Dunne Komrij

“Ik heb moeite met alle volwassenen die zich met theologische vraagstukken bezighouden. Een professor in de sociale ethiek die het in alle ernst over de opstanding heeft. Een bisschop die bloedserieuze volzinnen zegt over de maagd Maria of het mooie van kuisheid. Stel je voor, volwassen kerels! Mannen met haar op hun borst! Mannen met een huishoudster, een centrale verwarming en een postgirorekening!”
– Boksvoet, in: Gerrit Komrij, Niet te geloven.

Gerrit Komrij in 1994, foto: Anna Ietswaart
Gerrit Komrij in 1994, foto: Anna Ietswaart

De ‘Dikke Komrij’ is een begrip in de poëziewereld, en ik heb enkele van Gerrit Komrij’s omvangrijke bloemlezingen ook wel in de kast staan. Maar het was een veel dunnere Komrij die ik uit de kast trok en herlas bij het vernemen van het bericht van diens overlijden. Niet te geloven, het boekenweekgeschenk dat Komrij schreef in 1997. Destijds – ik was 18, en atheïsme was mijn hobby – maakte het grote indruk op me. Een essay, verpakt als houterige filosofische dialoog (álle filosofische dialogen in de literatuur zijn houterig; dat maakt deel uit van de charme ervan) over het fenomeen godsdienst. Drie mannen die discussiëren onder een prieel; Vreemond, een vrome christen, Grijphart, een halfhartige vaagkees, en tenslotte de atheïst Boksvoet, de gangmaker van het gesprek. Je voelt als lezer meteen dat de schrijver zich met die laatste identificeert; de eerste twee zijn slechts karikaturaal decor om de polemische esprit van Boksvoet beter uit te doen komen; Vreemond en Grijphart stotteren hun respectievelijk orthodoxe en ietsistische platitudes, alleen maar zodat die vervolgens virtuoos vermalen kunnen worden door de genadeloze logica van Boksvoet. Bij het herlezen kwam het op me over als een flauw en voorspelbaar kunstje. Daarbij: mijn hobby’s van weleer heb ik achter me gelaten, en ik identificeer me met geen van de drie hoofdpersonen, met de zelfgenoegzame nihilist Boksvoet het minst. Niet te geloven is werkelijk Komrij op z’n dunst. Maar ik moet zeggen: de aanstekelijke geestigheid maakt dat het boekje nog steeds het lezen waard is. Zoals het bovenstaande citaat: ik ben het er niet mee eens, maar moest er toch hardop om lachen. (Ik vermoed dat ook Komrij zelf de ironische implicatie wel zag, dat hij zelf óók een volwassen man met borsthaar en een postgirorekening was die zich hier met theologische vraagstukken bezig hield.) Ik hoop dat God in Zijn ondoorgrondelijke genade een prieel voor Komrij heeft gereserveerd om onder door te filosoferen.

6 gedachten over “Dunne Komrij

  1. Goede column. Ik ken die taal ook wel van de gesprekken met een paar van mijn beste vrienden. Kan er ook om lachen en het heeft zelfs iets gezelligs. En door die kritische benadering, moet je zelf blijven nadenken. Het jammere is alleen, dat ze zelf van hun spottende en nihilistische kijk op de wereld het meeste last hebben.

  2. Toevallig, al vanmorgen ca 6.30 uur, op radio 1 hoor ik een aantal litteratuur kenners spreken over vooral Willem Frederik Hermans, maar ook Karel van het Reve en andere auteurs. Een van de sprekers zei naar aanleiding van het stuk van K.vh Reve ‘De ongelofelijke slechtheid van het opperwezen’, dat het ook een leuk gezelschapspel is om de fouten en ongerijmdheden van god met elkaar te delen; hij omschreef dat als een “prettig blasfemisch” gezelschapsspel. Het programma is best de moeite waard om misschien bij uitzending gemist terug te luisteren.

  3. Geestigheid is het wapen tegen de Geest,scherpzinnigheid is het tegenovergestelde van zachtmoedigheid.Maar die Geest slaat alles uit handen en maakt blijmoedig:is ook leuk voor je zelf!

  4. Pingback:Lessen van Kopland | Anton de Wit

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *