De revolte der sleepdragers

De Filosofie Scheurkalender vertelt vandaag een anekdote over de aloude spanning tussen filosofie en theologie:

Toen men Immanuel Kant eens vroeg of hij nog geloofde dat de filosofie de dienstmaagd van de theologie was, antwoordde hij: ‘Het hangt ervan af of ze met de fakkel voorop loopt, of mevrouws sleep draagt.’

Je kunt hierin lezen dat de filosofie sinds de Verlichting de leidende rol van de theologie heeft overgenomen, maar feitelijk is dat niet wat Kant hier zegt. De filosofie loopt weliswaar met de fakkel voorop, maar is daarmee nog steeds dienstbaar aan de theologie. Overigens was die zienswijze van Kant allerminst revolutionair, want de filosofie is, zeker sinds de scholastiek, altijd de fakkeldraagster van de theologie geweest. Sleepdraagsters had de theologie al genoeg — dat waren de theologen. Waren, want onder het bedienend personeel van de theologie ontstond inderdaad een revolte, een regelrechte staking: niet de fakkeldraagsters gooiden echter het bijltje erbij neer, zoals het citaat van Kant doet vermoeden, maar de sleepdraagsters. Hun starre werkweigering heeft de laatste decennia groteske vormen aangenomen. Er is zelfs een naam bedacht voor deze grote theologenstaking: religiewetenschap.

Dat zo veel theologen religiewetenschappers zijn geworden, kun je uit niets dan rancune verklaren. Dienstbaarheid raakte uit de mode. De sleepdraagsters voelden zich plotseling geweldig voor gek staan in het moderne wetenschapsbedrijf. Pardoes vergat men waarom het überhaupt zo mooi en eervol was om de sleep van de theologie te dragen. Schaamte maakt plaats voor wrok, voor blinde haat zelfs. In geen enkele andere wetenschapsgebied bestaat zo’n afkeer van het studie-onderwerp als in de religiestudies. Nu geloof ik best dat er ook vrouwenhaters te vinden zijn op de faculteit genderstudies, dierenhaters onder biologen en mensenhaters onder antropologen. Maar de religiewetenschap maakt het wel erg bont: daar is haat jegens het onderwerp geen bijkomstigheid of resultaat van jarenlange studie, maar een eerste en wezenlijkste voorwaarde, een toelatingseis op de faculteit.

Religiewetenschap, dat is liegen over religie, maar dan met voetnoten en bronvermelding. Onlangs illustreerde ik dat al met het religiewetenschappelijke onderzoekje van het CBS. Maar vandaag las ik nog enkele straffere voorbeelden: twee afzonderlijke artikelen van religiewetenschappers in het laatste nummer van VolZin.

Allereerst een opstel over de ‘toekomst van de religie in Nederland’, van masterstudente Religiestudies aan de UvA Myriam Braakhuis. Zij schetst vier amper van elkaar te onderscheiden toekomstscenario’s van hoe de religieuze kaart er in 2024 uitziet. Ik noem wat frasen uit die toekomstvisioenen: mensen hebben behoefte aan identiteit en houvast, jongeren zoeken nieuwe vormen van zingeving, evangelische kerken floreren, enerzijds is er secularisatie en anderzijds fundamentalisme, multireligiositeit wint aan populariteit, oosterse religies groeien, de nadruk komt te liggen op persoonlijke zingeving, internet speelt daarbij ook een steeds belangrijkere rol. Enzovoort. Dit is geen toekomstscenario, dit is een tamelijk dorre beschrijving van het heden.

Nu wil ik de auteur en de wetenschappelijke discipline die zij vertegenwoordigt het aperte gebrek aan voorstellingsvermogen nog niet eens kwalijk nemen. Wat me meer stoort is het wensdenken dat schuilgaat in deze als toekomstvisoen vermomde beschrijving van de actualiteit. In plaats van een realistisch beeld van de toekomst, wordt een idealistisch beeld van het heden geschetst. En de idealen spreken boekdelen: in alle scenario’s behoren de traditionele religieuze instituten tot het verleden, de orthodoxie heeft niets meer te zeggen, tradities zijn verwaterd, het individu is de maat geworden.

Dat sluit dan weer naadloos aan bij een tweede opstel in VolZin, van weer een andere religiewetenschapper: Robbert Omtzigt. Die verweert zich tegen het verwijt dat nieuwe spiritualiteit te individualistisch is en kaatst de bal terug naar de klassieke religies. Hij schrijft:

De zelfhulpboekjes vliegen als warme broodjes over de toonbank. Maar deze vorm van spiritualiteit wordt verweten vooral egocentrisch te zijn: voornamelijk gericht op het eigen geluk. Laat dat waar zijn. Evengoed kan van de klassieke godsdiensten gezegd worden dat zij juist door een overdreven nadruk op gemeenschap en een bovenmenselijke moraal mensen hebben weggehouden van het eigen persoonlijke geluk, en zelfontwikkeling en zelfzorg te snel afdoen als egoïstisch.

Heel fijn dat Omtzigt zo genereus is om toe te geven dat zelfhulp egocentrisch is. Maar zijn tegenwerping raakt kant noch wal. Hij roept een oneigenlijke tegenstelling in het leven tussen individualistische spiritualiteiten en een op het collectief gerichte traditionele religie. Maar die religie heeft nooit bestaan, het is een verzinsel van de stakende sleepdragers die in hun onvrede de karaktertrekken van hun vroegere meesteres zijn gaan uitvergroten. De christelijke traditie heeft nu juist steeds geprobeerd de balans te bewaren tussen de individuele en de sociale dimensie van de religie, en gewezen op het feit dat de een nooit het definitieve primaat boven de ander mag hebben. Maar het is dus ronduit kwaadaardige en lasterlijke onzin als hij schrijft:

De klassieke godsdiensten hebben nagelaten de mens als uniek te zien in zijn of haar persoonlijke zoektocht en in het menselijke talent om rust en vrede in zichzelf te vinden.

Dat hebben de klassieke godsdiensten helemaal niet nagelaten. Lees er Charles Taylors Bronnen van het zelf maar eens op na om te zien hoezeer dat hele concept van innerlijkheid in de klassieke christelijke godsdienst ontstaan is. De uniciteit van de mens heeft diepe theologische wortels. Alleen wijst het christendom er ook voortdurend op dat die uniciteit ons niet ontslaat van verplichtingen ten aanzien van onze medemens. En dat is een inzicht dat in de nieuwe spiritualiteiten die Omtzigt in zijn artikel de volwassenheid toewenst, toch echt intrensiek een lagere prioriteit heeft.

(Terzijde: er schuilt nog een wat kleinere leugen in de opmerkingen van Omtzigt — kleiner in de zin van minder belangrijk, maar desalniettemin een even grote leugen. Namelijk de opmerking dat klassieke godsdiensten de nieuwe zinzoekerij te makkelijk als egoïstisch afdoen. Dat doen zij namelijk lang niet vaak en makkelijk genoeg.)

Religiewetenschappers doen zo hard hun best om niet religieus te zijn, dat zij op de eerste plaats ophouden wetenschappelijk te zijn. Ze lijken dan ook meer een publieke dan een wetenschappelijke missie te hebben. De sleepdragers staken, en ze zijn uiteraard wel zo slim om er een publieksvriendelijke staking van te maken. Ze hebben de communis opinio op hun hand in hun afkeer van met name de christelijke traditie. En de communis opinio staat er om bekend niet te kijken op een leugentje om bestwil meer of minder. En nergens in de wijde omtrek zijn nog fakkeldragers te bekennen die wat licht in de duisternis zouden willen brengen.

5 gedachten over “De revolte der sleepdragers

  1. Beste Anton,

    Per toeval ontdeket ik dat jij op je blog aandacht besteed aan mijn artikel in de VolZin. Dat mijn scenario’s nog meer toekomstgericht hadden kunnen zijn wil ik nog wel onderschrijven. Ze zijn echter wel duidelijk van elkaar verschillend. Bovendien zijn de scenario’s vooral bedoeld om mensen aan het denken te zetten over het heden en de keuzes die zij nu maken.
    Ik wilde echter reageren op een ander punt: in je blog word ik afgeschilderd als een godsdiensthatende religiewetenschapper. Niets is minder waar. Naast mijn master religiestudies heb ik mijn bachelor theologie gehaald en ik ga met veel plezier naar de kerk. Ik ben oprecht geinteresseerd in religie, waarom zou ik anders religiestudies studeren?
    Als mijn artikel de schijn wekt dat ik hoop dat religie verdwijnt of dat tradities uitsterven, dan betreur ik dat ten zeerste. Het enige wat ik aan wilde tonen is dat religie veranderlijk is en dat we ons wat dat betreft in een boeiende tijd bevinden!

  2. Bedankt voor je reactie, Myriam. Ik heb in mijn blog niet willen suggereren dat jij persoonlijk een religiehater bent. Maar ik snap dat het zo over kan komen, omdat ik iets heb willen zeggen op een soort anti-religieuze grondtrek van de religiewetenschappen an sich, en jou daarbij opvoer als een vertegenwoordiger van dat studieterrein. Wil het alsjeblieft niet als een persoonlijke aanval zien, want dat is het echt niet. Ik geloof meteen dat je interesse in en betrokkenheid bij religie oprecht is, en bovendien is het niet aan mij om daar over te oordelen. Ik besef dat ik jou als persoon en als wetenschapper gruwelijk tekort doe door je essay te gebruiken ter illustratie van een op zichzelf al sterk uitvergrote kritische kanttekening. Ik doe er ook je essay mee tekort, want ik vond daar wel degelijk analyses in die ik boeiend en juist vond. Iets in de teneur gaf mij echter voeding voor een knagend bezwaar dat ik al langer tegen veel hedendaagse religiewetenschappelijke methoden koester, en dat ik hier (met enige retorische stelligheid en uitvergroting, dat geef ik toe) heb proberen te verwoorden.

  3. Anton,

    Ik ben het enerzijds met je eens dat religiewetenschap en theologie tegengestelden lijken. Ik merk ook dat aan de RU, waar religiewetenschappen nog altijd een jonge tak van sport zijn, een soort rivaliteit heerst, waarbij religiewetenschappers zich nogal pertinent afzetten tegen de theologie. Je moet dat denk ik ook zien als een soort van “puberale reactie”: zoals kinderen zich in de puberteit afzetten tegen hun ouders in een worsteling om volwassen te worden, zo zetten ook religiewetenschappers zich af tegen de theologie omdat van oorsprong alles wat met religie te maken had gezien werd (door theologen) als automatisch vallend onder de jurisdictie van de theologie. Ik begrijp dus de houding van religiewetenschappers wel enigszins.

    Verder proef ik in je betoog iets van een apologie voor de theologie. Ik ben het met je eens dat de theologie nog altijd relevant is, hoewel het in onze cultuur moeilijk is geworden om die relevantie voor het publieke voetlicht te brengen. Ik denk echter wel dat de theologen voor een groot deel zelf verantwoordelijk zijn voor de neergang van hun metier. Ik vind bijvoorbeeld dat theologen schitteren door afwezigheid zodra er publieke discussies ontstaan over religieuze aangelegenheden. Waarom hoor je bijvoorbeeld geen theologen in opiniestukken die het gemekker van Rouvoet-fans over koopzondagen etc. relativeren? Om over discussies omtrent evolutie en schepping nog maar te zwijgen, want daar lijken theologen zich helemaal geen raad meer mee. Het zijn in mijn ogen de theologen die de theologie de goot in helpen. (Vraag: Hoe kijk jij daar tegenaan?)

    Tot zover mijn opmerkingen. Ik heb nog wel een vraag. Je zegt heel stellig: “Religiewetenschappers doen zo hard hun best om niet religieus te zijn, dat zij op de eerste plaats ophouden wetenschappelijk te zijn.” Wat bedoel je daarmee? Waarom is een methodisch agnostisch punt, zoals Myriam lijkt voor te staan, in jouw ogen niet-wetenschappelijk?

  4. Interessante vragen en opmerkingen, Taede.
    Ik ben het met je eens dat het vooral de theologen zelf zijn die de theologie in de goot helpen. Ik heb mijn betoog ook niet zozeer willen richten aan religiewetenschappers an sich, maar veeleer aan het adres van theologen die in hun aanpak steeds religiewetenschappelijker willen zijn, en de religie als een rariteit zijn gaan beschouwen, een studieobject, dat met een meer antropologische, sociologische, filosofische of zelfs biologische bril scherper te doorzien zou zijn. Daardoor is veel betrokkenheid verloren gegaan, betrokkenheid bij het actieve religieuze standpunt, en ook betrokkenheid bij maatschappelijke kwesties. De theologen die de spagaat uithouden tussen enerzijds de op zich terechte eisen van wetenschappelijkheid en anderzijds die religieus-existentiële betrokkenheid, en die die spanning vruchtbaar weten te maken in het publieke debat, zijn in dit land op een hand te tellen. En dat vind ik jammer.

    Dan wat betreft je vraag… Ik bedoel te zeggen dat religiewetenschappers of religiewetenschappelijk ingestelde theologen, precies doordat zij die religieus-existentiële dimensie uit de religie wegdenken uit angst hun wetenschappelijke neutraliteit te verliezen, per definitie een vertekend, niet-neutraal beeld van religie schetsen. Waarmee ik niet wil zeggen dat een methodisch agnostische houding verkeerd of onwetenschappelijk is. Het ligt mijns inziens iets subtieler… En ik vind jouw woordkeuze interessant: jij zegt ‘methodisch agnostisch’… Begrijp ik het goed als je met dat agnosticisme hier zoiets bedoelt als, uit de losse pols, het opschorten van een waarheidsclaim, het zo open en onbevooroordeeld mogelijk onderzoeken van aannamen? Dat lijkt me een zeer wetenschappelijke houding, waarmee je religie ook heel goed kunt bestuderen. Maar het sluit betrokkenheid niet uit, een zekere positieve en inclusieve benadering, met oog voor wat ik nu met gebrek aan een betere term maar de existentiële dimensie noem. Dat agnosticisme kan anders gezegd ook nog altijd het binnenperspectief meenemen in de beschouwing. Het gaat me dus om een zekere lenigheid van geest, die behalve alle ook heel zinnige buitenperspectieven op religie ook het gelovige standpunt zelf kan innemen en doorgronden. Dat is een wetenschappelijke tour de force, een evenwichtskunstwerkje, dat besef ik me al te goed. Maar ik denk dat het de enige manier is om dit bijzondere studieobject recht te doen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *