De voetenwasser en de orenwasser

 “Christus’ vernedering was dodelijke ernst en geen vernedering zoals die van de paus als hij de voeten van het arme volk wast en iedereen wel weet dat het de paus is die dat doet. Zo verdient hij dubbel: in zijn pauselijke aanzien en ook nog eens vanwege de indruk van nederigheid.”
– Søren Kierkegaard

Het fijne aan 19e-eeuwse filosofen, is dat ze als geen ander weten hoe ze een gezellig feestje bederven moeten. Ik laat het dus volgaarne over aan de Deense denker Søren Kierkegaard (1813-1855) om minzaam te doen over een geijkt jaarlijks ‘mediamomentje’ van de paus: de voetwassing op Witte Donderdag, in navolging van Christus die bij het Laatste Avondmaal de voeten van zijn leerlingen waste.

Paus Franciscus tijdens de voetwassing op Witte Donderdag 2013.
Paus Franciscus tijdens de voetwassing op Witte Donderdag 2013.

Paus Franciscus liet de radicaliteit hiervan al in zijn eerste jaar goed voelen door de voeten van jeugddelinquenten te wassen – onder wie, nee maar, zelfs vrouwen en moslims. Nu in zijn tweede jaar doet hij een revalidatiecentrum voor invaliden aan. De beter geïnformeerde media somden bij voorbaat al zakelijk de lijst op van wie de voeten gewassen zal worden, alsof het een bestelling bij de afhaalchinees betreft: negen Italianen, één moslim uit Libië, een jonge man uit Kaapverdië en een Ethiopische vrouw. Met kroepoek, zonder sambal, alstublieft.

Maar laten we dus op de eerste plaats niet doen alsof paus Franciscus iets nieuws bedacht heeft; Kierkegaard noteerde zijn snibbige aforisme reeds in de jaren 1840, dus rond de start van het lange pontificaat van paus Pius IX. Ook die maakte er kennelijk al goede sier mee. (In die tijd was het overigens ook nog volstrekt normaal dat daar vrouwen bij waren; dat raakte pas in de jaren ’50 van de twintigste eeuw in onbruik.)

Hoewel Kierkegaard hier inderdaad een beetje een party pooper is – het evangelische gebaar blijft immers betekenisvol en weldegelijk het herhalen waard – legt hij toch de vinger op een zwerende paradox: bescheidenheid kun je vanuit de aard der zaak eigenlijk niet actief tonen, want laten zien dat je bescheiden bent is per definitie niet bescheiden. Dat is wel een belangrijke kanttekening bij de communis opinio dat paus Franciscus zo’n voorbeeld van bescheidenheid en nederigheid is. Akkoord, ik geloof dat zelf ook wel, maar hoe weten we dat eigenlijk? Foto’s waarop hij een Libische moslim of Ethiopische vrouw de voeten wast bewijzen dat op zichzelf nog niet.

Hooguit het feit dat de paus wéét dat wij er hier in onze koudbloedige streken zo kierkegaardiaans de neus ophalen voor zoveel symboolpolitiek (daar zijn we weer!), en dat hij die vernedering in stilte draagt, dát zou dan wel weer heel bescheiden en nederig van hem kunnen zijn… behalve natuurlijk, wanneer wij weten dat hij dat weet, en hij weer weet dat wij weten dat hij dat weet, dan is ook dat weer uiterlijk vertoon en schijnheiligheid. Et cetera. Een mens doet het niet snel goed wanneer het op nederigheid aankomt.

Flessentrekkerij

Omdat de nederigheid zo dicht bij het hart van het christendom ligt, ligt deze paradox dat ook. Het christendom is vaak – en vaak terecht – huichelachtig genoemd, ook en vaak het felst door christenen zelf. Kierkegaard is daar een prominent voorbeeld van; hij was en bleef lutheraan, maar fulmineerde in toenemende mate tegen wat hij de “geestelijke flessentrekkerij” van het officiële christendom noemde.

Søren Kierkegaard
Søren Kierkegaard

Als je hem door de oogharen leest, is Kierkegaard makkelijk tot de held te maken van een vandaag de dag heel populair ressentiment, namelijk dat van: ‘Jezus is oké, maar georganiseerde religie stinkt.’ En: ‘De geestelijkheid staat eigenlijk aan de kant van de hypocriete farizeeërs en schriftgeleerden, niet die van Jezus.’ Zijn tijdgewricht,  de 19e-eeuwse Romantiek, is inderdaad de kraamkamer van die tegenwoordig zo veel gehuldigde misvatting. (Sterker: de 19e-eeuwse Romantiek is de kraamkamer van zo’n beetje álle hedendaagse misvattingen.) Bij de grote Russische auteurs uit die tijd treffen we de gedachte ook in allerlei toonaarden aan; gracieus en intelligent in Dostojevski’s Grootinquisiteur, plat en lomp in de geestelijke geschriften van Tolstoj. En ja, ook Kierkegaard schurkt soms dicht tegen dat anti-kerkse sentiment aan, zeker in een schuimbekkend pamflet als ‘Hoe Christus oordeelt over het officiële christendom’, niet lang voor zijn dood in 1855 geschreven.

Maar als Kierkegaard slechts uit dat zure-wijnvaatje zou tappen, zou ik hem hier de eer niet gunnen om paus Franciscus de oren te wassen om diens voetwassing. Ik breng hem in stelling tegenover paus Franciscus, omdat zijn kritiek vele malen diepzinniger is, en hij daarin uiteindelijk zelfs niet lijnrecht tegenover, maar misschien juist schouder aan schouder náást onze paus komt te staan.

Zondagsgeklets

Om te beginnen is het goed te beseffen wat Kierkegaard eigenlijk met het ‘officiële christendom’ bedoelde. Het lutheranisme was (en is formeel nog steeds) de staatsgodsdienst van Denemarken. Het was dus volledig ingebed in de gevestigde orde; predikanten waren feitelijk ambtenaren, gesubsidieerde staatsherders met de schaapjes op het droge. Het christendom verburgerlijkte; iedereen was christen, zoals iedereen burger is. Dat wil dus zeggen: mensen waren nominaal christen, cultuurchristen, omdat het er nu eenmaal bij hoorde. Christendom, aldus Kierkegaard, verwerd zo tot christenheid, en dat was de dood in de pot van het oprechte geloof:

 “In het begin was er geen enkele christen. Toen werden allen christen, met als gevolg dat er opnieuw geen christenen waren. Dat werd het einde. Nu staan we weer aan het begin.”

Kierkegaard zag zichzelf daarbij als een soort anti-apostel:

 “De opgave van een apostel was: het christendom te verspreiden en er mensen voor te winnen. Mijn opgave is: mensen de inbeelding te ontnemen dat ze christen zijn. Waarachtig, ik kan het christendom geen betere dienst bewijzen.”

Hij verzette zich dus niet tegen georganiseerde godsdienst an sich, maar tegen een verslapping en verwatering van die godsdienst omwille van de lieve vrede. Hij protesteerde ertegen, dat de radicale boodschap van het evangelie werd versmald tot een algemeen humanisme voor de brave burgerij, tot laf en sentimenteel “zondagsgeklets”, een schijn-levend geloof dat verdrinkt “in een moeras van geleuter”, en waarin de moeilijkere christelijke begrippen zoals zonde en hel zijn “opgegaan in een deegmassa”. Ik vermoed dat Kierkegaard ook niet geporteerd zou zijn van The Passion.

Jezus de toffe peer

Zonder deze protestantse filosoof nu postuum te willen inlijven in het katholicisme (want hoewel hij het daar niet vaak over had, zou hij veel van zijn kritiek waarschijnlijk ook op de Kerk van Rome van toepassing achten), is het toch frappant dat hij zelfs pleit voor herinvoering van het celibaat, de biecht en zelfs het kloosterleven. Uitgerekend zaken die vele moderne belijders van het ‘Jezus is oké, georganiseerde religie stinkt’-credo afdoen als latere toevoegingen, on-Bijbelse verzinsels, zo-had-Jezus-het-vast-niet-bedoeld-allemaal.

De Jezus van Kierkegaard is echter niet ‘oké’, geen toffe peer die iedereen gewoon lekker in zijn of haar waarde laat en geheel vrijblijvend peace, love and harmony predikt. Hij is veeleisend, onthutsend, ongrijpbaar, gevaarlijk. Hem volgen is dus niet makkelijk, en zeker niet meegegeven bij je inschrijving in de burgerlijke stand. Christus volgen vraagt offers, zelfverloochening, aan doodsverachting grenzende moed. Niet voor niets schreef Romano Guardini, die het denken van de grote Deense filosoof indrukwekkend diep gepeild heeft, over het geloof van Kierkegaard dat het een “christendom van de onmogelijkheid” is. Christen-zijn is inderdaad bijna onmogelijk in het denken van Kierkegaard.

Behaagzucht

En dan ben ik terug bij paus Franciscus; want hoe je het ook wendt of keert hebben de voetenwasser en zijn orenwasser wél dezelfde ongemakkelijke Jezus voor ogen. Ook de paus waarschuwt herhaaldelijk tegen vrijblijvend geloof waarin begrippen als zonde en hel zijn weggepoetst, tegen lauwheid en religieuze behaagzucht. Zelfs de termen die hij ervoor gebruikt hadden uit de ironische aforismen en pamfletten van Kierkegaard kunnen komen; achterbankchristenen, patisseriechristendom… En dan was er nog onlangs die toespraak tot priesters en seminaristen, waarin de paus hen voorhield dat zij “herders naar het beeld van de Goede Herder” moeten zijn en geen “functionarissen van een bedrijf of bureaucratisch organisme”. Meer nog: voor middelmatige priesters is geen plek, aldus de paus. En: “Wanneer je niet bereid bent deze weg te gaan, is het beter dat je de moed hebt een andere weg te zoeken.” Het is dezelfde ‘onmogelijke’ opdracht, maar nu uit het hart van het hedendaagse ‘officiële christendom’. Ik vermoed, afgaand op het citaat waarmee ik dit stuk begon, dat ook Kierkegaard zelf het niet voor mogelijk heeft gehouden.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *