Herinneringen aan de zon

The Silver ChairToen onze oudste geboren werd, inmiddels al weer ruim drieënhalf jaar geleden, begonnen wij meteen met hem voorlezen. Letterlijk op dag één begonnen wij in de Kronieken van Narnia van C.S. Lewis, in deel één, Het neefje van de tovenaar. Mijn zoon begreep er destijds nog wel niets van, maar dat maakte niets uit. Het was zo’n fijn avondritueel, en hij genoot er zichtbaar van. Liggend in mijn armen luisterde hij gebiologeerd naar mijn stem, keek naar mijn lippen. En wij, zijn ouders, genoten van het mooie rustige moment met z’n drieën en natuurlijk van die prachtige Narnia-boeken.

Gisterenavond lazen we de laatste pagina’s van het zesde deel, De zilveren stoel. Toevallig was onze zoon er ook weer bij. Ik zeg toevallig, want het avondritueel is in de loop van de tijd wat veranderd. Inmiddels is hij te klein voor Narnia. Ik bedoel, nu hij het wel begrijpt is het meteen wat te moeilijk voor hem. We lezen hem (en inmiddels ook zijn kleine zusje) nog altijd voor, maar dan uit boekjes die wat meer bij zijn leeftijd passen. We zijn niet gestopt met het lezen van de Narnia-boeken, maar hebben het verplaatst naar de avonduren als de kinderen slapen. Lang niet iedere avond komen we er aan toe, maar goed, we hebben dus inmiddels zes boeken achter de kiezen. Onze zoon kon niet slapen gisteren, vandaar dat hij er bij was toen we de laatste bladzijden lazen.

Artwork De zilveren stoelDe zilveren stoel steekt met kop en schouders boven de rest uit, moet ik zeggen. Wat een ontzettend rijk deel, zeg. Meer nog dan alle andere delen beladen met prachtige symboliek en metaforiek. Wie zoekt naar de verwantschap tussen Narnia en andere moderne fantasyreeksen van enig niveau en met onmiskenbaar christelijke ondertoon, zoals The Lord of the Rings en Harry Potter, zal in De zilveren stoel de meeste aanknopingspunten vinden. (Vandaag las ik op Bitterlemon.eu een belangwekkend artikel over ‘de christelijke magie van Harry Potter’, waarin zelfs gesteld wordt dat J.K. Rowling auteurs als Lewis en Tolkien min of meer geplagieerd heeft. Onzin als je het mij vraagt, tenzij je het begrip ‘plagiaat’ zo ver oprekt dat het geen betekenis meer heeft. Eerder putten deze reeksen uit een zelfde bron, waarin klassieke mythologie, middeleeuwse folklore, christelijke theologie en de ingenieuze symbolentaal van de alchemie als vanzelfsprekend samenvloeien. Maar toegegeven, juist De zilveren stoel zal de Harry Potter-lezer veel aha-erlebnissen bieden… De karakterschets van de uiterst trotse centauren in Chamber of Secrets en Order of the Phoenix, het ondergrondse meer in Half-Blood Prince waar ik onlangs al iets over schreef, het gevecht met de basilisk in Chamber of Secrets.)

Artwork De zilveren stoelHet was echter een andere literair-filosofische verwantschap die mij het meeste trof. Tegen het einde van het boek is er een kort ogenblik dat Aslan — de leeuw die we in Het neefje van de tovenaar ontmoeten als Schepper van heel Narnia en in Het betoverde land achter de kleerkast als Verlosser die zich min of meer laat kruisigen — in onze eigen wereld zichtbaar is. Als ik me niet vergis is dat de enige keer in de hele reeks (althans, in de zes van de zeven boeken die we totnogtoe gelezen hebben). De kinderen die in dit deel de hoofdrol spelen moeten terug naar hun eigen wereld, onze wereld, maar weten dat ze daar opgewacht worden door enkele pestkoppen van school. Aslan draagt hen op de zwaarden te trekken, maar alleen de platte kant te gebruiken, ‘want het zijn maar kinderen en lafaards, geen krijgers, tegen wie ik ze jullie laat gebruiken’. En dan volgt een korte dialoog waar ik erg enthousiast van werd:

‘Ga jij met ons mee, Aslan?’ zei Jill.
‘Ze zullen alleen mijn rug zien,’ zei Aslan.

De goddelijke figuur toont ons slechts zijn achterkant… Zoals ik al eerder heb geschreven is dat ook een belangrijk motief in het werk van G.K. Chesterton, met name in The Man Who Was Thursday. Lewis kende het werk van Chesterton goed; het schijnt dat Chestertons boek The Everlasting Man zelfs beslissend is geweest in Lewis’ bekering tot het christendom. Misschien is het enigszins overdreven om te stellen dat De zilveren stoel een kinderversie van Thursday is, maar het grondgegeven is toch hetzelfde. Uiteraard is ook hier van plagiaat geen sprake. Chesterton en Lewis putten eenvoudigweg uit dezelfde bijbelse bron. Ook God toont zich in onze wereld slechts aan de rugzijde, lezen we in het Oude Testament:

Mozes vroeg: ‘Laat mij uw heerlijkheid zien.’ Hij antwoordde: ‘Ik zal in mijn goedheid aan u voorbijgaan en in uw bijzijn de naam HEER uitroepen. Want Ik schenk genade aan wie Ik wil en barmhartigheid aan wie Ik wil.’ Maar Hij voegde eraan toe: ‘Mijn gelaat kunt u niet zien, want geen mens kan mijn gelaat zien en in leven blijven.’ Toen sprak de HEER: ‘Hier bij Mij is nog plaats; kom op de rots staan. Wanneer mijn heerlijkheid voorbijgaat, zal Ik u in de rotsholte laten schuilen, en als Ik voorbijga zal Ik u met mijn hand beschermen. Als Ik dan mijn hand terugtrek, kunt u Mij van achteren zien, want mijn gelaat kan niemand zien.’ (Ex. 33:18-23)

Mateloos boeiend vind ik dit beeld. Voor mij is het feitelijk een antwoord op een specifiek soort pantheïsme dat vandaag de dag heel populair is, namelijk de ietsistische intuïtie die meestal verwoord wordt als: ‘God is in alles.’ Nog los van de formeel-theologische bezwaren die je daar ongetwijfeld tegen kunt maken, knaagt er bij mij ook gevoelsmatig iets bij die stelling. Natuurlijk, ik ken ook wel die toestand, even groots en mystiek als alledaags en banaal, waarin je voelt hoe God de hele werkelijkheid tot in de diepste vezels doordringt. Op zo’n moment heeft de uitspraak ‘God is in alles’ ook wel enige betekenis. Maar als God echt in alles is, dan zou die toestand ook voortdurend moeten bestaan. Geen mens verkeert echter voortdurend in die toestand, de wereld is even vaak grauw en bar en boos en schijnbaar betekenisloos. We zien ellende, maken deel uit van de ellende. Wanneer je in die intuïtie weer doorslaat kom je in een soort wereldvijandig dualisme terecht dat de werkelijkheid ook niet helemaal recht doet. Het christendom is de volmaakte middenpositie tussen het heidense (en ook, voor de fijnproevers, spinozistisch) pantheïsme waarin God en zichtbare werkelijkheid helemaal samenvallen, en het gnostische dualisme waarin er een strakke scheidslijn is tussen goddelijke en wereldlijke werkelijkheid. En de sleutel schuilt in dat simpele zinnetje dat Aslan uitspreekt: ‘Ze zullen alleen mijn rug zien.’

PuddelglumJa, er is ellende op de wereld, slechtheid, wreedheid. Wie alleen maar Gods aanwezigheid in alles wil zien, is ofwel naïef, ofwel volmaakt cynisch. Maar wie enkel Gods afwezigheid wil zien, mist toch ook iets. Ook dat wordt geïllustreerd in een fenomenale passage in De zilveren stoel, waarin Lewis zijn levenslange debat met het atheïsme (ook in zichzelf) in een prachtige metafoor vangt. De helden van het verhaal gaan in de duistere Onderwereld de confrontatie aan met de slechte tovenares tegen wie ze het al het hele boek opnemen. De tovenares gooit een groen poeder in het vuur dat een zoete, slaapverwekkende geur verspreidt en begint ook zachtjes op een snaarinstrument te tokkelen. Dan probeert ze de hoofdpersonen ervan te overtuigen dat er helemaal geen Narnia of überhaupt een wereld boven de grond bestaat. Ze verzetten zich tegen de hypnotiserende betovering, en brengen er tegenin dat ze toch zeker ooit de zon gezien hebben. Lieflijk antwoordt de tovenares:

‘Wat is dat, die zon waar jullie het allemaal over hebben? Betekent dat woord iets?’
‘Jazeker betekent dat iets,’ zei Schreutel.
‘Kunnen jullie me dan vertellen hoe hij eruitziet?’ vroeg de Tovenares (tokkel, tokkel, tokkel, gingen de snaren).
‘Zeker, Majesteit,’ zei de Prins heel koeltjes en beleefd. ‘U ziet die lamp daar? Die is rond en geel en maakt dat de hele kamer licht is; en ook hangt hij aan het plafond. Nu, het ding dat wij de zon noemen ziet eruit als die lamp, alleen is hij veel groter en geeft veel meer licht. Hij geeft genoeg licht voor heel de Bovenwereld, en hangt in de lucht.’
‘Waaraan hangt hij dan, edele heer?’ vroeg de Tovenares; en toen, terwijl ze allemaal nog stonden na te denken hoe ze haar dat moesten uitleggen, voegde ze er met haar zachte, zilverige lach aan toe: ‘Zie je wel? Als jullie duidelijk voor jezelf onder woorden proberen te brengen wat die zon nu precies is, kunnen jullie het me niet zeggen. Het enige dat jullie me kunnen vertellen is dat hij op deze lamp lijkt. Die zon van jullie is een droom: en in die droom zit niets dat jullie niet hebben afgekeken van die lamp. Deze lamp is de werkelijkheid: die zon is maar een sprookje, een verhaaltje voor kleine kinderen.’
‘Ja, nu begrijp ik het ook,’ zei Jill met een zware, hopeloze stem. ‘Zo moet het wel zijn.’ En terwijl ze dat zei, vond ze het zelf heel logisch klinken.
Langzaam en ernstig herhaalde de Tovenares: ‘Er bestaat geen zon.’ (…) Ze zwegen, en na even ingespannen gedacht te hebben zeiden ze alle vier: ‘U hebt gelijk. De zon bestaat niet.’ Het was een hele opluchting, nu ze zich niet langer hoefden te verzetten en het zeggen konden.

cover_al_silAtheïsme is geen ontdekking, maar een vergeten dat zich vermomt als ontdekking. Maar wij zullen dat vergeten allemaal wel kennen, het is soms ook zo gemakkelijk om te vergeten dat er boven onze vaak zo bedompte wereld altijd nog frisse lucht te vinden is. Uiteraard herinneren de hoofdpersonen zich dat uiteindelijk weer in dit boek — De zilveren stoel is één lange herontdekking van de waarheid van de bovenwereld, de frisse lucht, van een inzicht waarvan wij steeds slechts de rug zien, maar dat wij desalniettemin als hoopvol herkennen, als belofte van de heerlijkheid Gods…

Natuurlijk ontgaat dat alles onze zoon van drieënhalf. Maar dat maakt niets uit. Ademloos luisterde hij naar mijn woorden gisterenavond. Hij was dicht tegen me aangekropen op de bank, in z’n pyjama, benen opgetrokken, duim in de mond. Het ging over ridders en heksen en dwergen en hij mocht nog even opblijven dus hij vond alles best. God is niet in alles, maar even tilde Hij zijn hand op en herinnerden wij ons de zon.

8 gedachten over “Herinneringen aan de zon

  1. Wow, Anton. Ik ontdekte laatst je blog, en je schrijft mooie dingen. Ik heb niet veel met fantasy – maar een appetizer als dit doet me er echt wel zin in krijgen.

  2. Pingback:Een Lewis-liedje « Geloof jij het?

  3. Mooi geschreven!

    Wat heel erg indruk op mij maakte was inderdaad toen je met je zoon op je schouder van twee dagen oud door de kamer liep en hem uit een boek aan het voorlezen was. Het maakte niet uit ook al las je voor uit een woordenboek. Heerlijk is het ook om te zien dat je zoon in de speelgoedwinkel gelijk naar het boekenrek gaat. Gelukkig vind ie ook een piratenpak, maar zeker een zwaard en een ridderhelm leuk. Met dat plastic zwaardje kan hij immers de draak verslaan. En als dat niet lukt, heeft hij altijd nog een toverstok (gekleurde schoenlepel) om vervelende dingen weg te kunnen toveren.
    Wat een fantasie heeft dat kereltje en al zou je nu uit een kookboek voorlezen dan bakt ie morgen een fantasietaart met aardbeien én slagroom en wij zijn uitgenodigd!!

  4. Pingback:Zijn wie je niet bent | Anton de Wit

  5. Pingback:De eeuwige strijd tussen goede en slechte fantasy | Anton de Wit

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *