God woont niet op het kalifaat

“De moordenaar is nog steeds op vrije voeten”, zegt de nieuwe omslag van Charlie Hebdo, een jaar na de aanslag op de redactie. De cartoon toont een boos kijkende God, met bebloede toog en een kalasjnikov op de rug. Zijn er al mensen geweest die zich er daadwerkelijk over opgewonden hebben, die zich gekrenkt hebben getoond in hun religieuze gevoelentjes? Ik niet in elk geval. Het is welbeschouwd een vrij matige grap, niet echt origineel, niet echt intelligent – maar we nemen er allemaal plechtig kennis van en doen alsof het heel wat is, want hé, Charlie Hebdo… Het mag wel wat minder eigenlijk, met dat aura van martelaarschap.

Charlie HebdoDraagt de God van de extremist een kalasjnikov? Is de God van de Europeanen wit en die van de Afrikanen zwart? De God van de zebra’s allebei? Dat is wel ongeveer de veronderstelling van de atheïst en de religiecriticus, die het moderne cliché blijven herkauwen dat de mens God schiep naar zijn beeld, in plaats van andersom. De remonstranten geloven dat trouwens ook, zo blijkt uit hun nieuwe reclamecampagne. De God van de remonstranten is hoger opgeleid, uitermate ruimdenkend en tolerant, stemt D66 en heeft een abonnement op de Groene Amsterdammer. Precies als de remonstranten zelf dus. De God van de remonstranten geeft de remonstranten altijd volmondig gelijk.

Eén van de nieuwe reclameposters van de remonstranten.
Eén van de nieuwe reclameposters van de remonstranten.

Deze God – de God van de extremisten, de God van de atheïsten, de God van de remonstranten – dat is de “God van de wijsgeren en geleerden” waar de grote Franse denker Blaise Pascal zo briljant op neerkeek. Pascal gaf de voorkeur aan de “God van Abraham, God van Isaak, God van Jakob” boven die geconstrueerde goden van de zelfgenoegzamen. Een God die steeds vreemd is, grillig, verontrustend – een God die anders is. Een God die jou níet altijd gelijk geeft, maar juist een God die jou steeds weer uitdaagt, bevraagt, aanklaagt zelfs.

Ja, die God is op vrije voeten, court toujours, want die God laat zich niet zo makkelijk vangen. Niet in een witte jurk, niet in vrome of juist godslasterlijke taal, niet in een beklaagdenbank, niet in een cartoon. Je kunt hem wel aanklagen – God, waarom stond je dit toe? Meer nog, waarom bemoedigde je dit, waarom doen mensen dit uit jouw naam? – maar iedereen die eerlijk en te goeder trouw is, gelovig of ongelovig, moet toegeven dat die aanklacht direct terugkaatst als in een spiegel: waarom doen wij dit, stonden wij dit toe, waarom deden wij dit in Gods naam, in godsnaam?

De Russisch-Amerikaanse dichter Joseph Brodsky schreef ooit een geestig gedicht, waaruit die ongrijpbaarheid van God op een luchtiger wijze duidelijk wordt.

“God woont niet op het dorp in kamerhoeken
zoals de spotter denkt, maar overal.
Hij zegent dak en bord en schouderdoeken
en maakt geen deur te breed of ooit te smal.
Hier op het land leeft God in alle dingen,
kookt ’s zaterdags zijn linzen in de pan,
danst loom op vuur, hurkt neer om op te springen,
knipoogt mij toe als zijn vertrouwensman.
Hij maakt het hek, maakt meisjes echtgenote
van koddebeiers en zorgt voor de grap
dat wéér de stroper er heeft naast geschoten,
de eend weer aan de weitas is ontsnapt.

De kans dat je dit alles bekijkt
– wanneer de herfstwind fluit of als het mist –
is in het dorp daarbij het enig blijk
van Gods genade voor de atheïst.”

(Bron:  Koen Stassijns en Ivo van Strijtem [samenstellers], Van God los. Gedichten over geloof en ongeloof, p.41.)

Zo is het: God woont niet op het dorp. God woont ook niet op het kalifaat, zoals de extremist én de spotter van vandaag menen, en ook niet op de grachtengordel, zoals de remonstrant meent. Maar overal.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *