Een kleine theologie van het wandelen

Normaal gesproken is de binnenstad van Nijmegen op de vroege zondagochtend vrijwel uitgestorven. Vanochtend was er volop bedrijvigheid toen ik naar de vroege Mis ging. Podia werden opgebouwd, bierfusten aangesloten. Groepjes buitenlanders met zware rugtassen en stevige wandelschoenen stroomden uit de bussen, op zoek naar hun hotel. Nooit is deze stad zo rusteloos als op de vooravond van de Vierdaagse.

Wandelaars op de Waalbrug (Bron: WikiCommons)
Wandelaars op de Waalbrug (Bron: WikiCommons)

Ik moet eerlijk bekennen dat ik op zich weinig heb met dit evenement. Nijmegen is een stad naar mijn hart, ik woon er al weer vier jaar met veel plezier, maar de eigenaardigheden van de inboorlingen blijf ik toch met de verbazing van een verdwaalde ontdekkingsreiziger bekijken. Op de eerste dag loopt het parcours op een steenworp van mijn huis — ik woon vlakbij de bij de deelnemers beruchte Oosterhoutse Dijk — maar ik zal waarschijnlijk niet gaan kijken. Ook de Vierdaagsefeesten — ook berucht, maar dan vooral voor de niet-deelnemende toeschouwers die de ook heel inspannende taak op zich hebben genomen om de bierfusten te ledigen — zullen wel weer goeddeels aan me voorbij gaan.

“Komt nu eens zelf mee
naar een eenzame plaats om alleen te zijn
en rust daar wat uit.”

Ik ben geen groot liefhebber van massa-evenementen als deze. (Festivals dan weer wel, maar die zijn toch van een beduidend andere orde.) Ik vermoed dat mijn reserve iets te maken heeft met het feit dat het dorp waarin ik opgroeide eenmaal per jaar uitliep voor de wielerkoers. Vreselijk vond ik dat, want mijn wijk was dan vrij letterlijk afgesloten van de buitenwereld. Ook destijds liep het parcours vlak langs mijn huis. De straten werden met hekken afgezet, en als je het waagde om over te steken kreeg je vreselijk op je sodemieter van de een of andere heethoofdige vrijwilliger of toeschouwer. De facto zat je dus als een rat in de val, bruut afgesneden van je vriendjes en de speeltuinen en de andere lonkende paradijzen aan de overzijde van de straat. En allemaal omdat een stel idioten met geschoren benen en strakke pakjes op hun smalle fietsjes rondjes rond de kerk wilde sjezen. Het onrecht!

Nu snap ik best dat dit ook best gevaarlijke evenementen zijn — bij de Tour de France ben je als toeschouwer je leven immers ook niet zeker — maar de dranghekken ben ik hierdoor als symbolen van beknotting, betutteling en collectieve verdwazing gaan zien. En ik heb er een hartgrondige hekel aan wielrennen aan overgehouden.

Maar aan wandelen heb ik zeker geen hekel. Ik doe het zelf ook graag. Wandelen, zo heb ik ook in mijn boek Het mysterie betoogt, vraagt nu eenmaal om precies het juiste tempo: niet te snel, niet te langzaam. Het is een lichamelijk en geestelijk zeer evenwichtige bezigheid. Je hebt daarbij alle gelegenheid om de omgeving in je op te nemen, en wandelingen zijn ook altijd een goede bron voor spontane ontmoetingen. Let maar eens op: wandelaars kijken om zich heen en zullen je meestal aankijken en groeten wanneer je ze tegenkomt. Hardlopers en (die vermaledijde) wielrenners kijken strak voor zich uit, langs je heen, met de holle blik op oneindig.

Toen ik vanochtend uit de Mis kwam, besloot ik dan ook terug naar huis te lopen. De heenreis had ik met de bus afgelegd, het regende toen ik van huis vertrok. Maar nu was het opgeklaard en aangenaam van temperatuur. De eerste spontane ontmoeting vond al plaats toen ik nog maar net de kerk uitkwam. Een kleine Indonesische man met een zwarte paardenstaart en baseballpet sprak me aan. Hij stelde zich voor als Glen. Ook hij was net bij de Mis geweest.

“Jammer dat er maar zo weinig mensen in de kerk waren hè?”, begon hij. Ik vertelde hem dat de meeste mensen waarschijnlijk naar de Vierdaagsemis van half 11 zouden gaan in plaats van naar de vroege Mis. We kuierden gezamenlijk langs de net opgebouwde podia en buitenbars. Glen hield een lange monoloog over Jezus en Maria en de Kerk, en over hoe weinig mensen er nog in Jezus en Maria en de Kerk geloofden. Hij ging zich hier in Nijmegen in de menigte mengen om mensen het blijde nieuws te vertellen dat Jezus voor hun zonden aan het kruis gestorven is. Mensen werden vaak boos op hem als hij dat zei, vertelde hij.

“Vind je dat gek, Glen?”, vroeg ik. “Mensen begrijpen toch ook gewoon niet wat je daarmee bedoelt?”

“Precies! Precies!”, riep hij enthousiast uit. “En daarom moeten de mensen naar de kerk komen!”

Ik glimlachte en besloot hem niet meer te onderbreken. We kuierden verder, en ik liet hem het tempo en het gesprek bepalen. Af en toe pauzeerde hij om uit zijn zak een plaatje tevoorschijn te halen: een beduimelde ansichtkaart waarop Jezus als hologram stond afgebeeld. “Kijk!”, zei hij steeds stralend, en telkens tikte hij er met zijn vingers op alsof hij het plaatje voor het eerst liet zien. Flarden uit de schriftlezingen van vanochtend schoten me onwillekeurig weer te binnen.

“Uit al de steden kwamen mensen te voet daarheen
en ze waren er nog eerder dan zij.
Toen Jezus aan land ging
zag Hij dan ook een grote menigte.
Hij voelde medelijden met hen,
want zij waren als schapen zonder herder;
en Hij begon hen uitvoerig te onderrichten.”

Op de Waalkade namen Glen en ik hartelijk afscheid van elkaar. Hij liep terug richting binnenstad, waarschijnlijk om eindeloos rondjes te lopen in de menigte om mensen te bekeren. Ook in zijn geest wandelt deze man maar kleine rondjes, vrees ik. Maar hij wandelt toch, met zijn gulle glimlach, zonder iemand echt tot last te zijn. En hij verdwaalt niet, hij vertrouwt op zijn herder, of toch tenminste het hologram van zijn herder. Ik wandelde richting de Waalbrug, om mijn weg naar huis te vervolgen. Op deze brug begon Het mysterie. Net als tijdens de wandeling die ik in dat boek beschreven heb kwam ik talloze in zichzelf gekeerde hardlopers tegen. En net als toen stonden de kermisattracties op de kade opgesteld.

Ik heb niets met de Vierdaagse, maar dit evenement is toch wezenlijk anders dan de wielerkoers in het dorp uit het mijn jeugd. Want hier wandelt men. Net als Glen bepalen deze wandelaars het tempo en het gesprek, en tegelijkertijd zijn zij niemand echt tot last. Want een weg waarop gewandeld wordt kun je wel degelijk zonder gevaar voor eigen leven oversteken. Te voet, dat wel, maar dat zei ik al: de wandelaars bepalen het tempo. Maar zij dwingen niet, zij geven geen aanstoot, geen hinder. Wandelen sluit de straten dus niet hermetisch af, en het sluit de geest ook niet hermetisch af. Sterker nog, wandelen opent de geest.

Geen wonder dat wandelen zo belangrijk is in het christendom — van de voettochten van de apostelen tot aan de ommegangen en populaire pelgrimages van vandaag. En het christendom blijkt ook belangrijk voor de wandelaars van de Vierdaagse, hoe werelds het evenement verder ook mag zijn. Kijk maar eens naar de officiële kaarten van het parcours. Dit zijn zeer basale routekaarten die slechts de essentiële informatie voor de wandelaars zelf bevatten, zoals de waterpunten, EHBO-posten en wc’s. Opmerkelijk genoeg staan óók de kerken op deze kaarten aangegeven…

Mijn wandeling over de Waalbrug was een klein en bescheiden eerbetoon aan alle wandelaars die deze week de Vierdaagse lopen. Niets is zo heerlijk als wandelen over deze brug. Machtig slingert de Waal — zonder twijfel de mooiste rivier van Nederland — onder je voeten door, de stevige stroom weekt alle rusteloze gedachten los uit je hoofd en voert ze mee naar de zee. Bijna vijftigduizend mensen zullen aanstaande dinsdag over deze brug wandelen aan de start van de Nijmeegse Vierdaagse, vijftigduizend mensen die over water lopen, louterend, dopend Waalwater. Glen hoeft niemand te bekeren in de menigte van Vierdaagsewandelaars. Zolang zij wandelen zijn zij steeds in de juiste richting gekeerd.

2 gedachten over “Een kleine theologie van het wandelen

  1. Ah, jij had mijn sportieve blogje al gevonden, zie ik 🙂 Dat van jou is ook leuk te lezen en ik krijg er al zin in vakantie door! Mijn vriend en ik gaan namelijk in augustus enkele stukken van het Pelgrimspad (LAW 7-2) wandelen. Dat zal een stuk rustiger zijn dan de Nijmeegse vierdaagse (bovendien lopen we niet zo ver per dag). Nu bij het ‘proefwandelen’ merken we al dat je veel meer ziet, hoort en ruikt als je wandelt dan wanneer je fietst (of autorijdt, maar dat doet ik niet zo vaak). Een vakantie om naar uit te zien! Ook naar de ontmoetingen, aangezien we gaan overnachten bij mensen van Vrienden op de (sorry …) fiets 🙂

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *