Gewoon over een boek van een bisschop

Ik kreeg pas een boek van een bisschop. Als dat gebeurt, dient men op zijn hoede te zijn. Een door hemzelf geschreven boek krijgen van een bisschop is namelijk een beetje als een zelfgemaakte tekening krijgen van je kind. Ze kijken er beiden vragend en verwachtingsvol bij, en je bent dan tot omstandig complimenteren verplicht. “Wat knap, zeg! Ik geef het een speciaal plekje!” In werkelijkheid is dat speciale plekje de oud-papierbak, want laten we wel wezen: meestal lijkt het nergens op. Goed bedoeld, tuurlijk, soms ook niet eens onaardig… maar ze maken er zó veel dat je ze onmogelijk allemaal kunt bewaren. Vervolgens, zo weet ik uit ervaring, kun je ook nog eens de pech hebben dat ze er vragen over beginnen te stellen. “Of ik zie wat het voorstelt? Natuurlijk, een vrachtwagen! Nee? Oh, Donald Duck, ja, nu je het zegt, sprekend.” Ik heb dat niet alleen herhaaldelijk meegemaakt met mijn kinderen, maar ook weleens met een bisschop. Ik noem geen namen. Maar die bisschop had de onhebbelijke gewoonte om mij elke keer als ik hem tegenkwam te overhoren over zijn onleesbare boeken. Als ik hem nu nog wel eens tegenkom, duik ik vlug weg of doe ik alsof ik in vroom gebed verzonken ben.

Boeken van bisschoppen: ik ben er meestal niet zo stuk van. Ik wil niet zeggen dat bisschoppen per definitie niet kunnen schrijven. De kerkgeschiedenis kent immers heus wel een aantal bisschoppen die ook werkelijk grote schrijvers waren. Augustinus, op de eerste plaats. Of de patroonheilige van alle schrijvers en journalisten, Franciscus van Sales. (John Henry Newman wilde ik bijna zeggen, maar dat was een van de zeldzame kardinalen die nooit bisschop is geweest.) Maar eerlijk is eerlijk: in onze tijden en streken is de spoeling dun. De aard van de functie, dat snap ik ook wel, werkt niet bepaald mee. Als publiek kerkelijk figuur worden al je woorden op een gouden schaaltje gewogen. Een bisschop heet ook wel pontifex, wat je vrij zou kunnen vertalen als ‘brugman’ – en aldus dient hij te praten. Met omhaal van woorden, een beetje wollig, verzoenend, kool en geit sparend. Dat levert doorgaans boekjes op met vriendelijke vroomheden ingeklemd tussen keurige Latijnse termen voorin – nihil obstat, imprimatur – en een smetteloos staatsieportret in softone zwart-wit-paars achterop. Niemand die er aanstoot aan neemt, maar ook niemand die het voor zijn plezier leest.

Hier kreeg ik het bewuste boek van de bewuste bisschop.
Hier kreeg ik het bewuste boek van de bewuste bisschop.

Het boek dat ik pas kreeg van een bisschop – het eerste exemplaar nog wel, tijdens de officiële presentatie (ik weet ook niet waaraan ik die eer te danken had) – bleek echter van een heel andere orde. Gewoon over geloof heet het, en het werd geschreven en mij aangeboden door de Bossche hulpbisschop Rob Mutsaerts. Voorin dat boek geen Latijnse formaliteiten, maar een citaat van Mark Twain: “Van heilige koeien maak je de beste hamburgers.” Achterop geen staatsieportret, maar een foto van de monseigneur in een spijkerbroek, ontspannen onderuitgezakt aan de waterkant, een kop koffie in de hand. Sittin’ on the dock of the bay – Mutsaerts’ favoriete nummer van Otis Redding, zo leren we in het boek. Het is tekenend voor de stijl van heel het boek; die is informeel, nuchter, ja gewoon zoals de titel zegt.

Toen de Congregatie voor de Geloofsleer begin 2012 vanuit Rome een oproep deed aan alle bisschoppen wereldwijd om “apologetische brochures” te vervaardigen, was ik daar niet gerust op. Niet omdat ik het belang daarvan niet inzie, of zoals veel katholieken laatdunkend zou willen doen over de kunst der apologetiek – dat is: het redelijk antwoord geven op redelijke en onredelijke vragen die aan het geloof gesteld worden. Integendeel, ik versta mijn eigen schrijverschap als ten diepste apologetisch. Maar vooral omdat, zoals uit het voorgaande wel blijkt, ik niet zo zeker wist of we van bisschoppen wel zulke goede apologetische geschriften konden verwachten. Voor het Katholiek Nieuwsblad schreef ik destijds, naar aanleiding van de oproep aan de bisschoppen, een korte reeks beschouwingen over waar geloofwaardige geloofsverantwoording volgens mij aan moet voldoen: de vijf deugden van de apologeet. Die vaak onderschatte deugden zijn openheid, verbeeldingskracht, humor, mediawijsheid en bescheidenheid.

Mgr. Mutsaerts: “Wie met de tijdgeest trouwt is snel weduwnaar”

Gewoon over geloof laat zien dat mijn bezorgdheid onnodig was. Mgr. Mutsaerts bedrijft in zijn boek apologetiek in de beste zin van het woord. Het boek is geestig, beeldend, verhalend. Geen dorre catechese, geen zoetelijke wijsheidsbloempjes. Onbekommerd gaat hij het gesprek aan over veelvoorkomende misvattingen over het katholieke geloof – dat dat onredelijk zou zijn, anti-wetenschappelijk, anti-dit-en-dat, dat het vreselijk intolerant of juist veel te lief en zoetsappig is. Ook in het binnenkerkelijk discours spreekt hij zich vrijuit en vrolijk uit, zonder kool en geit te sparen – voor een helder orthodox geluid, voor vrijmoedigheid, tegen een al te sentimenteel geloof, tegen verstard traditionalisme, en vooral ook tegen het meewaaien met alle modieuze winden; “Wie met de tijdgeest trouwt is snel weduwnaar”, schrijft hij. Maar ook zonder ergens zuur, belerend of autoritair te klinken. Mutsaerts schrijft zoals hij spreekt; ongecompliceerd, openhartig, direct, maar innemend. Tekenend daarvoor is ook het feit dat hij drie auteurs volledig de vrije hand gaf om een eerlijke inleiding te schrijven bij het boek: een katholiek die je niet direct in het ‘Mutsaerts-kamp’ zou plaatsen, een agnost en een atheïst (respectievelijk Frank Bosman, Anton Zijderveld en Paul Cliteur). Hoewel zij uiteraard de nodige kritiek hebben, zijn zij allen opvallend lovend over het boek.

Ik sluit mij graag aan bij hun positieve oordeel: Gewoon over geloof is werkelijk een zeer lezenswaardig boek. En niet omdat ik het niet zou kunnen maken iets anders te zeggen. Toen de bisschop me belde om te vragen of ik het boek in ontvangst wilde nemen zei hij er nota bene bij: “Als je het helemaal niks vindt, of denkt: ‘Daar wil ik niet mee geassocieerd worden’, dan moet je het ook gewoon zeggen hoor.” Ik zou het durven zeggen. Maar ik zeg het niet. Ik dank en complimenteer hem hartelijk en oprecht, en vrees geen overhoring als ik hem de volgende keer tegen het lijf loop. Het boek verdient écht een speciaal plekje – niet in de oud-papierbak.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *