Een kleine theologie van het handschrift

Een mooie ludieke actie van Bild laatst: de hele voorpagina van de Duitse krant werd (op de advertenties na) met de hand geschreven, om aandacht te vragen voor het uitsterven van de handgeschreven taal. Nu kinderen hun werkstuk of proefwerk steeds vaker op een computer maken en moeder de vrouw (of vader de man, we zijn ommers uitermate geëmancipeerd) het boodschappenlijstje op de smartphone typt, geraken pen en papier namelijk uit de tijd, zo is de gedachte. De grote vraag is dan natuurlijk steeds: is dat erg?


Alvorens ik die vraag met een volmondig ja ga beantwoorden, wil ik eerst even wijzen op de forse klont boter op mijn hoofd. Ik schrijf zelf óók bijzonder weinig met de hand. Natuurlijk kan ik mij achter de praktische gang van zaken verschuilen: mijn opdrachtgevers zullen not amused zijn wanneer ik met kroontjespen geschreven columns of interviews per post naar hen toestuur. Maar ik moet ook bekennen dat ik het wel prima vind; ik schrijf sneller met een toetsenbord dan met een pen, en mijn handschrift is daarbij altijd zo erbarmelijk slecht geweest dat mijn ouders en leerkrachten vreesden dat ik huisarts zou worden. Dat bleek gelukkig mee te vallen, maar ik schrijf nog steeds zo lelijk dat ik niet zelden moeite heb mijn eigen krabbels te ontcijferen. Ik draag weliswaar meestal een notitieboekje bij me om gedachten in te noteren, maar ik ben toch blij dat ik een pc bezit om die gedachten vervolgens op uit te werken – ik moet er niet aan denken dat ik mijn manuscripten nog écht met de hand moest schrijven, zoals het woord suggereert. Ik krijg al RSI als ik er aan denk.

Maar toch, maar toch… érgens vind ik het jammer dat het handschrift uitsterft (als dat waar is overigens; ik weet dat nog niet zo zeker). Ik kan genieten van elegante handschriften die een opgeruimd karakter verraden. Diep van binnen koester ik zelfs het hopeloos irreële verlangen dat ik zelf nog eens zo mooi met de hand kan schrijven. Zo eens in de paar jaar (en nog vrij onlangs) brengt dat verlangen mij tot de wanhoopsdaad van de aanschaf van een (te) dure vulpen. Wat altijd een tragische miskoop is, want ik met een vulpen, dat is als een aap met een penseel, of een blinde met een elektronenmicroscoop.

De redactie van Bild werkt aan de handgeschreven voorpagina.

Hoe dan ook: in reactie op alarmistische berichten als die in Bild, ben ik direct geneigd te roepen dat we het schrijven met de hand moeten koesteren. Maar waarom eigenlijk? Die vraag is niet zo makkelijk te beantwoorden. De antwoorden die Bild aandroeg in het bij die voorpagina horende artikel, vond ik eerlijk gezegd niet helemaal bevredigend. Geheel conform de vermoeiende neuro-mode begon de krant meteen over de ontwikkeling van de hersenen te wauwelen; wanneer wij niet met de hand schrijven, wordt het deel van de hersenen waarmee we schrijven niet benut en kan dat zelfs krimpen… Vast, maar waarvoor hebben we het dan nog nodig? Daarbij: als we toch zo voor efficiency zijn moet een afgeslankt brein ons ook aanspreken. Als we ouder worden kunnen we eerder vergeetachtig worden wanneer we dat deel van de hersenen niet aanspreken, waarschuwt Bild vervolgens. Best, ik hou niet zo van die bangmakerij van het kaliber van-blikgroenten-krijg-je-alzheimer. Vervolgens gaat de krant op de sociaal-emotionele tour: het cliché dat een handgeschreven brief veel persoonlijker is… Helemaal waar, maar uit bittere ervaring kan ik ervan getuigen dat een persoonlijke brief ook maar weinig indruk maakt wanneer de geadresseerde jouw zoete zieleroerselen niet ontwarren kan.

Eén argument vond ik wél interessant om te lezen, al werd dat ook met een hip neuro-sausje overgoten: door iets met de hand op te schrijven wordt de inhoud van het geschrevene zogezegd dieper in onze hersenen geprent dan wanneer wij dezelfde woorden op een toetsenbord tikken. Kinderen leren daarom ook beter wanneer ze met de hand moeten schrijven. Ik geloof meteen dat dat waar is. Ik weet niet waarom, maar toen ik dat las moest ik ook gelijk denken aan middeleeuwse monniken die met engelengeduld de Bijbel zaten over te schrijven. Er wordt wel gezegd dat de uitvinding van de boekdrukkunst de Reformatie mogelijk maakte, omdat de Bijbel toen breder beschikbaar werd. Misschien is het veeleer zo dat de boekdrukkunst de Reformatie mogelijk maakte omdat de Bijbel sindsdien minder goed begrepen werd.

Taal is niet louter een verzameling abstracte tekens die bepaalde concrete en minder concrete zaken vertegenwoordigen. Taal heeft haar eigen substantie, een materialiteit, een grondstoffelijkheid. Alleen al het feit dat ik de vorige twee zinnen hardop voor mezelf moest voorlezen om ze te wegen, duidt daarop: woorden vragen erom verklankt te worden, geproefd te worden, door de mond te rollen als wijn; ze willen weerkaatsen tegen muren, ze willen trillen in de borstkas, waar ook het hart hen wegen kan. Schrijven met hand is van dezelfde materiële orde. De tekens willen glooien en krullen, opgezogen worden door poreus papier, ze willen geboren worden en weer sterven in trefzekere halen van de hand.

Natuurlijk heeft ook mijn toetsenbord een materiële kwaliteit, en mijn vingers kunnen daar toch ook sierlijk overheen dansen – maar het is welbeschouwd een te snelle dans om de woorden te laten bezinken. Typen vergt ook inspanning en concentratie, maar minder, anders dan wanneer ik met de hand schrijf. Tekenend voor het verschil; we typen, als we het kunstje eenmaal doorhebben, bijna altijd blind. Dat wil zeggen: de ogen kijken naar het beeldscherm, weg van de fysieke inspanning, naar de abstracte en uniforme tekens op het scherm. Typen abstraheert, uniformeert, ontdoet van eigenheid en karakter. Uiteraard, al die abstracte en uniforme tekens samen kunnen ook weer een karakter krijgen. Als dit niet het eerste stuk is dat jij van mij leest, kan het zijn dat je mijn stijl herkent. (Veelzeggend is dat we dit vaak de signatuur, de handtekening of het handschrift van de schrijver noemen.) Maar de stijl van de schrijver die zich zo door de zinnen en pagina’s heen toont is maar één dimensie van zijn eigenheid, zijn karakter. Ook in de krullen – of in mijn geval: de krassen en haken – van zijn daadwerkelijke handschrift leren we hem kennen. Ex ungue leonem.

Eigenheid. Als jij en ik dat woord nu op een lege pagina in Word typen – in Times New Roman, lettergrootte 12 – dan zien wij het tegendeel van wat het woord betekent: eenvormigheid. Maar als wij een blanco papier pakken en een pen, en het dan opschrijven, dan krijgt het zijn ware betekenis. Eigenheid is een godsgeschenk, misschien wel ons voornaamste godsgeschenk. Daar mogen we inderdaad best zuinig op zijn.

5 gedachten over “Een kleine theologie van het handschrift

  1. Oei… volgens mij zit Bild daar fout. Volgens mij is namelijk wel degelijk bewezen dat het niet uitmaakt of je schrijft of typt als het gaat om ‘inprenting’. Zal eens kijken of ik het citaat/onderzoek van Cialdini daarover nog eens kan vinden.
    Overigens is het natuurlijk meer dan waar dat de ziel van het woord inderdaad niet bepaald in Times New Roman 12 schuilt.

  2. Het maakt inderdaad niet uit of je met de hand schrijft of niet. Er bestaat niet zoiets als een ‘handschriftcentrum’. Schrijven is fijne motoriek en veel schrijven helpt vast om je fijne motoriek bij te schaven, maar andere dingen doen dat ook. De hersenschors is verder niet zo plastisch als bijvoorbeeld een hippocampus (het ‘geheugencentrum’). Dus met het ‘krimpen’ zal het wel meevallen.

  3. Prachtig stuk !! Toevallig plaatste ik gisteren op Facebook een stukje handgeschreven tekst dat ik had gescand , op het idee gebracht door Hans Ulrich Obrist die in een artikel in het boek ‘Hoe verandert internet je manier van denken ? ‘ schrijft over het schrijven met de hand dat hij weer ontdekte. Hij schrijft nu brieven met de hand die hij scant en dan per e-mail verstuurt .

  4. Mooi dat slot, eigenheid, ik zie al die verschillende handschriften voor me op dat lege Aviertje, dat moet inderdaad blijven, zo persoonlijk, een deel van wie je bent.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *