De strijd tussen God en Canisius

petrus-canisiusraam1Midden in de nacht klonk er ineens lawaai in het Weense huis waar Petrus Canisius verbleef. Een huisgenoot werd wakker en haastte zich naar de kamer van Canisius. Hij tuurde door het sleutelgat, en zag dat de Nijmeegse jezuïet in gebed verzonken was. Later verklaarde deze huisgenoot het volgende: 

“Hij bad vurig en met krachtige stem, hij riep, hij redeneerde. Het was alsof hij vocht met God, zoals eens Jacob met de engel. In mijn jeugdige onschuld dacht ik: In de strijd tussen God en Canisius wil ik mij niet mengen. Zij zullen ook zonder mij weer met elkaar vrede sluiten.”
(Bron: Paul Begheyn s.j., Petrus Canisius. Een Nederlandse heilige. De Heuraut, Nijmegen, 1981.)

Petrus Canisius zal de nodige appeltjes te schillen hebben gehad met God. Het waren geen gemakkelijke tijden — de reformatie en contrareformatie verbitterden het religieuze leven in Europa. Canisius, één van de belangrijkste theologen van de contrareformatie, ondervond dat aan den lijve. Letterlijk: de kapotte schoenen onder het altaar van mijn parochiekerk — die vandaag zijn feestdag viert — herinneren aan zijn lange voettochten door Europa, om te prediken en debatteren in streken waar de Kerk van Rome het zwaarst te lijden had. Voor hem was de contrareformatie geen kwestie van theologische scherpslijperij in abstracto, maar van blaren onder de voeten. 

Om de zaken even in perspectief te zetten: in Zuid-Duitsland en Oostenrijk, waar Canisius in de jaren ’40 en ’50 van de 16e eeuw opereerde, lagen het universitaire onderwijs en het kerkelijke leven totaal op hun gat. De collegebanken van de theologiefaculteit van Ingolhardt bleven nagenoeg leeg, en de paar verdwaalde studenten die er nog waren, waren volstrekt incompetent. Canisius verzorgde er, naast colleges, bijna iedere dag een eucharistieviering, “maar al gaven we er geld voor, we zouden nog geen twee mensen in de kapel krijgen”, zo schreef hij. Ook in Wenen was de kwaliteit van het universitair onderwijs bedroevend. En in Beneden-Oostenrijk waren er 250 parochies zonder priester. (Toch hield Canisius vol dat hij “liever geen pastoor dan een een slechte” zag.) Het mag wonderbaarlijk heten, dat de toen nog jonge Canisius er eigenhandig in slaagde het geestelijke leven in deze streken uit het slop te trekken. Hij werd er zelfs zo geliefd dat de bewoners van Fribourg in opstand kwamen toen zijn superieuren hem weer wilden overplaatsen.

Hoe deed hij dat toch? Nou ja, allereerst natuurlijk met veel geduld en door keihard te werken. Ongetwijfeld bezat hij een groot organisatietalent — niet voor niets werd hij al op 35-jarige leeftijd door Ignatius van Loyola tot provinciaal overste benoemd van alle jezuïten in Duitsland en Oostenrijk.

Maar er is nog iets dat opvalt aan deze man: namelijk zijn grote mildheid, die velen geïnspireerd heeft. Hij speelde een wezenlijke rol in wat ongetwijfeld de felste debatten geweest moeten zijn in de geschiedenis van het christendom. Toch slaagde hij erin de nuance en kalmte te bewaren, andersdenkenden niet te verketteren, te blijven hameren op begrip en medemenselijkheid, kritiek en zelfkritiek serieus te nemen. In een discussie met protestanten verklaarde hij:

“Ik geef het bestaan van misbruiken toe. De katholieken zijn niet van zins die goed te praten. Maar laten we niet gaan schelden. Laten we onderling de liefde beoefenen en streven naar een wetenschappelijke en vriendschappelijke wijze van spreken.”

Wie zegt het hem nog na? (Ik herhaal deze vraag nog maar eens.) Ook in onze tijd lopen de kerken leeg, komen we goede herders tekort, en ligt de Kerk onder vuur. Ook in onze tijd dreigen sommige katholieken in een reactionaire kramp te schieten. Sommigen nemen de benen, anderen trekken zich terug in een gesloten fort, een eiland van het eigen gelijk. Zij kiezen de aanval als verdediging en de verdediging als aanval. Maar verbittering en cynisme van binnenuit bedreigen ons nog meer dan kritiek van buitenaf.

Kunnen wij mild en barmhartig blijven, zoals Petrus Canisius? Desnoods door in onze eigen binnenkamer het gevecht aan te gaan met God, in het vertrouwen dat wij weer vrede met Hem zullen sluiten? Want uiteindelijk vertrouwde ook Canisius er op dat alle actuele religieuze spanningen bovenal een beproeving waren van God — een “liefdeblijk en genade” zelfs, zoals hij eens in een brief schreef:

“Want wie niet beproefd is, wat weet hij?”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *