Het blijvende belang van de jezuïeten

Iesus Hominum Salvator - Zegel van de jezuïetenToen in 1654 het Kruithuis in Delft ontplofte, gaven velen de jezuïeten de schuld. Niet dat iemand suggereerde dat deze ramp, waarbij honderden mensen het leven lieten, een aanslag was die was voorbereid of uitgevoerd door een lid van de roemruchte Sociëteit van Jezus. Nee, de ‘Delftse donderslag’ was een straf van God, omdat de lokale overheid de aanwezigheid van jezuïeten in hun stad tolereerde. Natuurrampen, samenzweringen, koningsmoorden – geen enkele katholieke orde heeft er zo vaak de schuld van gekregen als het broederschap van de heilige Iñigo Lopez de Loyola


De hierboven beschreven anekdote over het Delftse Kruithuis vond ik in een onlangs verramsjt boek onder redactie van Marc Lindeijer S.J., De weg van de pelgrim. Jezuïeten en hun spiritualiteit. (Iedere rechtgeaarde bibliofiel weet dat men de echte parels zelden vindt in de etalage, en des te vaker op de ramsjtafel of in de kasten met tweedehands boeken.) Diverse Nederlandse en Vlaamse jezuïeten hebben een bijdrage geleverd aan deze zeer lezenswaardige opstellenbundel, waarin de geschiedenis en spiritualiteit van de Sociëteit van Jezus wordt beschreven. Daarbij gaat het gelukkig niet alleen over de wilde, paranoïde mythen die deze orde omgeven, maar vooral om haar werkelijke verdiensten. Zo is de invloed van de jezuïeten op het moderne onderwijs nauwelijks te onderschatten, en hebben zij in de meest erbarmelijke omstandigheden broodnodig missiewerk verricht (wie zich de aangrijpende film The Mission herinnert, hoef ik niets uit te leggen).

Edmund CampionToevallig vond ik op dezelfde dag dat ik De weg van de pelgrim op de ramsjtafel vond, ook nog een pareltje in de tweedehandskast: een korte biografie van de beroemde Engelse jezuïet en martelaar Edmund Campion (1540-1581), geschreven door Evelyn Waugh. (Mijn versie is een oude paperback, maar er bestaat een recentere heruitgave door Ignatius Press). Campion was een briljante jonge wetenschapper aan de universiteit van Oxford, met goede contacten aan het hof van Elizabeth I en een glansrijke carrière in het verschiet. Eén probleempje: hij verkoos ‘the old faith’ boven de modieuze mengelmoes van protestantse denominaties die het toen nog jonge anglicanisme was. Met geldboetes en gevangenisstraffen poogde het anglicaanse regime het katholicisme te ontmoedigen bij de bevolking, en gaandeweg werd het anti-katholicisme steeds gewelddadiger. Campion moest vluchten naar het Europese vasteland, waar hij uiteindelijk zou intreden bij de jezuïeten. In 1580 zou hij met een klein groepje medebroeders terugkeren naar Engeland, een zekere martelaarsdood tegemoet. Waugh – een romanschrijver in hart en nieren – beschrijft die terugkeer met meesterlijk gevoel voor suspense:

 There were numerous disturbing portents recorded on the eve of the Jesuits’ arrival. In April the great bell of Westminster tolled of itself without human agency. In June there were thunderstorms of exceptional violence. A woman named Alice Perin, at the age of 80 years, gave birth to a prodigy with a head like a helmet, a mouth like a mouse, a human body, eight legs, all different, and a tail half a yard long, while in the same year another monster was reported from Stowe that was both male and female with mouth and eyes like a lion. In May a pack of hounds was clearly visible hunting in the clouds over Wiltshire, while over the border in Somerset three several companies of sixty men each, dressed in black, marched in procession through the sky.

Wederom die associatie met natuurlijk en zelfs bovennatuurlijk geweld… Maar bij de katholieke schrijver Waugh zijn de rollen omgekeerd; hij lijkt deze vreemde gebeurtenissen eerder aan het iconoclastische anglicaanse regime toe te schrijven, dan aan de jezuïeten rond Edmund Campion. Die waren nu juist naar Engeland teruggekeerd om het zo ernstig bedreigde katholicisme te redden – wat tot de afgrijselijke executie van Campion zou leiden vanwege hoogverraad. God strafte de Engelsen, anders dan de Delftenaren, dus omdat zij de aanwezigheid van de jezuïeten niet tolereerden.

Persoonlijk geloof ik niet dat God volkeren straft voor het toelaten dan wel het weren van jezuïeten. Ik vrees dus geen stormen, ontploffingen, monsterlijke misgeboortes of spookverschijningen in de lucht wanneer de jezuïeten uit ons land zouden verdwijnen. Maar ik zou het wel ontzettend jammer vinden. De cijfers die in het boek van Lindeijer opgesomd worden zijn niet bepaald hoopgevend:  tweederde van de nog in Nederland wonende jezuïeten is ouder dan zeventig jaar, en de afgelopen tien jaar zijn slechts acht jonge mensen ingetreden, van wie er vijf zijn gebleven (de cijfers dateren overigens uit 2006). De teneur van het slothoofdstuk, waarin een toekomstperspectief wordt geschetst, is dus niet al te vrolijk. Heel veel kunnen we hier niet meer betekenen, zuchten de resterende jezuïeten tussen de regels door.

Ik hoop oprecht dat de Nederlandse tak van deze eerbiedwaardige orde niet verzandt in vermoeid fatalisme. Want er is nog voldoende te doen, de intellectuele en spirituele traditie van de jezuïeten is ook voor ons land een blijvende bron van waarde. Daarbij: het katholicisme stond er in het 16e eeuwse Engeland een stuk minder rooskleurig voor, maar het was mede aan de jezuïeten te danken dat ‘the old faith’ daar tot op de dag van vandaag overleefd heeft.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *