De nieuwe kleren van Keizer Academia

Een kostelijke grap: de Vlaamse filosoof Maarten Boudry stuurde een onzintekst in voor een congres van de Vrije Universiteit Amsterdam, en het werd nog geplaatst in het programmaboek ook. Daarmee zet hij de VU natuurlijk goed te kakken, maar Boudry wilde geloof ik breder de hele theologie als gecultiveerde wartaal ontmaskeren. Een uitermate nobel streven, natuurlijk. Wel zij aangetekend dat een filosoof die de theologie van vaagheid beticht sterk doet denken aan die spreekwoordelijke pot die de spreekwoordelijke ketel zijn spreekwoordelijke zwart-zien verwijt. Vraag een fenomenoloog of een poststructuralist voor de grap eens waar zijn vakgebied precies over gaat, en na een uur zul je snakken naar een fles wodka om een strip ibuprofen mee weg te spoelen. Dat ook Boudry niet geheel van het onheldere denken gespeend is, blijkt al wel uit het feit dat hij verkondigt dat het een theologisch congres betrof, terwijl het in feite een filosofisch congres was – aan de VU doen ze aan reformatorische wijsbegeerte, maar dat is nog altijd wijsbegeerte, en dus heel iets anders dan godgeleerdheid.

De kostelijke grap van Boudry gaat dus in feite ten koste van alle geesteswetenschappen, waaronder zijn eigen discipline, maar dat maakt de clou niet minder waar. Ondoorgrondelijke wolligheid ís een probleem waar de academische theologie en filosofie (en antropologie, en sociologie, en psychologie, en…) mee te kampen heeft. Ik heb me als journalist en als redacteur vaak genoeg de tanden stukgebeten op de meest zouteloze en gortdroge stukjes professorenproza. Dus ik lach me suf als ik in die schertstekst van Boudry frasen lees als:

“This process of de-contextualization and reification of meaning has ultimately led to the establishment of ‘dis-order’ rather than ‘this-order’”

Dat als vanzelfsprekend gebruikte jargon, die vreselijke woordspelingen met streepjes tussen de woorden… De spijker op de kop; zo schrijven die lui echt! Vaktijdschriften vol van dergelijk gewauwel, het houdt niet op. Filosofen overigens nog meer dan theologen.

Toch ben ik nog altijd geneigd de filosofie en de theologie uiterst serieus te nemen. Hun staat van dienst is immers ontegenzeggelijk eerbiedwaardig, en laat zich niet door een zo’n studentikoze grap uitvlakken. De wijsgeren van de klassieke oudheid, de grote geesten van de middeleeuwse scholastiek, de rationalisten van de moderne tijd; je kunt van alles op hen aanmerken, maar je kunt niet serieus volhouden dat ze allemaal maar uit hun nek hebben gekletst. Tegenwoordig zijn het vooral sommige exacte wetenschappers die dat menen te kunnen beweren, maar dat is slechts koketterie van een jonge, zichzelf overschattende wetenschap die niet weet op welke reuzenschouders zij precies staat; dat zijn toch primair de schouders van theologen en filosofen, zonder wie de hele moderne wetenschappelijke methode nooit bestaan had. Zelfs de vraag die theologen en filosofen elkaar nog wel eens plagerig stellen, wie nou precies wiens sleep draagt, is niet meer dan nuffigheid in de kantlijn.

Maar nu we het toch over sleepdragers hebben; we komen dan wel bij de kern van het eigenlijke probleem. De theologie en de filosofie dragen niet elkanders sleep, ze werken beide aan het hof van een andere vorst. Dat hof heet de universiteit, en Keizer Academia heerst daar. Keizer Academia nu, is een ijdel vorst, praalzuchtig, zelfvoldaan. Zeker, ooit was zijn hof het middelpunt van bedrijvigheid, geleerdheid en creativiteit. Maar het aanzien dat dat met zich meebracht, is Keizer Academia naar de bol gestegen.

Op een goed moment, nog niet eens zo heel lang geleden, kwamen er enkele oplichters aan het hof. Ze toonden blinkende Engelse termen als edelstenen: bachelor, master, minor.  Die edelstenen beloofden ze te verwerken in een imposante mantel, met fijne zijden draden van dure afkortingen: NVAO, ARWU, EQUIS. De keizer zat op het puntje van zijn troon; verlekkerd keek hij naar al het moois dat voor hem uitgestald werd. Ja, zo’n mantel wilde hij natuurlijk wel! Hij wilde daar graag voor betalen, hij beloofde zelfs nieuwe manieren te bedenken om aan geld te komen; speciale fondsen zou hij aanboren, bedrijven zou hij smeken te investeren, alles voor die prachtige moderne mantel, waarmee hij zich weer over de hele wereld kon tonen als de wijze keizer die hij was.

Wie zich als een goed wetenschapper in de oorspronkelijke bron (Andersen, H.C.: 1837) verdiept, weet dat de oplichters er bij zeiden dat de mantel die zij zouden maken op wonderbaarlijke wijze onzichtbaar zou zijn “voor iedereen die niet voor zijn ambt deugde of die onvergeeflijk dom was”. Welnu, dat wilde niemand zich natuurlijk laten zeggen! Dus toen de keizer allereerst een “oude, eerlijke minister” (dat is natuurlijk de theologie) en vervolgens een “brave raadsheer” (de filosofie) vooruit stuurde om te kijken hoe ver de wevers al waren, zagen zij zich genoodzaakt om te doen alsof zij iets zagen. Het was hun eer te na om dom te lijken, en bovenal vreesden zij hun baan te verliezen wanneer uitkwam dat zij “niet deugden voor hun ambt”. Toen de mantel klaar was en door de keizer aangetrokken werd, tastten deze twee raadsheren op de vloer, en deden – ongetwijfeld met knarsende tanden – alsof zij de sleep optilden.

Dát is de fuik van conformisme waar de theologie en de filosofie in terecht gekomen zijn. Zij zijn “eerlijk” en “braaf”, zegt ook het verhaal, maar ze laten zich meeslepen in de academische mores, omdat Keizer Academia nu eenmaal hun salaris betaalt. Dat klinkt plat, maar zo werkt het echt; ik heb zo vaak hoogleraren in eerbiedwaardige disciplines gesproken, die vreselijk fulmineerden tegen het academische klimaat, tegen de rücksichtslose prestatie- en publicatiedruk, tegen de belachelijke kwantitatieve eisen die worden gesteld aan moeilijk kwantificeerbaar onderzoek en onderwijs, tegen de grillen van dwaze politici, tegen de bureaucratie en de tirannie van door efficiency bezeten managers. Maar uiteindelijk legden zij zich er allemaal bij neer, en draaiden zij met tegenzin mee in die mallemolen, want ja, wat moesten ze anders? Het was toch overal hetzelfde? En ze moesten toch íets?

Ik denk dat in dat armzalige wetenschappelijk klimaat het ondoorgrondelijke jargon kon ontstaan en gedijen dat Boudry zo eenvoudig op de korrel kon nemen. De geesteswetenschappen hebben zich ingegraven in hun vierkante meter van de universiteitscampus, daar zijn zij driftig aan het werk gegaan om ook hun eigen motiefje mee te weven in de onzichtbare mantel van de keizer. Terwijl zij eigenlijk als dat kleine kind zouden moeten zijn, dat aan het einde van het verhaal iedereen de ogen opent door te zeggen: “Maar de keizer heeft niets aan!” Zij zijn immers de erfgenamen van een veel ruimer soort rationaliteit, dat de voorvragen durft te stellen, dat de uitgangspunten bevraagt en rammelt aan de poorten van te snel getrokken conclusies. Die erfenis zouden ze ook vandaag de dag moeten verdedigen.

Of Maarten Boudry veel op heeft met die erfenis weet ik niet – ik ben geneigd het te betwijfelen, op basis van wat ik lees over deze schelmenstreek (bijvoorbeeld op het weblog van Taede Smedes, die er niet om kon lachen). Volgens mij heeft Boudry van de theologie de bedrieger willen maken uit het sprookje van de nieuwe kleren van de keizer. Daarbij verliest hij uit het oog dat er volgens Andersen twee bedriegers waren, en dat zijn eigen vakgebied dan op z’n minst de partner-in-crime is. Maar ik denk dus eigenlijk dat de rol van de twee raadsheren deze nobele takken van wetenschap beter op het lijf geschreven is. En dat is niet minder pijnlijk.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *