Fatsoenlijk carnaval

Brabantse carnavalsorganisaties brengen een folder uit om mensen ‘van buiten’ enkele elementaire fatsoensnormen bij te brengen. Geen ongewenste intimiteiten, geen bandeloze slemppartijen, en natuurlijk het aller-, allerbelangrijkste: geen ‘alaaf’ zeggen – alsjeblieft zeg, dat zeggen ze in Limburg, een rechtgeaarde Brabander krijgt dat niet uit z’n strot. De folders liggen bij VVV’s – want elk jaar lokt het bourgondische volksfeest weer busladingen vol noorderlingen de Moerdijk over – maar ook bij asielzoekerscentra.

Die noorderlingen komen al decennia, dus het is de folderaars natuurlijk eigenlijk om de asielzoekers te doen. Men vreest Keulse toestanden. Wilderiaanse testosteronbommen die solliciteren naar een pepperspraydouche. Een extra risico nu vrouwelijke carnavalsuitdossingen, zo las ik in de krant, onder invloed van het Amerikaanse Halloweenfeest steeds pikanter worden. Vrouwen gaan verkleed als ‘sexy verpleegster’, ‘sexy Darth Vader’, ja zelfs als ‘sexy non’. Dat komt dan weer wel door de noorderlingen en de Limburgers, want een rechtgeaarde Brabander gaat überhaupt niet ‘als iets’ verkleed. Die draagt een boerenkiel.

Zelf denk ik dat het carnavalsfeest meer van autochtonen dan van allochtonen te vrezen heeft. Wie net uit Syrië of Afghanistan in Nederland is beland, zal het een volkomen exotisch feest vinden, vol bizarre gebruiken en vreemde regels. Zoiets sla je verwonderd gade, positief of negatief, maar hoe dan ook van gepaste afstand. Veel problematischer is het, wanneer je subtiele cultuurverschillen bagatelliseert, en dénkt die gebruiken en regels te snappen, zoals de noordse carnavalstoerist doet. Dan krijg je ordinaire skihuttaferelen, slemppartijen, gegraai onder strakke mini-nonnenpijen, en het aller-, allerergste: alaaf-geroep in polonaise.

‘Couleur locale’

Maar nee, ook de noorderlingen moeten we niet te snel de schuld geven. Noem het de verbitterde mijmeringen van een Brabander in zelfgekozen ballingschap, maar ik denk dat Brabant de malaise van het carnaval toch voornamelijk aan zichzelf te wijten heeft. Het feest heeft de laatste decennia al enorm aan verfijning en ‘couleur locale’ verloren, die lokale kleuren zijn al vermengd tot een grauwe provinciale (en zelfs nationale en internationale) brij. (Grosso modo hè, er zijn ongetwijfeld genoeg plaatsen waar wél nog altijd fatsoenlijk carnaval wordt gevierd.)

De kern van het probleem, in mijn optiek, is dat velen vergeten zijn dat het een religieus feest is. Geen kerkelijk feest – zeker niet; het kerkelijk instituut heeft het er altijd om begrijpelijke redenen moeilijk mee gehad, niet in de laatste plaats omdat de carnavalsvierder van oudsher ook het kerkelijk gezag nadrukkelijk op de korrel nam. Maar zelfs dat is in wezen een religieuze daad. Want wie God vóór alles wil plaatsen, durft al het andere (inclusief zijn eigen godsdienst) van tijd tot tijd te relativeren, erom te lachen – niet om het overboord te gooien maar om het z’n juiste plaats te geven.

Religieus reliëf

Carnaval doet van oudsher precies dat. Maatschappelijke rangen en standen worden op z’n kop gezet, werelds en kerkelijk gezag moeten even zwijgen, de zotheid houdt alles en iedereen een spiegel voor. De timing van het feest is veelbetekenend: het is de uitgelatenheid vóór het vasten, zoals Pasen de uitgelatenheid ná het vasten is, of beter gezegd: de vreugde die gesublimeerd is door de vastentijd, de tijd van inkeer, boetedoening, versterving. Drie dagen lawaai, als voorafschaduwing van de drie dagen stilte voor Jezus’ wederopstanding – een gebeurtenis die evenzeer al het vertrouwde op z’n kop zet. Pas in de context van het paasmysterie krijgt het carnavalsfeest z’n eigenlijke, religieuze reliëf.

En laten we wel wezen: heel veel mensen zijn die inbedding vergeten. Er zijn nog genoeg puristen die bereid zijn je te corrigeren als je over ‘carnaval’ spreekt – tù-tù, de rechtgeaarde Brabander spreekt van ‘vastenavond’ – maar hoeveel van de puristen zijn ook nog altijd bereid om na die avond ook daadwerkelijk te vasten? Hoe veel van hen gaan op de woensdag na het feest nog naar de kerk, om aan hun stoffelijkheid en nietigheid herinnerd te worden via een askruisje op hun voorhoofd?

Zonder dat verwordt het feest tot ijdele joligheid, tot plat vermaak, dat uiteindelijk inderdaad niets meer van culturele subtiliteiten en elementaire omgangsvormen weten wil. Daar helpen geen folders over fatsoensnormen aan.

> Onder meer over dit onderwerp praat ik vanavond ook in het KRO/NCRV-programma Zin in weekend!, tussen 18.00 en 19.00 uur op Radio 5. (Rubriek: De Beschouwers.)

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *