Een ander register

Met een genoeglijke glimlach heb ik de zin beluisterd en herbeluisterd die Paul Witteman direct aan het begin van deze eerste aflevering van Eeuwigh gaat voor Oogenblick tegen Antoine Bodar uitsprak:

“(Muziek) is een kunstvorm net als alle andere, die toevallig – of nou, niet geheel en al toevallig – die dieper gaat dan welke kunstvorm ook, omdat die op een of andere manier – en die een of andere manier heeft denk ik te maken met chemische processen in het brein – directer naar het hart gaat – ook al weer een metafoor natuurlijk, niet letterlijk naar het hart – maar directer het gevoel aanboort dan de andere kunsten.”

Weet je wat, kijk zelf maar, de rest van het interview is ook de moeite waard:

Get Microsoft Silverlight
Of bekijk de flash versie.

Heerlijk, zo’n schaamteloos traag interviewprogramma zonder onnodige opsmuk waar een gast uitgebreid de gelegenheid krijgt om diens kijk op de dingen te ontvouwen. Ik hoop dat de RKK hier stug mee door blijft gaan.

Maar even terug naar de zin die ik citeerde. Sta me toe die ook even schaamteloos traag te ontleden. Want de genoeglijke glimlach die die zin bij mij opriep kwam niet enkel voort uit de vorm – de opeenstapeling van bijzinnen, verduidelijkingen en terzijdes die uiteindelijk toch knap tot een afgeronde zin worden gebreid – maar ook uit de inhoud. Paul Witteman is een atheïst van het beschaafde type. Iemand die de rijkdom van de religie te goed kent om haar met karikaturen tekort te doen, iemand die veel sympathie kan opbrengen voor de godsdienstige traditie (meer nog dan sommige gelovigen), maar die desalniettemin niet mee wil gaan in de uiteindelijke aanspraken van die religie. Prima. Dat alles maakt dat dit een respectvol gesprek kan zijn, het is geen gesprek vanuit de loopgraven. Dat maakt het interview beleefd en nergens echt scherp, maar voor de welwillende toehoorder toch spannend: buiten de beschutting van de loopgraaf zijn de gesprekspartners ook kwetsbaarder.

Witteman lijkt zich dat te realiseren, want zeker in het eerste deel van het interview is hij erg op z’n hoede. Hij deelt iets met zijn interviewer, in dit geval een liefde voor oude religieuze muziek, maar hij wil zich niet door de priester Bodar laten betrappen op uitspraken die religieus geduid kunnen worden. Vandaar zijn omslachtige en omzichtige formuleertrant. Vandaar ook, zo vermoed ik, dat hij het woord ‘toevallig’ in de geciteerde zin zo beklemtoont. Dat muziek de meest intense van alle muziekvormen is moet immers primair aan het toeval worden toegeschreven, en niet aan de een of andere besluit van een oppermachtige God. Daarna voegt Witteman nog toe dat het natuurlijk niet helemáál toevallig is, maar hij beroept zich daarbij op een strikt wetenschappelijke ordening, alsof hij daarmee een goddelijke ordening wenst uit te sluiten: dat wij muziek zo intens beleven komt door “chemische processen in het brein”.

Witteman lijkt mij een uitermate redelijke vertegenwoordiger van een uitermate onredelijk modern geloof, dat zweert bij deze veelgehoorde geloofsbelijdenis: “Ik geloof niet in God, ik geloof in de wetenschap.” Dat credo wordt vaak geponeerd met een stelligheid alsof daarmee de kous af is, en verdere discussie of toelichting overbodig. Volgens mij kun je echter geen discutabeler credo bedenken dan dat. Want wat bedoel je dan precies met ‘geloof’, wat bedoel je met ‘God’, wat bedoel je met ‘de wetenschap’? Wat is de status van je ‘geloof’ in de wetenschap? En bovenal: waarom zou dat eerste, het godsgeloof, in tegenspraak zijn met het tweede, het ‘geloof’ in de wetenschap? Zelf zou ik eerder zeggen; ik kan in de wetenschap geloven omdat ik in God geloof – met andere woorden; omdat ik geloof dat er één ordenend principe is dat wij God hebben leren noemen, dat ons mensen behept heeft met een redelijk kenvermogen, kan ik geloven dat wij in staat zijn om de geschapen werkelijkheid zoals wij die aantreffen te onderzoeken en binnen de grenzen van ons vermogen te begrijpen, en dat die hele vaak moeizame onderneming nog zin heeft bovendien. Dat rare moderne geloof in de wetenschap miskent niet op de eerste plaats de monotheïstische religie, het miskent vooral de wetenschap. Als ik een neurowetenschapper was die serieus onderzoek deed naar chemische processen in het brein, zou ik me uiterst ongemakkelijk voelen bij al die devote volgelingen die in mijn bescheiden onderzoekjes de Alfa en de Omega van het universum menen te kunnen ontwaren.

De hele grap van dit devote sciëntisme wordt in die ene zin van Paul Witteman samengevat. Niks mag in dit uiterst schimmige geloof aanspraak maken op een speciale positie, alles wat bijzonder is moet daarom voorgesteld worden als volstrekt ‘normaal’ of ‘logisch’ (wat in de geloofstaal van de sciëntist synoniem is aan ‘irrelevant’, ‘onzinnig’, ‘niet terzake doende’): liefde is ‘maar’ een chemische aangelegenheid, religie is ‘maar’ een sociaal-evolutionair hulpmiddeltje, schoonheid is ‘maar’ een voor ons functioneren nuttige zinsbegoocheling, en – terug naar Witteman – muziek is ‘maar’ een “kunstvorm als alle andere”, die “toevallig” door “chemische processen” wat heftigere gemoedsbewegingen teweeg brengt. Hoe kan het dat een man die de taal zo goed beheerst zo weinig poëtisch is? Hoe kan het dat een man die zo veel van muziek houdt, een zo a-muzikale werkelijkheidsbeleving kent?

Ik moet nu denken aan die prachtige passage uit Herman Finkers’ meesterwerk Na de pauze, waarin hij vertelt over de dogma’s waarmee hij vroeger op school werd doodgegooid, zoals “een boom is in wezen niets meer dan een zuurstoffabriek”. “Die zuurstoffabriek benauwde mij”, zegt Finkers dan, “en verstikte alle poëzie.” Als vervolgens de kapelaan op school komt vertellen over katholieke geloofswaarheden haalt Finkers opgelucht adem.

“De kapelaan barstte van de verhalen met ruimte. Zo zei hij: God is het begin van alles. Voor God was er niets. En Maria is zijn moeder.”

Voor de die-hard sciëntist zijn dergelijke mysteries betekenisloze formules, niet omdat hij er te rationeel voor is, maar omdat hij er te weinig rationeel voor is. Zijn rationaliteit kent louter nog wiskundesommen en laboratoriumproeven, en geen gedichten meer of oratoria, geen verbeelding, geen rite, geen verhaal, of andere dingen die ons tot redelijke wezens maken.

Het interessante aan het Eeuwigh gaat voor Oogenblick-interview, is dat Paul Witteman die dingen wél kent. Hij is geen die-hard sciëntist, daar is hij te verstandig en beschaafd voor. Ik zeg niet dat Witteman “dus” “eigenlijk” een gelovige is die het niet wil toegeven. Inderdaad is dat een onhebbelijkheid die een bepaald type gelovigen heeft; om niet-gelovigen voortdurend op verkapt geloof te willen betrappen (en mede-gelovigen niet zelden ook op verkapt ongeloof). Witteman is daar bij Bodar duidelijk ook beducht voor. Ten onrechte, Bodar wil hem niet ontmaskeren als pseudo-katholiek, hij laat hem juist alle ruimte in het gesprek. Maar vanwege die onterechte beduchtheid wringt Witteman zich in allerlei vreemde bochten om maar te laten zien dat er werkelijk geen enkele noodzakelijk religieuze dimensie zit in de muziek van bijvoorbeeld Bach waar hij zo van houdt. En daarmee doet hij toch echt op de eerste plaats die muziek tekort. Met zijn visie dat Bach net zulke mooie muziek had geschreven (maar dan op andere teksten) wanneer hij geen christen was, beledigt hij Bach op de wijze waarop een pasgetrouwde man zijn vrouw beledigt wanneer hij tegen haar zegt: “Ik heb wel ‘ja’ tegen je gezegd aan het altaar, maar als ik aan de andere kant van de wereld was geboren was ik nu waarschijnlijk net zo gelukkig met een heel andere vrouw.” Voortdurend maar zeggen dat alles ook anders had kunnen zijn, is de eerste en ergste miskenning van hoe de dingen feitelijk zijn.

En ik kan nog wel iets preciezer zijn over waar die miskenning in dit geval dan in schuilt. Lees het tweede deel van Wittemans ontwijkende kronkelzin nog eens. Hij preciseert zijn formulering dat muziek directer “naar het hart” gaat, want dat is natuurlijk ‘maar’ een metafoor, en metaforen behoren tot de ruimere logica van de poëzie en muzikaliteit en niet tot de smallere logica van het sciëntisme waar hij zich hier zo nodeloos achter schuilhoudt. Hij bedoelt natuurlijk ‘het gevoel’. Het gevoel. Verderop in het interview heeft hij het nog over het hele palet van emoties die je in klassieke muziek aantreft… En dat is natuurlijk allemaal mooi en waar, maar wat nu net zo opvalt aan religieuze klassieke muziek, is dat het méér dan louter het spectrum van onze emoties aanboort. Het bespeelt diepere registers. Dat is ooit mooi uitgedrukt door Thomas Merton, die zijn ervaring beschreef toen hij, net ingetreden bij een sober Amerikaans trappistenklooster, in aanraking kwam met de liturgische muziek daar; het verstilde getijdengebed dat het hart vormt van alle kerkmuziek:

“(…) de koude stenen van de abdij weerklinken van een zang die gloeit van een levende vlam, van een zuiver, diep verlangen. Het is een strenge, verheven warmte, de warmte van de Gregoriaanse zang. Het ligt diep onder de gewone ontroering en dat is een van de redenen, waarom je er nooit genoeg van krijgt. Het put je nooit uit door goedkope gevoeligheden in je op te wekken. In plaats van je naar buiten te lokken in het open veld van de gevoelens, waar je vijanden, de duivel en je eigen verbeelding en de aangeboren vulgariteit van je gevallen natuur je onder het mes kunnen krijgen om je in stukken te snijden, trekt het je naar binnen, waar je in vrede en inkeer God vindt.”
Thomas Merton, Louteringsberg, deel 3, hoofdstuk IV, par.3.

Een laag diep onder de gewone ontroering, diep onder de emoties… Iedereen die ooit in een intiem gebed of liturgische viering een dergelijke sacraliteit heeft ervaren, weet dat die inderdaad niet tot één van de emoties te herleiden is. Het voelt als ontroering, als vreugde, als verdriet, als alles tegelijk en niets van dat alles, het is geen groots en spectaculair alleluja, geen mystieke roes, geen bewustzijnsverruiming of -vernauwing, geen orkestraal slotakkoord à la Händel, maar meer een grondtoon waarin je mee mag trillen, de basstem van God die jou uitspreekt als een woord, dat ene woord dat jou weer heel maakt.

Dat register heeft altijd meegeklonken in de religieuze muziek, al zijn er door de eeuwen heen voldoende pogingen geweest om het te smoren in de krokodillentranen van de valse emoties. Maar dwars door die emoties brak de sacraliteit toch steeds opnieuw weer door. Soms zelfs heel direct, bijvoorbeeld in het latere werk van Franz Liszt, waarin de eeuwenoude monnikenzang de romantische tierelantijnen verjoeg – zijn schoonzoon en rasromanticus Richard Wagner meende dat hij krankjorum geworden was. Zelf houd ik het erop dat hij die binnenruimte ontdekte waar ook Merton over schreef, die misschien wel dezelfde ruimte is als die waar Finkers het over had, de ruimte waarin een meer omvattende, meer muzikale, lucht gevende logica geldt.

Ik weet niet, en het benieuwt mij, hoe een verstandige en beschaafde atheïst als Paul Witteman deze sacraliteit zou duiden. Als toch ‘maar’ een emotie, zij het een wat meer verheven of verfijnde emotie? Als chemische hersenspinsels? Ik weet niet, en het benieuwt mij, of hij ook ‘seculiere’ vindplaatsen van een dergelijk dieper register kan aanwijzen. Ik ken ze niet, en wil in alle bescheidenheid en redelijkheid de hypothese naar voren schuiven dat hier toch een echt een innige relatie met God voor nodig is.

Ik hoor Witteman al zeggen dat de bewijslast bij mij ligt – het zij zo. Ik ben niet zo van de goede voornemens aan het begin van het nieuwe jaar; maar aan wie de moeite heeft genomen om dit hele schaamteloos trage artikel te lezen, wil ik best mijn voornemen kenbaar maken om over dit diepere register van het sacrale een boek te gaan schrijven. Deo volente.

Gerelateerde artikelen:

12 gedachten over “Een ander register

  1. Een voor mij zeer herkenbaar en invoelbaar geschreven artikel, zeker daar waar over God gesproken als ” de grondtoon, de basstem” die voorafgaat aan alle emoties. Het Gregoriaans kan drager zijn van deze ervaringen, evenals ander vormen van (religieuze) muziek die de deur naar het (M)mysterie open houdt.

  2. Fijn schaamteloos traag artikel. ‘k Heb op tweede kerstdag met interesse en verwondering naar het gesprek tussen Bodar en Witteman gekeken. Een goed 2012 gewenst met nog meer trage én snelle artikelen.

  3. Zoals gewoonlijk weer een mooi stuk Anton; zo goed dat je die zin van Paul Witteman ‘hoorde’: “als je luistert naar elkaar, dan hoor je zoveel meer”.

    Wetenschap is pas waardevol, als ze ten dienste staat van de mensheid of als ze vorm geeft aan het goede. Wetenschap kan ook triviaal zijn, of nog erger, kennis kan ook gebruikt worden om mensen te belazeren of te schaden. En kennis wordt maar al te vaak ook gebruikt op een egoïstische manier: medicijnen, niet om armen van hun kwalen te verlossen, maar om er rijk van te worden.

    Dus wat heb je nu eigenlijk aan 2 + 2 = 4, of e = mc2, als het niet in dienst staat van “irrationele” en niet mathematisch sluitende grootheden als: “bemin je naast als jezelf”, “het smaakt hemels”, “wat is dit onsterfelijk mooi”, of “geluk”.

    Hoe kan het dat een man, als Paul Witteman, die zó geraakt wordt door het ‘verhevene’ en ik denk zelfs ook door het ‘goede’, zo bang is om beiden te erkennen? Is hij te veel kind van zijn eigen generatie en daarmee het slachtoffer van de eigen sceptische spot? ‘Geloven hoort niet’ in die kringen. Je ‘het geloof’ toestaan, is je vrijwillig tot die schlemielige karikatuur maken, die je nou net zelf zo zorgvuldig hebt helpen construeren.

    Anton je zegt “ik zeg niet dat Witteman dus eigenlijk een gelovige is die het niet wil toegeven.” Maar toch kan ik me, niet helemaal aan de indruk onttrekken, dat Witteman, als hij zichzelf maar een heel klein beetje ruimte zou toestaan, een persoon zou kunnen worden, waarmee hij vermoedelijk zelf meer ingenomen zou zijn, dan hem nu lief is. Niet zozeer, omdat Witteman eigenlijk “gelovig” is en het niet durft toe te geven, maar omdat het randje tussen gelovig zijn en niet gelovig zijn, voor alle mensen die zelf nadenken, soms maar flinterdun is. Geloven is maar zelden een ‘besluit’ dat je neemt, zoals dat in de rationele wereld gaat, maar vaker zaak van, zoals Gerard Reve zei, “beslissende ontroering”; en sta je jezelf die ontroering toe of niet? De flinterdunne lijn, kan een onneembare barrière blijken.

    Punt is volgens mij, al mogen we dat inderdaad niet hardop zeggen, maar alleen heimelijk denken, dat Paul Witteman dat moment van de beslissende ontroering al wel eens heeft ervaren, maar óf hij is als de dood om zijn hart te volgen (tegen zijn verstand in), óf zijn geloof in de rationele logica is toch groter dan zijn geloof in de schoonheid en de liefde (ook al zal die rationaliteit nooit meer opleveren dan een kille en kale en berekenbare werkelijkheid, die muziek en goedheid en schoonheid gedoogt, maar niet ál te serieus kan nemen).

    Rationaliteit biedt tenminste nog enig houvast in het leven: “evenveel mannen als vrouwen” is, als succes meetbaar en als doel te overzien, maar “het geluk van mannen en vrouwen” zoals de liefde nastreeft, strijdt met heel veel maatschappelijke en wetenschappelijke ‘zekerheden’.

    De kunstenaar van Reve schilderde overdag voor het bestel abstract, en ’s avonds in het geheim figuratief. Zo is Paul Witteman voor het bestel een overtuigt rationalist, en ’s avonds in het geheim een beetje katholiek, máar … wel meer dan hem lief is en alleen toevallig en alleen chemisch en slechts ‘van huis uit’ en de VARA hoeft zich écht geen zorgen te maken.

    Het idee alleen al …

  4. Wat een fijn stuk Anton, dankjewel. Ik heb het interview (nog) niet gezien, maar kan me het ongemak goed voorstellen.

    Ikzelf heb de kerst doorgebracht in een Duitse yoga ashram, waar ik een soortgelijke ‘grondtoon’ ervaring had. Men beoefent er bhakti yoga, een vorm van yoga waarbij de lichamelijke oefeningen vooral dienen om het lichaam gezond en sterk te houden, zodat het rustig kan zijn en stil kan zitten. Dat alles zorgt ervoor dat er ruimte ontstaat voor meditatie. Naast oefeningen en meditatie worden er dagelijks ook mantra’s gezongen. Devotionele teksten die bedoeld zijn om de connectie met het hart, het goddelijke te maken. Want dat is wat muziek en zingen met je doet. Iedereen die wel eens oprecht heeft meegezongen met een groep – in een kerk, of waar dan ook – zal snappen wat we hiermee bedoelen.

    Ook de bhakti yogi’s keren naar binnen om de ruimte te betreden achter of onder het toevallige en externe. De toevallige emoties en de gedachten (het valse sentiment) die daarmee gepaard gaan. Want daaronder bevindt zich een intuitief weten, een ‘onmiddelijk’ weten, die niet afhankelijk is van mijn persoonlijke omstandigheden en die mij verbindt met alle mensen en niet alleen mijn goede vrienden. Ze wijzen het externe niet af, maar erkennen dat we onszelf tekort doen door ons er mee identificeren en ons hele bestaan er vanaf te laten hangen. Juist omdat het maar een beperkte verzameling toevalligheden is. Ik, Kitty, die toevallig in Nederland is geboren, hoger opgeleid is, van geitenkaas houdt en niet van Frans Bauer.

    Een publiek figuur wil zichzelf en zijn zorgvuldig opgebouwde imago beschermen en vervalt maar al te makkelijk in uitspraken waar de massa lekker makkelijk mee kan instemmen. Kijk, dit geloof ik, dit ben ik, en dat blijf ik. Paul Witteman is een representant van de hoger opgeleide en linkse Nederlander en tot op zekere hoogte is zijn ‘succes’ ingebed in die specifieke en toevallige identiteit. Ik vermoed dat dat meespeelt wanneer hij zich moet uitlaten over zaken die voorbij die linkse consensus gaan en waarmee het minder makkelijk scoren is. Ik herinner me nog goed de grappen rondom Ferry Mingelen, nadat hij terugkwam van Santio de Compostela….

    Die grondtoon waar jij het over hebt, is nu eenmaal niet zo grijpbaar en makkelijk te benoemen.
    Dat jij je verexcuseert voor de traagheid van je blog is in dat opzicht veelbetekenend en dat zul je niet voor niets hebben gedaan. Het kost moed dit soort dingen te schrijven. Je weet ook dat het concentratie en tijd kost om het te lezen, echt te lezen en dat niet veel mensen dat zullen doen. Net zoals het ook concentratie en tijd kost om naar binnen te keren en in contact te komen met die grondtoon.

    Mij kost het tijd en concentratie om deze reactie te typen, en moed, want wat zullen katholieke lezers wel niet denken van de woorden ‘yoga’, ‘ashram’? In die zin kan ik Witteman bijna wel begrijpen, hoe jammer ik het ook vind. Wat hij werkelijk voelt en denkt kunnen we eigenlijk niet weten. Of ‘weten’ we het eigenlijk wel?

  5. Beste Anton, alles wat je zegt is juist opgemerkt en ook.zo door mij beleefd. Ik wil er echter aan toevoegen dat ik zo zielsveel medelijden kreeg met Witteman. Op mij kwam het over alsof hij zijn cynisme echt nodig had om een wereldbeeld te kunnen vasthouden. Ingeklampt tussen een atheisme, wat hij niet ten volste kan ondersteunen omdat hij de vruchten der religie durft te beamen maar niet durft uit te spreken, en een een overgave aan het geloof – bevindt hij zich in een dal der tranen waar hij niet uitkomt. Het trof me echt.

  6. Anton, je schrijft “Ik hoor Witteman al zeggen dat de bewijslast bij mij ligt – het zij zo.”

    Waarom zou de bewijslast bij jou liggen? Waarom zou Paul Witteman en ieder ander atheïst niet moeten bewijzen dat het, vanuit de evolutheorie gezien, het logisch is dat wij van J.S. Bach kunnen genieten? Welk voordeel van “survival of the fittest” hebben wij daarbij?

  7. Toch gaat dit allemaal nog op en nette en leuke manier,maar hebben jullie toevallig de beide columnisten van Trouw gevolgd afgelopen tijd? Suurmond en Keizer. aanrader:laatste van Suurmond:De mens is meer dan een herkouwende koe;messcherp!

  8. Om wetenschap te bedrijven moet men een aantal zaken voor waar aannemen. Bijv: dat de werkelijkheid rationeel is, dat er zoiets bestaat als een autonome waarnemer en dat de vrije wil bestaat. Deze drie dingen zijn onbewijsbaar, die moet je geloven.
    Zonder geloof is wetenschap dan ook onmogelijk.

  9. Pingback:Muzikale monogamie | Anton de Wit

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *