische dialoog tussen de hobbit Bilbo en de draak Smaug. Maar onverdeeld positief ben ik zeker niet over deze verfilmingen – en wie Jacksons eerste Tolkien-trilogie nog eens terugkijkt valt ogenblikkelijk een immens kwaliteitsverschil op. Als The Lord of the Rings een driegangendiner in een sterrenrestaurant is, is The Hobbit een Happy Meal.

The Hobbit: The Battle of the Five ArmiesJe begrijpt: ik ging met niet al te veel vertrouwen in een goede afloop naar het slotdeel van de Hobbit-trilogie. (Maar toch met een kinderlijk soort anticipatie, zo geef ik toe – maar ja, fastfood is soms nu eenmaal ook best smakelijk. Daarbij: ik ging met mijn zoon, die zich kinderlijk verheugde, dat hielp ook mee.)

Het kan dan natuurlijk alleen maar meevallen, en ja, dat deed het. Allereerst wat betreft die diepere thema’s waar ik in mijn extended essay op had gewezen: misschien vallen ze wat minder op tussen alle bombast, maar ze zitten er zeker nog in. De cruciale laatste woorden van Thorin Eikenschild die ik citeerde: ze zijn letterlijk bewaard gebleven. We zien Bilbo inderdaad naar de Gouw terugkeren met niet meer schatten dan hij dragen kan. Wie goed kijkt, ziet inderdaad de spanning tussen de berekenende kruideniers en de vrijgevige herbergiers – niet in de laatste plaats trouwens bij de Gouw-bewoners.

Toen ik, thuisgekomen uit de bioscoop, het boek er nog eens op na sloeg, viel mij sowieso op hoe ‘boekgetrouw’ de verfilming is. Nu ben ik zelf zeker geen purist wat dat betreft, maar ik was eerder geneigd mee te gaan met al die mensen die zeiden dat Peter Jackson c.s. een loopje namen met de erfenis van Tolkien. Toch is, op enkele bijbedachte personages na, bijna alles in de film bij nader inzien ‘canoniek’. Veel dialogen zijn woordelijk overgenomen, en zelfs veel subplots zijn weldegelijk verankerd in Tolkiens werk. De vestiging in – en verdrijving uit – Dol Goldur van Sauron bijvoorbeeld: in de film wordt het breed uitgemeten, zeker ook om de continuïteit met The Lord of the Rings te benadrukken, maar het komt weldegelijk rechtstreeks uit het boek – al wordt er daar slechts één alinea aan besteed, waar je makkelijk overeen zou lezen. Zo ook krijgt de boogschutter Bard een uitgebreide biografie in de film, waar zijn achtergrond in het boek met enkele terloopse zinnen wordt geschetst – maar de filmversie van zijn levensverhaal is weldegelijk gebaseerd op die terloopse zinnen.

Wat hieruit spreekt: de filmmakers hebben van iets kleins iets groots gemaakt. Ik bedoel dat constaterend, niet als een positief of negatief waardeoordeel: Tolkiens boek is naar aard en omvang een ‘klein’ boek; een sprookje, met een eenvoudige verhaallijn en heldere moraal, en de film heeft dat opgeblazen tot iets groters, meer complex. ‘Episch’ is het bijvoeglijk naamwoord dat daarvoor in zwang is, en de charme van die epiek snap ik al te goed. Het imponeert, overweldigt, overstijgt onze particuliere leventjes… Dat geldt niet enkel voor de Tolkien-verfilmingen als vertelling, maar meer nog voor de Tolkien-verfilmingen als onderneming. Dat moet ook een epische reis zijn geweest voor alle betrokkenen, en ik neem daar mijn pet voor af.

Peter Jackson zegt, dat The Battle of the Five Armies echt, maar dan ook echt zijn allerlaatste Tolkien-verfilming is geweest. Ik begrijp dat goed, en ik hoop ook dat het waar is. Niet omdat hij geen goed werk heeft afgeleverd, of omdat ik denk dat de Tolkien-canon uitgeput is, maar omdat ik denk dat het niet meer kan. Niet meer op deze manier, niet meer ‘episch’. Met de conclusie van de Hobbit-sage is de laatste epische film gemaakt – al zal het ongetwijfeld nog heel wat jammerlijk inspiratieloze blockbusters duren voor de filmwereld daar zelf achter zal komen. Het genre heeft zijn grenzen bereikt. De superlatieven zijn uitgeput; nóg grootser, nóg indrukwekkender, nóg spectaculairder heeft simpelweg geen betekenis meer. De epische film is vanaf nu louter nog kitsch, of ironie, zelfpersiflage.

Wat uit de puinhopen van het met testosteron doordrenkte strijdgewoel moet opstaan, is het eenvoudige maar sterke verhaal, het kleine gebaar, het ongecompliceerde sprookje – als de hobbit, die op zijn pony huiswaarts keert, beladen met niet meer goud dan hij dragen kan.

> Lees ook mijn essay ‘Paus Bilbo de eerste’ op Myjour

1 gedachte over “De laatste epische film

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *