Gepieker op een lege kerkbank

Zouden de kerkbanken vandaag de dag nog vol zitten als de katholieke Kerk de afgelopen vijftig jaar de traditionele liturgie niet aan de kant had gezet, het godsdienstonderwijs niet uit handen had gegeven, en ook gevestigde gebruiken als de biecht niet had laten verslonzen? Die intrigerende suggestie wordt gewekt in een lezenswaardige opiniebijdrage in de Volkskrant gisteren, van Olaf van Boetzelaer. Met veel van zijn observaties ben ik het van harte eens, maar toch lijkt de achterliggende analyse me erg eenzijdig.

Om mijn eigen positie in enkele grove streken te schetsen: ik ben een kind van die armzalige catechese en de “liturgische schipbreuk” die Van Boetzelaer zo treffend beschrijft. Ik ben van ’79, groeide op in een katholieke omgeving in de jaren ’80. Een laatste zweem van een herinnering aan het zogenaamde Rijke Roomse Leven hing er nog wel in onze plaatselijke parochie, en als kind sprak de mystiek die daarin vervat is mij zeer aan. Ik hield van de geur van wierook, van het mysterieuze Latijn – maar die dingen waren een zeldzaamheid. Vaker dan plechtig en tijdloos was de liturgie saai, braaf, niksig, ‘eigentijds’ (het woord alleen al doet vreselijk gedateerd aan). Hetzelfde geldt voor het geloofsonderricht dat ik op school en via de parochie genoot: ik herinner mij slechts flarden van sterk verwaterde geloofsverhalen, Kinderen-voor-Kinderen-moralisme (lief zijn voor elkaar, vrede op aarde, jadiejadiejaa) en flauwe kleurplaten en knutselwerkjes uit tenenkrommende evangelische kinderboeken. Dit slappe geloof vervloog bij het eerste zuchtje puberale tegenwind, en het was pas toen ik als adolescent het katholicisme herontdekte dat voor mij de rijke schatkamers van de traditie geopend werden, met theologische, filosofische, culturele en liturgische diepten die ik als kind hooguit intuïtief vermoed had, maar waar ik nauwelijks mee in aanraking was gebracht. Ja, ik heb dat als een gemis ervaren, en ondervind nog steeds wel eens hinder van hiaten in kennis en ervaring. Ja, ik heb me er vaak genoeg boos over gemaakt als ik besefte hoeveel de generatie van de jaren ’60 en ’70 schijnbaar achteloos overboord heeft gekieperd. En ja, ik ben het daarom ook helemaal met Van Boetzelaer eens dat we opnieuw werk moeten maken van gedegen geloofsonderricht, zonder de ‘moeilijke’ kanten als hel en zonde te verdonkeremanen, en ook ik geloof daarbij vast dat de herontdekking en cultivatie van de mystieke, sacrale kanten van de katholieke traditie de redding zal zijn voor de Kerk in onze streken.

Maar de situatie is in mijn optiek toch wat minder overzichtelijk als Van Boetzelaer het doet voorkomen. Volgens hem begon alle ellende bij het Tweede Vaticaanse Concilie. Hij schrijft:

Bijna vanaf het moment dat Paus Johannes XXIII het te houden Tweede Vaticaanse Concilie aankondigde – hij wilde een bij de tijd brengen van de Kerk – kwam een stroom ‘modernistische’ theologische publicaties op gang. In de kern handelt het zich om een sterk ‘horizontalistische’, op progressieve sociale actie gerichte oriëntatie, met een gelijktijdige sterke relativering van de ‘verticale’, dus op God en het bovennatuurlijke gerichte geloofspunten en dogma’s.

Die eerste bewering lijkt mij feitelijk onjuist: die stroom van (ook wel erg generaliserend geduide) ‘modernistische’ publicaties was allang op gang, al decennia vóór het concilie. Vaticanum II was als gebeurtenis misschien een verrassing voor velen, maar kwam theologisch gezien niet uit de lucht vallen. Maar in een bredere zin mankeert er iets aan de lijnen van causaliteit die in dit artikel met een wel erg dikke viltstift getrokken worden. Het grote verhaal luidt hier: het concilie opende de deuren voor de wereld, en dús verloor de Kerk haar eigenheid, en dús ontstond er een grote leegloop. Of, zoals Van Boetzelaer zegt:

Sedert het zogenaamde ‘afschaffen van het Latijn’ en de introductie van de hervormde mistekst in 1966, de zogenaamde ‘Ordo Novus’, is men massaal weggebleven.

Die analyse is ronduit simplistisch, de gesuggereerde oorzakelijkheid op z’n zachtst gezegd dubieus. De hele wereld veranderde razendsnel, de sociale, politieke en technologische revoluties buitelden over elkaar, machtsverhoudingen verschoven door oorlogen en economische ontwikkelingen, oude vanzelfsprekendheden – waaronder religieuze – verdampten. De erosie van het kerkelijk leven in Europa was in feite al decennia, zo niet eeuwen aan de gang, en de grote leegloop die daar het gevolg van was stond op het punt te beginnen. Een kerkvergadering daar de schuld van geven, is net zo mal als een klimaatconferentie de veroorzaker van de opwarming van de aarde noemen. In beide gevallen kun je de bijeengestoken koppen hooguit verwijten dat zij geen adequate oplossing bedachten – en zelfs dat verwijt mag wel door enige realiteitszin getoetst worden.

Een volle Kerk tijdens een drukbezochte postconciliaire Hoogmis. Foto: Roman Betík/Flickr.com (CC-BY-NC-SA)
Een vol kerkgebouw tijdens een drukbezochte postconciliaire Hoogmis. Foto: Roman Betík/Flickr.com (CC-BY-NC-SA)

De catch phrase van het Tweede Vaticaanse Concilie – de auteur van het Volkskrant-opiniestuk herinnerde er al aan – was aggiornamento, het “bij de tijd te brengen” van het geloof. Dat is een frase die door voor- en tegenstanders nogal eens verkeerd verstaan wordt. Het ging er niet om de tijd bij het geloof te brengen, om oude waarheden te confronteren met nieuwe inzichten, om allerlei dogma’s of gebruiken te relativeren of helemaal weg te gooien. Het ging er juist om om het geloof bij de tijd te brengen, die haastig voortwentelende, over zichzelf struikelende moderniteit kritisch te confronteren met onveranderlijke waarheden. Dus niet: het christendom moderniseren, maar de moderniteit kerstenen. Dát is aggiornamento, of dat zou het althans moeten zijn. Als je met dat in het achterhoofd met enige welwillendheid naar de kerkgeschiedenis van de laatste vijftig jaar kijkt, dan zie je dat er dappere én domme pogingen zijn gedaan om daar iets van te realiseren, hoopvolle én hopeloze, geïnspireerde en ongeïnspireerde… kortom, de hele bonte parade van al-te-menselijk pogen en falen trekt voorbij. Ja, dat is soms ergerniswekkend, tenenkrommend, maar ook dat hoort bij onze traditie, of we het nu leuk vinden of niet. Het is onjuist om de hele historische beweging vanaf Vaticanum II als een breuk met die traditie te typeren. Ook is het onterecht, ja onrechtvaardig zelfs om het zonder meer als een mislukt project te karakteriseren, en die hele mislukking vervolgens eenzijdig in de schoenen te schuiven van een boeman genaamd ‘modernisme’. Dat is vruchteloos gepieker op een lege kerkbank. Ik denk dat we meer baat hebben bij het met gelovig vertrouwen en geduld volharden in de eeuwige opdracht van – welbegrepen – aggiornamento.

11 gedachten over “Gepieker op een lege kerkbank

  1. Het belangrijkste wat volgens mij in het stuk van Van Boetzelaer ontbrak, is dat het aller eerst en het voornaamste is dat het geloof aan mensen wordt voorgesteld, fides ex auditu rom. 10, 17. Als je niet weet dat er een Entiteit is die je aanbod van heil, liefde, doet, hoe kun je daar dan op reageren door te geloven? Pas vanuit een gelovige houding wordt de mens nieuwsgierig naar meer, naar kennis. Dan pas komt geloofsverdieping en catechese om de hoek kijken. En dat proces gaat dan de rest van je leven duren.

  2. Bij deze een klein gedeelte uit de overweging die Paus Benedictus XVI in februari 2013 hield voor priester kandidaten: “We zijn naar het Concilie gegaan niet enkel met vreugde maar met enthousiasme. Er was een ongelooflijke verwachting. Wij hoopten dat men alles zou vernieuwen, dat er een nieuw Pinksteren zou komen, een nieuw tijdperk voor de Kerk want de Kerk was nog redelijk robuust in die tijd, de zondagspraktijk nog goed, de priesterroepingen en de roepingen tot het religieuze leven waren wel al een beetje verminderd maar nog voldoende. Nochtans voelde men dat de Kerk niet meer vooruit ging, zich terugtrok, dat de Kerk eerder iets van het verleden leek dan draagster van de toekomst. En op dat moment hoopten wij dat deze relatie zich zou vernieuwen, veranderen; dat de Kerk opnieuw de kracht van morgen en de kracht van vandaag zou zijn. We wisten dat de relatie tussen de Kerk en de moderne periode, vanaf het begin, ietwat van een tegenstelling had, te beginnen met de dwaling van de Kerk in de zaak van Galileo Galilei. Men wilde dit verkeerde begin corrigeren en opnieuw de vereniging tussen Kerk en de betere krachten van de wereld vinden om zo de toekomst van de mensheid en de ware vooruitgang te openen. Op deze manier waren wij vol van hoop en enthousiasme en met de wil om ons deel bij te dragen aan deze zaak.” Maar ook “Er bestond het Concilie van de Vaders, het ware Concilie, maar er was ook het Concilie van de media. Dit was bijna een Concilie op zichzelf en de wereld heeft het Concilie langs deze weg waargenomen, langs de media. Dus het Concilie dat meteen en effectief het volk bereikt heeft, was het Concilie van de media, niet dat van de Vaders. En terwijl het Concilie van de Vaders zich gerealiseerd heeft binnen het geloof – het was een Concilie van het geloof dat op zoek was naar inzicht, dat zocht zichzelf te begrijpen en de tekenen van God op dat moment te begrijpen, dat zocht te antwoorden op de uitdaging van God op dat moment en in het Woord van God het woord voor vandaag en morgen te vinden – terwijl geheel het Concilie, zoals ik zei, zich bewoog binnen het geloof, als fides quaerens intellectum (geloof op zoek naar inzicht), heeft het Concilie van de journalisten zich natuurlijk niet binnen het geloof gerealiseerd maar binnen de categorieën van de media van vandaag, dit wil zeggen buiten het geloof, met een onderscheiden hermeneutiek. Het was een politieke hermeneutiek: voor de media was het Concilie een politieke strijd, een strijd om macht tussen verschillende stromingen in de Kerk. Het was evident dat de media positie zouden innemen voor dat gedeelte dat hen het meest passend leek met hun wereld. Er waren er die probeerden de Kerk te decentraliseren, de macht voor de Bisschoppen en vervolgens, door middel van het “Volk van God”, de macht voor het volk, de leken. Er was deze drievoudige vraag: de macht van de Paus, vervolgens overgedragen op de macht van de Bisschoppen en op de macht van allen, volkssoevereiniteit. Natuurlijk, voor hen was dit het gedeelte dat bevestigd, afgekondigd diende te worden en een voorkeursbehandeling diende te krijgen. En zo ook voor de liturgie: zij waren niet geïnteresseerd in de liturgie als geloofsdaad maar in iets waar men dingen doet die verstaanbaar zijn, een activiteit van de gemeenschap, een profaan iets. En we weten dat er een tendens was, een tendens die men ook vanuit de geschiedenis onderbouwde, om te zeggen: de sacraliteit is een heidens iets, eventueel ook iets van het Oude Testament. In het Nieuwe Testament geldt enkel dat Christus buiten gestorven is, dit wil zeggen, buiten de muren, in de profane wereld. Sacraliteit moest dus beëindigd worden, profanatie ook van de eredienst: de eredienst is geen eredienst maar een handeling van het samenzijn, van de gemeenschappelijke participatie en zo ook participatie als activiteit. Deze vertalingen, deze banaliseringen van het idee van het Concilie zijn zeer hevig geweest in de praktijken van de toepassingen van de liturgische hervorming. Deze praktijken zijn ontstaan in een visie op het Concilie die buiten de eigen leessleutel van het Concilie ligt, buiten het geloof. En zo ook in het vraagstuk over de Schrift: de Schrift is een historisch boek dat historisch dient behandelt te worden en niets anders, en zo verder.
    Wij weten dat dit Concilie van de media toegankelijk was voor allen. Daarom was dit het dominerende Concilie, het meest effectieve en het heeft zeer veel opschudding veroorzaakt, zeer veel problemen, werkelijk zeer veel ellende ook: seminaries werden gesloten, kloosters werden gesloten, een gebanaliseerde liturgie… en het ware Concilie had het moeilijk om zich te concretiseren, om zich te realiseren; het virtuele Concilie was veel sterker dan het werkelijke Concilie. Maar de werkelijke kracht van het Concilie was wel aanwezig en geleidelijk aan realiseert het zich steeds meer en wordt het de ware kracht en ook de ware hervorming en ware vernieuwing van de Kerk. We zien – zo lijkt mij – dat vijftig jaar na het Concilie het virtuele Concilie uiteenvalt, verliest en dat het ware Concilie met al haar geestelijke kracht naar voren komt. En het is onze taak, precies in dit Jaar van het Geloof en te beginnen met dit Jaar van het Geloof, om ervoor te zorgen dat dit ware Concilie, met haar kracht van de Heilige Geest, zich realiseert en dat de Kerk werkelijk vernieuwd wordt. Ik hoop dat de Heer ons helpt.”

    1. ma seconda serie di cosa?????non c’è Marco, non c’è Giulia, non c’è Cecilia e non si risolveranno più casi di poia.lizSiamo sicuri che sia la seconda serie? oppure sembra di più un nuovo telefilm?

  3. Beste Anton, wij mochten afgelopen zondag eindelijk weer eens een Heilige Mis meemaken waar met kracht en overtuiging duidelijk werd gemaakt dat Jezus, God zelf, aanwezig was in de kerk in het tabernakel in de vorm van de Heilige Hostie. Dat Jezus, daar wacht op de gelovige om Zijn liefdeswonder uit te delen, om de gelovige kracht te geven voor de komende week. Te vaak gaat het daar niet over. De consecratie wordt uit gewoonte, wel met de nodige eerbied, maar zelden met het vuur omgeven dat dit grote wonder verdient. Wij zijn ervan overtuigd dat met het symboliseren van dit grote mysterie het verval is begonnen. Als zoals afgelopen zondag, het vuur en de liefde van de woorden spatten en rechtstreeks in het hart van de gelovige doordringen, daarmee het vuur overbrengend, dan menen wij zeker te weten dat de kerk ook in deze tijd vol zou stromen. Er is immers geen enkel gebrek aan zoekende mensen, er is immers een toenemende liefdeloosheid, die mensen eigenlijk niet willen. Onze kerk, ons geloof is kapot gegaan en gaat nog steeds kapot aan een gebrek aan gehoorzaamheid, door het eindeloze gediscussieer over heikele thema's, maar bovenal door een groot aantal lauwe officieren, die apathisch toezien dat hun kerk onder hun verantwoordelijkheid sluit, omdat zij zelf te vaak een gebrek aan geloof hebben.

    In het teken van het Kruis ligt de overwinning

    Namens de Witte Ridders

  4. Dat zijn de volle kerken van de Veluwe. Als je maar genoeg kindertjes maakt en de helft blijft hangen heb je een volle kerk. Jongeren in Latijns-Amerika zijn reeds massaal aan het evangelicaliseren of ontkerkelijken. Wat in Guatamala of Uruguay gebeurt, stopt daar echt niet bij de grens.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *