Een kleine theologie van het sprookjeshuwelijk

Ik was gevraagd te speechen op de bruiloft van mijn broer. Tijdens het diner, een kort woordje tot het kersverse bruidspaar. Ik nam me voor niets op papier te zetten, niet eens een paar steekwoorden – dan kon mijn woordje spontaan, kort en bescheiden blijven. Ik kon het echter niet laten van tevoren nog even door mijn filosofische en theologische boekenkast te snuffelen, op zoek naar wat mooie inzichten over het huwelijk om achter de hand te houden. “Vondel zei, dat de huwelijksliefde het dichtst Gods liefde benadert.” Dat werk. Klinkt eigenlijk helemaal niet zo bescheiden, dat gekoketteer met klassiekers, en ook helemaal niet spontaan. Ik heb dat citaat gelukkig niet gebruikt, noch enig ander citaat. Vondel ontschoot me volledig, goddank.

Sowieso viel me op, hoe weinig ik vond over het huwelijk in die theologische en filosofische boekenkast van mij. (Terwijl die, nu niet om op te scheppen, toch alleszins redelijk bemeten is.) Niet eens zozeer kwantitatief, maar vooral kwalitatief; het niveau van de geestelijke lectuur over huwelijk en gezin viel me bar tegen. Zelfs denkers die ik doorgaans hoogacht putten zich uit in wollig geneuzel, vermoeiende cliché’s, vroomheden en tegeltjeswijsheden, zodra ze over het huwelijk beginnen te schrijven.

Me tot mijn literaire boekenkast wenden bood ook geen soelaas; want gelukkige huwelijken leveren klaarblijkelijk nauwelijks goede literatuur op – en zeker in onze moderne letteren is het not done om zonder genadeloos cynisme over huwelijks- en gezinsgeluk te spreken.

‘Broedplaats van hypocrisie’

Anton van Duinkerken
Anton van Duinkerken (1903-1968), katholiek schrijver en dichter.

Dat constateerde Anton van Duinkerken trouwens reeds in 1941. Toen verscheen diens essaybundel Legende van den tijd, waarin een stevig en intrigerend essay over huwelijk en gezin is opgenomen (‘Normen van gezinsgeluk’ getiteld). In de romans en autobiografieën van zijn tijd, zo constateerde hij, werd het gezin steevast als “broedplaats van oneerlijkheid en hypocrisie” beschreven. Het is er sindsdien niet beter op geworden in onze Nederlandse letteren, die na de oorlog toch gedomineerd werd door eindeloos gejeremieer van verbitterde ex-gereformeerden over hun verstikkende jeugd. Maar ook de grote katholieken van de naoorlogse literatuur – Reve, Kellendonk – zwolgen in zwartgalligheid over het gezin (of in het beste geval in tragikomische melancholie – bij Bomans, naar mijn smaak en op zijn volstrekt eigen wijze de allergrootste katholieke schrijver van de naoorlogse literatuur).

Het genoemde boek van Van Duinkerken was eigenlijk het enige dat ik vond in mijn boekenkast dat me een beetje verder hielp in het nadenken over mijn huwelijksspeech. (Ik stipte het boek pas al aan in mijn column in Katholiek Nieuwsblad – maar net als een speech dient ook een column kort en bondig te zijn, vandaar dat ik me hier nu even lekker uitleef in een iets diepere analyse; ik verveel er geen hongerige bruiloftsgasten mee terwijl zij wachten op de volgende gang, noch kwel ik er betalende lezers mee – als het jou verveelt, wat doe je hier dan nog? Shoo, shoo, wegwezen dan, dikke doei!)

Puritanisme

Van Duinkerken fileert in zijn essay zowel de vrome cliché’s als het inktzwart cynisme over huwelijk en gezin. Niet alleen de modern-literaire visie is negatief over de mogelijkheid van huwelijks- en gezinsgeluk, maar ook de klassiek-theologische visie is dat geregeld, zo laat Van Duinkerken zien. De sporen van puritanisme (één van de demonen die het christendom doorheen zijn hele geschiedenis gekweld heeft) zijn steeds zichtbaar. Dat was al zo bij Augustinus, aan wie vaak de uitspraak is toegeschreven dat het huwelijk “een geoorloofde zonde” is – overigens ten onrechte; Van Duinkerken toont overtuigend aan dat dit citaat op slordig lezen berust. Maar het kwaad is hoe dan ook geschied, de toon gezet. In later eeuwen wordt het huwelijk ook wel geduid als remedium conscupiscentiae, “geneesmiddel der begeerte”, toch ook een weinig florissante visie. Zijn climax vindt dit puritanisme in het christelijk anarchisme van schrijvers als Berdjajev (die het christelijke gezin een principiële onmogelijkheid vond, een contradictio in terminis) en Tolstoj (die zelfs zo ver ging om kinderen “een straf voor de geslachtsdaad” te noemen). Het moderne cynisme van de literatoren komt zo bezien niet uit de lucht vallen; het kent een door en door puriteinse genealogie.

Sprookjeshuwelijk

Waar Van Duinkerken essayistisch – dat wil zeggen: tastend, meanderend, vaker tussen dan in de regels – naar op zoek lijkt te zijn, is een positieve, christelijke herwaardering van huwelijk en gezin. Dat was nodig, want laten we wel wezen: het katholicisme van zijn tijd had misschien wel meer dan ooit last van die puriteinse reflex, van bekrompenheid en krampachtigheid, en was allesbehalve resistent voor de Victoriaanse truttigheid die in de 19e eeuw in de mode was geraakt – ik heb het vaker gezegd; de tijd van ‘rijk en Rooms’ was in vele opzichten nogal armoedig. Van Duinkerken zocht een definitie van het huwelijk die niet afkerig was van lichamelijkheid en seksualiteit, die niet beknottend maar bevrijdend was (uitgaand van een positief vrijheidsbegrip), gebaseerd op een deugdethiek in plaats van een voorschriftenethiek.

Een sprookjeshuwelijk. (Tussen Oberon en Titania in dit geval, geschilderd door John Anster Fitzgerald.)
Een echt sprookjeshuwelijk. (Tussen Oberon en Titania in dit geval, geschilderd door John Anster Fitzgerald.)

Anders gezegd: Anton van Duinkerken zocht naar een herwaardering van het sprookjeshuwelijk. Die term kunnen wij al niet meer hanteren zonder postmoderne ironie, want helaas is het woord ‘sprookje’ synoniem geworden aan ‘illusoir’, ‘onmogelijk’, ‘onzinnig’. Echte sprookjes (ju, stokpaardje, ju!) zijn echter helemaal niet onrealistisch en zoetsappig; er komen ook gebroken gezinnen en ongelukkige huwelijken in voor, maar waarin ze wel verschillen van de moderne literatuur is dat ze in elk geval de mogelijkheid van een gelukkig gezin en huwelijk laten bestaan. En dat is helemaal zo gek niet, want ondanks alle verhalen van het tegendeel bestáán er ook inderdaad gelukkige huwelijken en gezinnen (voor zover we weten was Van Duinkerken, vader van een groot en gelukkig gezin, daar zelf een levend voorbeeld van). Van Duinkerken zelf zegt er dit over:

“Met berichten over gelukkige gezinnen worden wij dan verwezen naar een heidense sprookjeswereld. Het ideale huwelijk bestaat dan òf helemaal niet, òf uitsluitend in het geestelijke verkeer van een man en een vrouw, die zonder huwelijksvoltrekking zich in reine liefde aan elkanders vervolmaking wijden. De rest zou onbestaanbaar zijn als een idylle.

Nu wil de dichterlijkheid van het leven, dat er wel degelijk idyllen bestaan. Zij verzet zich ertegen, dat idyllen verzinken in het niet van de onmogelijkheid. Zij vraagt om de utopie. Zij bevestigt regelmatig de uitspraak van Aldous Huxley, dat utopieën er zijn om te worden gerealiseerd.

De gedachte verdedigen, dat gezinsgeluk iets meer is dan de onbereikbare droom van jongelieden, die zich aan een gevaarlijk avontuur wagen met alle kans om te verongelukken, lijkt mij een daad van voldoende optimisme om te waarborgen, dat het gezond verstand er niet vreemd aan kan zijn.”

Nogmaals: die idylle, dat sprookje, is allerminst zoetsappig, heeft weet van de weerbarstigheid van het leven, van de dingen die niet helemaal – of helemaal niet – volgens plan verlopen.

“Een langgerekt gezinsleven, waarin een aantal kinderen opgroeit, zal in het ongunstigste geval op een Ilias en in het gunstigste geval op een Odyssee lijken.”

(Wie zijn klassiekers niet kent: Homerus’ Odyssee is kort gezegd het verhaal van een avontuurlijke reis, diens Ilias het verhaal van een dramatische veldslag.)

Gezond gevoel

Drie dingen zijn volgens Van Duinkerken onmisbaar voor een goed huwelijk: gezond verstand, gezonde fantasie en gezond gevoel. Om met het laatste te beginnen: in onze irrationele tijden is het gevoel Koning Eenoog, “zo voel ik dat nu eenmaal”, “volg je gevoel”, enzovoort – maar Van Duinkerken bedoelt er nadrukkelijk iets anders mee. Hij schrijft:

“Er is meer tegen het geluk gezondigd door sentimentaliteit dan door gevoelloosheid. Het ware gevoel is datgene, waardoor een mens zichzelf vergeten kan ter wille van iets, dat hij als groter erkent dan zichzelf. Alle andere gevoel is vals gevoel. In deze zin is het huwelijk een zaak van het ware gevoel.”

Gezond verstand

Dat type waarachtig gevoel staat (anders dan de sentimentaliteit) niet op gespannen voet met de redelijkheid, in tegendeel, het sluit nauw aan op het gezonde verstand. Dat gezonde verstand verzet zich, aldus de schrijver, tegen modieuze luchthartige opvattingen over het huwelijk als een afspraak-voor-zo-lang-het-leuk-is. Het “onverbreekbare monogame huwelijk, aangegaan door verstandelijk gerijpte mensen met de wil en het verlangen, er trouw aan te blijven” is geen hoogdravend ideaal, geen onhaalbaar christelijk bedenksel, maar “een normale voorwaarde tot gezinsgeluk”.

“Bezwaren tegen deze norm kunnen overal uit voortkomen, maar niet uit het gezonde verstand. Het is een dwaling, te menen dat het monogame, slechts door de dood ontbindbare huwelijk, beantwoordt aan kerkelijke vooroordelen of voorschriften. Het beantwoordt aan de natuurlijke zedenwet, die door de Kerk weliswaar wordt gehandhaafd, maar niet door haar is uitgedacht.”

Gezonde fantasie

Veel uitvoeriger gaat hij echter in op het belang van een goede fantasie. Want:

“Het komt […] minder vaak voor, dat een gezin vernield wordt doordat het met onvoldoende gezond verstand werd gesticht, dan dat een gezin uiteenvalt doordat het de fantasie niet bevredigt. Het verstand wordt wellicht slecht opgevoed, maar het wordt opgevoed. Aan de opvoeding van de verbeelding wordt weinig tijd besteed.”

Hier keert Van Duinkerken zich tegen de frikkerige zedenmeesters die destijds de toon zetten in zijn eigen katholieke geloofsgemeenschap; de pastoors die vanaf de preekstoel waarschuwden tegen films en danspartijtjes, de censoren met hun codices van verboden lectuur. (“Er bestaat een wellust in het aanwijzen van zedelijke gevaren”, schreef Van Duinkerken profetisch; pater Wulfried is heus niet geheel uit de duim gezogen.)

Ik citeer Van Duinkerken nu even vrij uitvoerig, want dit vind ik een essentiële passage, waarvan ik elke zin wel zou willen onderstrepen en van uitroeptekens voorzien:

“Het grootste gevaar van de fantasie is niet, dat ze geprikkeld wordt, maar dat ze verdort. Veel fatsoen, dat zichzelf respecteert door op anderen af te geven, is het voortbrengsel van een dorre fantasie, die niet alleen de geslachtsdaad tot een lauwe verplichting maakt, maar ook de huwelijksliefde en het gezinsgeluk tot vage alledaagsheden ontluistert, waarin alle verrukking opgeofferd wordt aan de regelmaat en alle genegenheid wegkruipt achter de behoorlijkheid.

Het is beter, dat twee mensen hun huwelijk ingaan met fantastische illusies dan dat ze het ondernemen met fantasieloze verplichtingen. Het is beter, dat een man zich met zijn vrouw door avontuurlijke levensstormen heenwaagt dan dat hij vijftig jaar lang tevreden bij haar op theevisite blijft in de verwachting, dat stoof en leunstoel in het hiernamaals klaar staan om de genoten rust te vereeuwigen.

Dat laatste kan bitter tegenvallen. Het is niet mogelijk, in de hemel te geloven, indien men geen geloof in de heerlijkheid van het leven bezit. Dufheid en saaiheid zijn geen deugden, maar gebreken, ook in een gezin. Hun opvoedkundige waarde wordt overschat door brave mensen, die alleen maar braaf zijn, omdat iedere andere hoedanigheid meer moeite kost en groter moeilijkheden meebrengt. Wanneer zij bij gebrek aan fantasie hun eigen huwelijk niet verknoeien door bekrompenheid en ijdele zielloosheid, dan bederven ze de gelukskansen van jonge mensen, voor wie hun vervelende braafheid afschrikwekkend wordt. Meer dan de aantrekkelijkheid van sommige zonden werkt de afstotelijkheid van sommige schijndeugden het kwaad in de hand. Dit komt, omdat schijndeugden niet geboren zijn uit edelmoedigheid, zoals de ware deugd, maar uit angst voor ieder risico van het kwaad.”

Gezinssynode

Dit vind ik een wezenlijk inzicht, ook om iets te begrijpen van de ‘crisis van het gezin’, waar men zich in christelijke kring zorgen om maakt (en terecht, volgens mij; want het ís een probleem dat er over het huwelijk en het gezin vaak zo geringschattend wordt gedacht, dat er lacherig en cynisch over wordt gedaan; en ook domweg dat er zo ontstellend veel gebroken gezinnen bestaan). Rome heeft er zelfs een synode aan gewijd, die dit najaar haar apotheose zal bereiken; het zal niemand ontgaan zijn. (Wat veel mensen wel ontgaan zal zijn, is dat die synode ook daadwerkelijk over het gezin gaat, en niet over ijdele kardinalen die elkaar kerkrechtelijke vliegen proberen af te vangen, en via de media met modder gooien naar hun collega’s vanwege hun al te grote rekkelijkheid dan wel stelligheid omtrent de bekende hete hangijzers.)

Het imago van christelijk gezinsgeluk. Foto: Nationaal archief
Het imago van christelijk gezinsgeluk. Foto: Nationaal archief

De al te menselijke neiging bestaat om de genoemde hedendaagse crisis van huwelijk en gezin te wijten aan externe omstandigheden, niet zelden abstract en te groot om te begrijpen laat staan te keren; de ‘cultuur van relativisme’, de ‘genderideologie’, ‘secularisering’, enzovoort. Wat er ook van waar zij: misschien is de grootste bedreiging van het christelijke gezin wel steeds het christelijke gezin zélf geweest – of althans de puriteinse karikatuur die we er zelf van gemaakt hebben, met alle associaties die er nog steeds aan kleven voor het gros der mensen; beklemmende braafheid, landerige zondagen, tobberige ernst, de weeë geur van kapotgekookte spruitjes. Zoals ik in mijn KN-column ook al schreef: Als we de crisis willen keren, moeten we niet beginnen met preken over Genesis, de catechismus of de natuurwet van Thomas van Aquino, maar de ware romantiek van het huwelijk tonen – dat in de woorden van G.K. Chesterton “een duel op leven en dood” is, dat “geen enkel eervol man kan weigeren”.

Getuigenis

Dit alles heb ik natuurlijk niet gezegd tijdens mijn korte speech op de bruiloft van mijn broer en schoonzus. Ook Chesterton en Van Duinkerken ontschoten me volledig, goddank. Maar ik heb wel iets van de waarheid van deze woorden gezien op die bruiloft. Het was, in de beste betekenis, zonder kitsch of ironie, een sprookjeshuwelijk – en ik hoop en bid en verwacht dat het dat blijft; een liefdevol, onbreekbaar verbond, open en uitnodigend, vrolijk en kleurrijk. Aan gezond verstand, gezonde fantasie en gezond gevoel ontbreekt het hen in elk geval niet. Dat getuigenis is van onschatbare waarde in onze tijd. Dat heb ik wel gezegd tijdens mijn speech.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *