De ware superheld

Aan de vooravond van de Kinderboekenweek – thema: superhelden – wil ik graag even wijzen op een kinderboek over een van mijn helden, wiens feestdag wij vandaag bovendien vieren. Het prachtig geïllustreerde boek Franciscus van Assisi door Joyce Denham en Elena Temporin laat zien wat een échte superheld is…

Ik moet bij voorbaat zeggen: ik ben wel blij met het heroïsme dat spreekt uit het thema van de Kinderboekenweek. De afgelopen decennia is de jeugdliteratuur naar mijn smaak vaak wat te weinig heldhaftig geweest. Hoe vaak ging het niet over heel gewone kinderen die heel gewone dingen beleefden en daarbij allemaal heel gewone emoties ervoeren? Dat egalitarisme heeft een stroom van heel realistische kinderboeken tot gevolg gehad, die o zo herkenbaar en daarom ook o zo saai waren. Het idee dat een kind zich per se moet ‘herkennen’ in een boekenpersonage en zijn wereld, is echt zo’n verzinsel van minder fantasierijke volwassenen. Als ik op straat een draak tegen zou komen, zou ik me omkeren en heel hard beginnen te rennen – maar ik verwacht toch van mijn romanpersonages dat zij hun zwaard trekken en het ondier zonder aarzelen aanvallen; paradoxaal genoeg zou ik me anders niet in die personage herkennen. Je wilt als lezer – jong en oud – kortom personages die dingen doen die jij zou willen doen, geen personages die dingen doen die jij daadwerkelijk doet. Je wilt mensen die beter zijn dan jij bent, mensen die boven jou uitstijgen qua dapperheid en deugdzaamheid. Entree, de superheld.

Nu denken we bij superhelden al snel aan de figuren die de Amerikaanse strip- en filmindustrie van de twintigste eeuw heeft voortgebracht. Mannen – soms vrouwen, maar toch meestal mannen – die behalve een strak en kleurrijk spandexpak ook bovenmenselijke talenten bezitten, en beide aanwenden in hun strijd tegen het Kwaad. Ik heb niets tegen dit genre, maar ik moet toch bekennen dat ik dit niet de meest interessante superhelden vind. Ze zijn me wat te nietzscheaans – niet voor niets heet Nietzsches ‘Übermensch‘ in het Engels ‘Superman‘. Dit type superheld is een excellerende enkeling, die in feite alles uit zichzelf put, hoewel hij zijn speciale vermogens vaak door een tragisch toeval verkreeg (een noodlot waarin de held zich schikken moet: amor fati noemde Nietzsche dat). Zijn talenten heten (super-)powers, krachten of machten. Nietzsches ‘Wille zur Macht‘ heet in het Engels ook ‘Will to Power‘. Geweld rechtvaardigt hij om vrede en veiligheid te bewerkstelligen, normale wetten gelden niet voor hem – de ‘Umwertung aller Werte‘. En hoewel de held steeds triomfeert is er geen uitzicht op verbetering, er is geen uitweg – Gotham blijft een deprimerende klotestad en de ‘evil mastermind‘ keert in het volgende verhaal weer gewoon terug; de ‘Ewige Wiederkehr des Gleichen‘ heet dat bij Nietzsche.

De Pixar-film The Incredibles, waarin het superheldengenre treffend op de hak wordt genomen, laat ook feilloos zien waartoe de cynische romantiek van Nietzsche uiteindelijk leidt: tot de gezapigheid van de seculiere burgerman, die zijn onbeteugelde machtsstreven botviert op de afstandsbediening van zijn televisie. Het zijn inderdaad twee zijden van dezelfde nietzscheaanse medaille.

Ik heb zelf meer op met de geestelijke antipode van deze Übermensch; met het type held dat in de christelijke traditie ook wel ‘heilige’ heet. Deze held bezit een talent waarvan hij weet dat het hem niet eens toebehoort, een talent dat hem geschonken is; we noemen dat ‘genade’. Hij beantwoordt kracht niet met nog meer kracht, maar met deugden als dapperheid, slimheid, opofferingsgezindheid. ‘Super‘ is het Latijnse woord voor boven, en dat betekent bij deze held niet zozeer dat hij boven andere mensen uitstijgt, maar vooral dat hij boven zichzelf uitstijgt.

Zo’n superheld was de heilige Franciscus van Assisi. Het mooie kinderboek van auteur Denham en illustrator Temporin laat zien hoe deze zonderlinge middeleeuwse koopmanszoon droomde van de heldendaden van de ridder, maar uiteindelijk al zijn ijdelheid zou overwinnen om tot een dieper soort heroïsme te komen. Zoals hij in dit boekje zelf zingt, nota bene als hij gevangen zit:

“Dit is het verhaal van Franciscus,
de dapperste ridder van Christus.
God zond hem naar mensen in de goot
om hen te helpen in hun nood!”

Ik kan Franciscus van Assisi van harte aanbevelen als je nog een mooi en fantasierijk ‘superheldenverhaal’ zoekt voor de Kinderboekenweek (of gewoon, wanneer je graag verhalen leest over mensen die doen wat jij ook kunt en zou willen doen). Het is o.m. hier te bestellen.

Gerelateerde artikelen:

2 gedachten over “De ware superheld

  1. Quote: “…Hoe vaak ging het niet over heel gewone kinderen die heel gewone dingen beleefden en daarbij allemaal heel gewone emoties ervoeren? Dat egalitarisme heeft een stroom van heel realistische kinderboeken tot gevolg gehad, die o zo herkenbaar en daarom ook o zo saai waren. Het idee dat een kind zich per se moet ‘herkennen’ in een boekenpersonage en zijn wereld, is echt zo’n verzinsel van minder fantasierijke volwassenen..”

    Ik kan daar in zoverre in meegaan, dat ik deze wrevel deel t.a.v. zgn “sleutelverhalen” (zie Trefwoord en zo) waarin Bijbelverhalen per se versluierd en in een “eigentijds jasje” moeten worden aangeboden, waarbij vooral het Goddelijke angstvallig buiten beeld blijft.
    Maar tegelijk vind ik ook dat in bijv. de Carry Slee-boeken kinderproblemen worden aangesneden die zo levensecht zijn, dat echte kinderen eerder met de hunne voor de draad zullen komen. Ik bedoel: het is een vorm van “self-disclosure by proxy”, de auteur geeft via het realistisch leed van de personages een soort voorzetje, waardoor de doelgroep in vergelijkbare omstandigheden de eigen problemen als minder gênant ervaart en eerder aan de (hulpverlenings)bel zal trekken. In die zin acht ik deze literatuur wel maatschappelijk relevant.
    Hartelijke groet,
    Margaretha

    1. Dat ben ik op zich wel met je eens, dat kan een belangrijke functie zijn van ‘realistische’ kinderliteratuur. Maar daar kleeft toch ook weer een risico aan; een overdreven nadruk op de eigen problemen, te veel met zichzelf bezig zijn, geen perspectief meer op een uitweg uit het eigen kleine wereldje… Ik bedoel: wat is beter voor een verlegen jongetje van 8 – dat hij een boek leest over een verlegen jongetje van 8 in wie hij zich helemaal herkent en bevestigd weet, of dat hij een boek leest over een dappere ridder met wie hij niets gemeen heeft maar met wie hij zich toch kan identificeren, en die hem mogelijk zelfs helpt zijn verlegenheid te overwinnen?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *