De mythe van het monster


Ik weet dat je grappen niet moet uitleggen, maar ik doe het toch maar even. Deze aflevering van de immer briljante strip Calvin & Hobbes is onder meer zo grappig, omdat de gevreesde monsters onder het bed zo droogjes reageren. Het monster weerspiegelt onze diepste angsten en verbeeldt een onredelijke en onmenselijke woede, maar de monsters van Calvin reageren alleszins redelijk en menselijk. Dit stripje leert daarmee een belangrijke les: het monster is bovenal een product van de menselijke rede.

Scène uit Primeval: Een monster uit het verleden vecht met een monster uit de toekomst. Een monster uit het heden verschuilt zich wijselijk.

Mijn vrouw en ik hebben onlangs de complete Britse tv-serie Primeval via internet bekeken, waarin allerlei monsters een hoofdrol spelen. Het idee achter deze sciencefictionserie, kort gezegd: door allerlei mysterieuze gaten in de tijd komen er monsters uit andere tijdvakken onze wereld binnen – dinosauriërs, gorgonopsen, sabeltandtijgers, de hele rataplan; maar ook allerlei ingenieus geëvolueerde superroofdieren uit de toekomst. Gelukkig voor rest van de mensheid duiken die engerds vooral op in Engeland, alwaar een team van wetenschappers en speciale eenheden hen terug naar hun eigen tijd moet jagen. Kortom: pure onzin, maar vermakelijke onzin – ik mag er graag naar kijken. Jurassic Park ontmoet Predator, met een snufje Fringe, zeg maar.

De monstermythologie heeft sinds vroegere tijden een merkwaardige ontwikkeling doorgemaakt. Wanneer wij afbeeldingen zien of beschrijvingen lezen van monsters die mensen uit bijvoorbeeld de klassieke oudheid of de middeleeuwen vreesden, dan valt ons direct iets grotesks op; het zijn vaak fabeldieren als draken bizarre mengvormen van bestaande dieren, een hagedis met leeuwenkop en adelaarspoten – dat soort dingen. We zijn geneigd dat als naïef of primitief af te doen. Die mensen, zo redeneren wij, hadden maar beperkte kennis van de natuur, en daardoor konden allerlei vormen van irrationeel bijgeloof ontspruiten.

Maar als je eerlijk naar de geschiedenis van het monster gaat kijken, moet je concluderen dat mensen door de eeuwen heen alleen maar bijgeloviger zijn geworden. De monsterliteratuur maakte pas echt een vlucht met de opkomst van de moderne wetenschap. Enerzijds omdat die wetenschap de verbeelding van mensen voedde en angsten aanwakkerde voor de schaduwzijden van onze technologische vooruitgang; met Mary Shelley’s Frankenstein als klassiek voorbeeld. Maar anderzijds omdat die wetenschap zelf ook monsters ontdekte – de 19e-eeuwse paleontologie vond fossielen van enorme beesten met vervaarlijke klauwen en kaken, en het in die tijd opkomende darwinisme maakte het plaatje van een woeste prehistorische strijd om te overleven compleet.

In de door wetenschappers bedachte term ‘dinosaurus’ zit ‘deinos‘ verscholen, Grieks voor ‘verschrikkelijk’… Het waren wetenschappers die de ontdekte uitgestorven diersoorten namen gaven met een monsterlijke bijklank; deinonychus, verschrikkelijke klauw, tyrannosaurus rex, koning der tirannenhagedissen… Het was geen zuiver rationele classificeerdrift die de dinosauriërs miljoenen jaren na hun dood een naam gaf, maar irrationele speculaties, angstvisioenen, even kinderlijke als poëtische monsterhuiver.

Negentiende-eeuwse voorstelling van dinosauriërs die elkaar op leven en dood bevechten.

Dat blijkt ook duidelijk wanneer je negentiende-eeuwse voorstellingen ziet van het leven in het mesozoïcum; bijna zonder uitzondering zie je donkere, desolate landschappen afgebeeld, waar woeste reuzenhagedissen elkaar voortdurend bevechten. Zelfs dinosaurussen waarvan later ontdekt werd dat ze sullige planteneters waren, zoals iguanodon, werden als nietsontziende killers afgebeeld.

Nu kun je zeggen: de wetenschap stond toen nog maar in de kinderschoenen, vandaar dergelijke naïeve, onrealistische voorstellingen. Maar is er nu werkelijk zo veel veranderd in onze voorstelling van prehistorische monsters? Natuurlijk, serieuze wetenschappers hebben inmiddels heus wat meer realistische voorstellingen van hoe uitgestorven diersoorten als dinosaurussen zich gedroegen. Maar als de populair-wetenschappelijke fictie een graadmeter is voor hoe het grote publiek hiernaar kijkt, dan zijn we maar amper wijzer geworden sinds de negentiende eeuw. Wat opvalt in onder meer een serie als Primeval of een film als Jurassic Park, is dat de roofdieren permanent uiterst agressief zijn; ze zijn voortdurend aan het jagen, vreten alles wat ze pakken kunnen, gaan steeds met volle kracht het gevecht aan met andere roofdieren. En dat wordt dan allemaal overgoten met een darwinistisch sausje, termen als ‘evolutie’, ‘instinct’ en ‘territoriumdrift’ vallen om de haverklap. Als de paleontoloog Allen Grant in Jurassic Park ziet hoe men de tyrannosaurus poogt te voeren door een geit in zijn kooi te doen, zegt hij iets in de trant van (ik citeer even uit het hoofd): “De T-Rex wil niet gevoerd worden, hij wil jagen. Je kunt miljoenen jaren overlevingsinstinct niet onderdrukken.”

Een onzinnige opmerking. Leeuwen en tijgers heb toch ook de nodige millennia evolutie achter de rug, maar zodra ze in een dierentuin worden gestopt laten ze zich met zichtbaar genoegen voeren door de bewakers en veranderen ze in no-time in aartsluie lobbesen. Met geweld door de hekken heen breken, bezoekers oppeuzelen, achter jeeps aanrennen? Kom nou. Ze kijken wel uit, ze hebben het veel te goed. Voor filmmakers is het dood in de pot, maar ik denk dat de kans reëel is dat een echte tyrannosaurus niet eens zijn wenkbrauw zou optillen – laat staan zijn kaken of klauwen – zodra er een gesjeesde wiskundige voor zijn neus liep. En als echte velociraptors nog maar enigszins op momenteel levende dieren zouden lijken, zouden ze waarschijnlijk schuchter de bosjes in vluchten zodra ze een mens zagen, in plaats van er tegen elke prijs op te jagen.

Maar goed, wij als goedgelovig filmpubliek, wij laten ons met plezier van alles wijsmaken door de diep bijgelovige regisseurs van vandaag. Hun bijgeloof heet darwinisme, van het populaire slag dat overal een woeste strijd om te overleven in wil zien. Pure, niet aflatende agressie is dan de hoogste deugd. In de echte wereld zou dat helemaal geen evolutionair voordeel opleveren, in de echte wereld is dat soort agressie een teken van dolheid en een voorbode van een zekere dood. Maar het populair-darwinistische bijgeloof bekommert zich niet om de echte wereld. Huiveren willen we, over de monsters van onze eigen ratio. En het meest geslaagde product van dit bijgeloof is zonder twijfel de raptor, op de kaart gezet door de eerste Jurassic Park-film, met als ijzingwekkend hoogtepunt de beroemde keukenscène:

[iframe width=”530″ height=”299″ src=”http://www.youtube.com/embed/dnRxQ3dcaQk” frameborder=”0″ allowfullscreen]

De beesten die we hier zien hebben alles om je de koude rillingen te bezorgen; ze zijn intelligent, ze communiceren met elkaar, ze zijn vindingrijk en ze zijn dodelijk. Als je er goed over nadenkt bezit het ideale monster kortom alle kenmerken van de mens zelf. Het monster is ons spiegelbeeld, onze eigen weerkaatsing op de blinkende keukenkast. Doordat wij onze monsterfictie steeds vaker met een saus van wetenschappelijkheid overgieten, verliezen we dat uit het oog. Ik vermoed dat je de middeleeuwer niet hoefde uit te leggen dat draken en centauren aan de fantasie ontsproten waren; hij was ruimdenkend genoeg om de realiteit in te zien van wat aan de fantasie ontspruit. In onze meer bekrompen tijden hebben we meer moeite met fantasie van realiteit te scheiden. We snakken zo naar echtheid dat we bereid zijn te geloven in iedere illusie die ons voorgeschoteld wordt. Natuurlijk is het ‘maar’ een film, maar ja, die raptors hebben toch ooit écht op aarde rondgelopen. Het aura van geloofwaardigheid in films en series als Jurassic Park en Primeval wordt gegeven door excentrieke maar heldhaftige wetenschappers die steevast de hoofdrol spelen. De raptor is een treffend voorbeeld van hoe wij ons in de luren laten leggen: het is namelijk een fabeldier, net zo fictief en samengesteld als de draak of de centaur. Dat wat sinds Jurassic Park een ‘velociraptor’ heet, lijkt maar amper op de velociraptor zoals die door wetenschappers in fossiele resten is gevonden. De regisseur had een stoerder dier nodig, en construeerde die op basis van andere bekende dino’s en een royale dosis nattevingerwerk.

Dat geeft niets, want het levert amusante sciencefiction op – met de nadruk op fiction, niet op science. Ook de wetenschap heeft geen monsters ontdekt onder ons bed. Maar des te meer in ons hoofd.

Gerelateerde artikelen:

5 gedachten over “De mythe van het monster

  1. Heb een Facebook-plugin op m'n website geïntegreerd zodat je voortaan ook via Facebook comments kunt geven op blogs. Ik weet nog niet wat ik er van moet vinden; vooralsnog laat ik de 'klassieke' reageerfunctie ook nog open.

  2. Ik maak graag nog even gebruik van de klassieke reageerfunctie, voordat het te laat is. (In your face, Facebook!) Ik wil beginnen met te zeggen dat ik schrok van dat plaatje van Primeval, Anton. Niet vanwege die T-Rex, maar omdat ik dacht dat je je haren had afgeknipt.

    Naar mijn mening zijn monsters tot een zekere hoogte een voortbrengsel van de menselijke geest, en vaak ook nog eens ons eigen spiegelbeeld. Heel treffend is bijvoorbeeld deze beroemde dialoog uit Dawn of the Dead (1978): http://www.youtube.com/watch?v=7zK_44APmbY (zie de laatste vijftien seconden).

    Ik denk echter dat verschillende soorten monsters wel degelijk bestaan of hebben bestaan. Wat de middeleeuwer en zijn draken betreft, bijvoorbeeld, moest ik gelijk denken aan een scene uit de filmische documentaire 1066: The Battle for Middle Earth (2009). Daarin schrikken een stel mannen van wat zij menen elfen te zijn — niet de lieve of nobele elfen van nu, maar de kwade wezens van vroeger. Elfen, maar ik denk ook draken, waren voor middeleeuwers net zo’n werkelijk gevaar als wolven. Al kwamen elfen vaker voor dan draken, en wolven vaker dan elfen.

    1. Haha, wat een monsterlijke gedachte, mijn wilde manen te verliezen… Bedankt voor deze aanvullende gedachten, en bijbehorende kijktips (‘1066’ kende ik nog niet, maar wil ik zeker zien!). Ik ben het met je eens dat monsters wel degelijk een realiteit hadden en hebben. Dat ze tot op zekere hoogte producten van de menselijke geest zijn wil immers niet zeggen dat ze niet echt zijn; een zonsondergang is op een bepaalde wijze ook een product van de menselijke geest maar daarom is de zon niet minder echt. Het hangt samen met je perspectief op de werkelijkheid. En het perspectief van de middeleeuwse soldaat die in andere soldaten elfen meent te herkennen lijkt me niet per se primitief of onrealistisch.

  3. J.J.Suurmond heeft een prachtige lezing gehouden over angsten(doodsangsten)en de strijd daartegen door de eeuwen heen.Staat ook ergens op internet.Monsters leiden ons lekker af van het echte monster;Magere Hein.
    Hij komt uiteraard met de oplossing,als je Suurmond kent ,heb je wel een idee,welke dat is!mooi verhaal over zondebokken!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *