De (on-)gelukkige ouder

Rond de klok van vieren vannacht werd ik door een dwingende dreumes luidkeels gesommeerd op te staan. Je kunt zo’n dwangbevel wel negeren, zo weet ik uit ervaring, maar de dreumes in kwestie wordt daar alleen maar dwingender van. Ik stiefelde dus met tegenzin naar beneden, maakte een fles melk klaar en duwde die onceremonieel in de snater van de dreumes. Vijf minuten later sliep de dreumes weer, ik had daar vervolgens nog een uur voor nodig. Om zeven uur ging de wekker. Ik perste er een zo vrolijk mogelijk “Goedemorgen!” uit in de kamer van onze oudere, schoolgaande kinderen. Een in dekens ingegraven 8-jarige beantwoordde dat bars met “Ga weg!”. Humeurig stiefelde ik wederom naar beneden. “Mythe doorgeprikt – Ouders minder happy”, zo kopte de krant triomfantelijk op de voorpagina. Echt weer iets voor wetenschappers om daar een wereldwijd onderzoek voor nodig te hebben, dacht ik. Liefst met zo veel mogelijk statistieken. Al die cijfertjes rammelen zo lekker bij het intrappen van open deuren.

Kinderen: een eindeloze bron van vreugde en geluk. De hier getoonde kinderen komen niet in dit verhaal voor. (Foto: sharyn morrow/flickr.com [cc])
Kinderen: een eindeloze bron van vreugde en geluk. De hier getoonde kinderen komen niet in dit verhaal voor. (Foto: sharyn morrow/flickr.com [cc-by-nc-nd])
Laten we wel wezen: ouderschap is niet alleen maar leuk. Soms doen of zeggen die kleine monstertjes heus wel iets aandoenlijks of grappigs. Dat schrijf je dan op, of je maakt daar een foto van, je zet het op Facebook – tientallen likes en oohh’s en aahh’s verzekerd.

De hel bezaaid met legostenen

Maar het grootste deel van de dag is het vooral bikkelen. Boterhammen smeren, sokken over driftig spartelende voeten proberen te schuiven, in de houdgreep tanden poetsen, zorgen dat ze op tijd op school komen, jezelf stierlijk vervelen langs de kant van een deprimerend chloorbad.

Grootse pedagogische idealen – gezond eten! buiten spelen in plaats van tv of games! consequent zijn als ouder! – verliezen het schrikbarend snel van de alledaagse pragmatiek.

En dan is er nog de kwelling van debiliserende kindertelevisie, rondslingerend speel- en wasgoed, broodkorsten en plakkerig snoepgoed in de naden van de bank. Mijn vrouw zei laatst, dat zij zich de hel voorstelde als een eindeloze kinderkamer bezaaid met legosteentjes waar je eeuwig doorheen moet lopen, geblinddoekt en op blote voeten. Zo huiveringwekkend is de hel sinds Dante niet meer beschreven, als je het mij vraagt.

Geluk of een behaaglijk gevoel?

Maar goed, hoewel ik – zeker nu, na een gebroken nacht – zeer geneigd ben de onderzoekers gelijk te geven, of in elk geval te feliciteren met hun cijfermatige onderbouwing van the blatantly obvious, zit het krantenbericht over dit onderzoek me toch niet helemaal lekker. Wat me bovenal stoort is de onvoorzichtigheid waarmee de wetenschappers (althans, voor zover uit het bericht blijkt) met het woord ‘geluk’ omspringen. Eén van de onderzoeksvragen, zo meldt de krant, luidde: “Hoe voelde je je gisteren?” Ja, zeg! Dan reduceer je geluk tot een soort fijn gevoel, een goed humeur, een tijdelijke behaaglijkheid.

Ik deed wat ik in zo’n geval meestal doe: ik heb het onderzoek zelf even opgezocht. Het is hier integraal online te lezen als PDF. Dan blijkt, wat helaas ook wel vaker blijkt, dat er – vriendelijk gezegd – enige discrepantie is tussen het eigenlijke onderzoek en de journalistieke vertaling ervan.

Allereerst suggereert de Volkskrant dat dit grootschalige onderzoek de ‘mythe’ doorprikt dat ouderschap gelukkig maakt. Welnu: lees er de conclusies op na, er staat juist dat eerdere onderzoeken die mythe doorprikten, maar dat dit onderzoek die onderzoeken weer doorprikt: het maakt volgens dit onderzoek voor je welbevinden niet zo veel uit of je kinderen hebt of niet. Als je kinderen wilde, zo redeneren de onderzoekers ongeveer, ben je gelukkig met kinderen, als je geen kinderen wilde ben je gelukkig zonder kinderen – over enorme open deuren gesproken.

Ten tweede spreekt het onderzoek minder gemakkelijk dan het krantenartikel van ‘geluk’. Het woord ‘happiness‘ komt er weliswaar in een weinig diepzinnige betekenis in voor, maar in hoofdzaak richt het onderzoek zich op “evaluative and hedonic wellbeing“, en dat is toch wat anders. Evaluatief welzijn; dus mensen wordt gevraagd zelf hun welzijn te evalueren (een tamelijk subjectieve aangelegenheid dus). En met ‘hedonics‘ worden “positive and negative affective states” bedoeld, positieve en negatieve gemoedstoestanden. Het is vooral de dienstdoende journalist die dit weinig scrupuleus als ‘geluk’ vertaalt.

Geluksbarometer

Toch duidt dit alles op meer dan op slordige journalistiek. Dit soort onderzoeken naar ‘evaluatief en hedonisch welzijn’ fungeren hoe je het ook wendt of keert als een krakkemikkig soort geluksbarometer, en dat op zichzelf wijst op een guur en ongelukkig klimaat. Waarom vinden we het zo belangrijk hoe wij ons gisteren voelden? Waarom wordt die gemoedstoestand überhaupt in verband gebracht met het ouderschap? Wat zegt dat over onze perceptie van ‘geluk’? Zien we het echt louter als het saldo van onze positieve en negatieve gevoelens? En waarom moet het al dan niet hebben van kinderen bijdragen aan ons geluk, of erger nog, dat subjectieve gevoel van welbevinden?

Thomas van Aquino schreef reeds in de Summa dat wij hier op aarde nooit ten volste gelukkig kunnen zijn. Geluk is immers deelnemen aan het volmaakte goede, het schouwen van het volmaakte ware – en ons menselijke verstand is daarvoor te beperkt, de zonde te sterk, de condition humaine te armzalig (Thomas had nota bene niet eens kinderen, maar dat had hij toch goed door!). Maar anders dan bijvoorbeeld Augustinus, die eeuwen voor hem al hetzelfde had opgemerkt, bracht dat hem niet tot de pessimistische conclusie dat wij hier op aarde helemáál niet gelukkig kunnen zijn. Wij kunnen, zegt Thomas, toch minstens deelhebben aan het ware geluk – dat hij afwisselend aanduidt met de aan de Griekse filosofie ontleende term felicitas en met het meer Bijbelse beatitudo (zaligheid; denk aan de zaligsprekingen in Jezus’ Bergrede) – en wel voor zover wij ons leven, ons handelen en denken richten op dat volmaakte goede en ware, ergo op God.

Je mag hier van denken wat je wil, maar ik houd vol dat dit de meer diepzinnige én realistische benadering van geluk is. Mensen die slechts aan hun oppervlakkige welbevinden denken zijn volgens mij nooit echt gelukkig. Geluk bestaat er nu juist in dat je jouw oppervlakkige gevoel van welbevinden opoffert aan een groter goed. Precies dat is de ware vreugde van het ouderschap, voorbij alle sentimentele onzin, voorbij de kleine ongemakken. Dat maakt dat ik mij – alle gebroken nachten en legosteentjes op de vloer ten spijt – oprecht gelukkig prijs met mijn kinderen.

3 gedachten over “De (on-)gelukkige ouder

  1. Ha Anton,

    Ik ben het met je conclusie wat betreft geluk eens. Het is op zich al verdacht om hedonistisch welzijn als maatstaf te gebruiken, omdat diverse studies aantonen dat dit juist negatieve effecten heeft op lange termijn.

    In een onderzoek van Barbara Fredrickson et al, dat in juli vorig jaar werd gepubliceerd, bleek zelfs dat hedonistische vormen van geluk schadelijke gevolgen hebben voor het menselijk lichaam op moleculair niveau, terwijl eudaimonistische vormen van geluk juist een positieve impact hadden. Het voornamelijk najagen van hedonistisch geluk heeft dezelfde gevolgen voor je lichaam als chronische stress, met alle gezondheidsrisico’s (hartklachten, depressie, etc.) van dien, zelfs al voelden de meer ‘hedonistische’ proefpersonen zich volgens de vragenlijsten gemiddeld ‘gelukkiger’ dan andere proefpersonen.

    Eerdere studies toonden al een correlatie tussen de mate van hedonistisch geluk en ziektes als Alzheimer, depressie, artritis, etc. (o.a. Ryff, Bennett) Ook blijken mensen die meer geneigd zijn eudaimonistisch geluk na te streven meer activiteit te vertonen in de prefrontale cortex (Van Reekum), die onder meer belangrijk is bij planning, het stellen van doelen, en sociaal gedrag.

    Over het algemeen kan men stellen dat het streven naar diepzinniger geluk, zoals het grootbrengen van een gezin, positievere gevolgen heeft voor de gezondheid op lange termijn en ook op het vermogen om met de moeilijkere aspecten van het leven om te gaan, zelfs al zal de vraag “Hoe voelde je je gisteren?” zo nu en dan beantwoord worden met een dodelijke blik 😉

  2. Ikzelf heb het altijd de grootste genade geacht, die ik ontvangen heb met de komst van mijn/onze kinderen. Ineens word je gedwongen om iemand te helpen met de meest eenvoudige dingen zoals eten, slapen en verschonen.
    Na de baby-periode begint langzaam aan de taak, om het kind zichzelf te laten worden.
    Tijdens of na de (pré)puberperiode begint het volwassen leven zich te ontluiken op letterlijk álle gebieden. Gedurende die periode (die – vanwege vele onzekerheden – vooral van het kind zeer veel emotie en inzet vereist) wordt het geduld en inzet van de ouders zwaar op de proef gesteld. Om deze periode redelijk door te komen, dienen de ouders zichzelf goed te kennen. Zo dienen de ouders op vele gebieden goed te weten wat ze waarom wel/niet wensen. Dat geldt zowel voor gedrag als materiële wensen.
    Dankzij de kinderen leer je jezelf goed kennen (daar word je door de kinderen wel toe gedwóngen) + leer je je eigen kind zeer goed kennen.
    Daarna komt de tijd, dat de kinderen hun éigen weg vervolgen (en onderweg vele vergelijkbare vreugdes en verdriet tegenkomen als hun ouders ondervonden hebben). Dit is de tijd, dat de ouders meestal vanwege de hogere leeftijd niet meer hoeven te werken + meestal liefhebbende en hopelijk wijze oma/opa worden.
    Voordat oma en opa grootouders werden, hadden zij het meestal zeer druk. Tijdens de periode van het grootouderschap is er meer tijd om aan God en Zijn bedoelingen te denken. Dat is ook nodig, want de tijd dat je geroepen wordt, komt steeds naderbij + de tijd om goed te doen, wordt steeds korter.

    Terugkijkend zal je bemerken, dat je eigen leven een kruisweg is – met (als het goed is) altijd je liefhebbende/steunende/troostende aardse moeder in je buurt; je moeder die haar taak zo goed kon vervullen, omdat zij daartoe financieel in staat werd gesteld door je vader.

    Vreemd, ons eigen leven lijkt op het leven van onze Heer en Meester Jezus Christus.
    Jezus kon op Zijn onnavolgbare manier Zijn onmenselijk zware kruis dragen (maar ja, Hij is dan ook Mens + Gód); wij mensen dragen óns kruis.
    Jezus kon Zijn kruis dragen, omdat Hij wist, dat Hij vele mensen de weg naar Zijn Vader wees + omdat Hij wist, dat Hijzelf spoedig naar Zijn Vader terug zou gaan.
    Wij mensen kunnen ons kruis dragen, omdat wij óók spoedig naar de Vader van Jezus hopen te gaan + omdat wij misschien één mens (bijv. jezelf/je eega/je kind/’n vreemdeling) de weg naar de Vader van Jezus hebben kunnen wijzen.

    Ja, de Vader van Jezus is ons doel. Verder hebben wij niets en niemand nodig om voor áltijd algelukkig (= gelukkiger kán niet) te zijn.
    Wij zijn door God uitverkoren om geboren te zijn (en onze aardse ouders hebben God daarbij mogen helpen). Het is een échte uitverkiezing, om na ons aards leven voor áltijd bij de Vader van Jezus te kunnen zijn en dus voor áltijd net zo gelukkig als God-Zelf te zijn (= voor áltijd ál-gelukkig).

    Hopelijk geven wij ons geloof (en dus ons eeuwig geluk) ook door aan onze kinderen. Als wij daarin slagen, heeft ons leven écht nut gehad: tot meerdere eer en glorie van God, tot welzijn van onszelf en tot welzijn van onze kinderen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *