Het zijn de ogen

Volkskrant-recencent Kevin Toma deed in zijn zeer lezenswaardige bespreking van de animatiefilm A Christmas Carol van Robert Zemeckis een interessante constatering, die hij jammer genoeg ook gelijk weer wegwuifde:

Zemeckis zegt met de performance capture-techniek te streven naar de perfecte harmonie tussen ‘menselijke warmte’ en technisch vernuft. Dat lukt hem bij A Christmas Carol al een stuk beter dan bij The Polar Express en Beowulf, maar nog steeds zien de acteurs er te gladjes uit, zijn hun bewegingen te vloeiend en krijgt met name hun oogopslag iets levenloos. Het zal echter niet lang duren voordat de techniek zo geperfectioneerd is dat het verschil tussen levende en virtuele acteurs zich nauwelijks nog laat benoemen.

Dat laatste geloof ik dus niet. Animatie — in het woord schuilt het Latijnse animus; geest of ziel… Maar de ironie is dat dat nu precies hetgeen is dat alle computeranimaties missen. Het zijn de ogen, hè?

Kijk maar eens naar dit plaatje. Deze prachtige Scrooge heeft natuurlijk sowieso een nogal karikaturaal gezicht, met zijn grote haakneus en naar beneden hangende mondhoeken. Maar dek de ogen eens af en kijk naar het rimpelige voorhoofd — je hebt het idee dat je naar een foto kijkt. De diepe zwarte wallen, idem dito. Maar precies op het moment dat je je vinger van de ogen weghaalt, zie je direct dat deze Scrooge uit de computer komt.

En de paradox is, dat die levenloosheid van de ogen niet lijkt te komen door iets dat wij met onze ogen waar kunnen nemen. Ik bedoel: van oudere animatiefilms kon je misschien nog zeggen dat de technologie niet in staat was om de precieze visuele diepgang van een menselijk oog na te bootsen, waardoor dat er vlak en kil uitzag. Maar dat is nu niet zo, zie hoe prachtig de ogen op het bovenstaande beeld gemaakt zijn, met de juiste bolling, de juiste glinstering, de juiste uitdrukking, de juiste kleurschakering van de iris. Alles klopt. We zien geen enkel verschil met een echt oog, en toch zien we wél verschil. Hoe kan dat?

Ik denk dat de mens ten diepste niet kán animeren. We stuiten hier precies op het haast onbenoembare verschil tussen ons en tussen onze Schepper, naar wiens beeld wij geschapen zijn, maar waarmee wij toch nooit helemaal samenvallen — hoezeer de nietzscheaanse Übermensch ook meent op de troon van de dode God te kunnen zitten, hoezeer de moderne mensheid ook denkt als een hoogtechnologische Icarus het vuur uit de hemel te hebben gejat. De Schepper blies ons leven in, geest, ziel — en hoe goed wij ook kunnen scheppen en scheiden net als Hij, precies dat doen wij Hem niet na. Wij beheersen de animus niet. Laatst was ik op een symposium over nanotechnologie, waar tal van deskundigen vertelden over hoe wij materialen kunnen manipuleren op onvoorstelbaar kleine schaal; het is allemaal uiterst fascinerend om te horen. Maar op de voor de hand liggende angstige lekenvraag of wij nu echt voor God kunnen spelen, antwoordden de wetenschappers unaniem ontkennend. Het is knap wat wetenschappers kunnen, maar welbeschouwd blijft het gerommel in de marge, zei een synthetisch bioloog zelfs letterlijk. Kortom: ons technische vernuft, hoe waardevol en belangrijk ook, brengt ons geen nanometer dichter bij het werkelijke mysterie van het leven.

Terug naar computeranimaties… De trend om animaties steeds realistischer te maken, steeds meer life-like, is vanuit dit oogpunt bezien een heilloze onderneming. Het zal niet lukken, al ons technisch vernuft ten spijt; we zullen levenloze ogen blijven zien… Misschien kun je zelfs wel zeggen dat hoe dichter wij letterlijk op de huid van de mens kunnen kruipen met deze technologie, hoe preciezer wij iedere rimpel en oneffenheid en porie in beeld kunnen brengen, hoe duidelijker het de toeschouwer zal opvallen dat de ogen niet menselijk, niet life-like zijn. Inderdaad, filmmakers zouden er beter aan doen het niet eens te proberen.

Als je er over nadenkt doet de poging tot hyperrealisme zelfs afbreuk aan het wezen van wat niet geheel terecht ‘animatie’ heet. Waarin schuilt de kracht van animatiekunst, al vanaf de vroegste tekenfilmpjes? Niet zozeer in het feit dat zij een olifant kan laten lopen en vogel kan laten vliegen — dat kunnen olifanten en vogels uit zichzelf ook al — maar veeleer in het feit dat zij olifanten kan laten vliegen en vogels kan laten lopen; zie respectievelijk Dumbo en Road Runner. (Natuurlijk, die laatste is een renkoekoek, die ook in het echt hard kan lopen; maar het briljante aan deze tekenfilm is toch dat Road Runner zelfs door tunnels kan lopen die Wile E. Coyote net op een rotswand geschilderd heeft; iets wat echte renkoekoeken bij mijn weten niet kunnen.)

Goede animatie tart de wetten van de natuurkunde, en heus niet om natuurkundigen boos te maken. (En atheïsten: vandaag precies een jaar geleden, hoera!, plaatste ik het allereerste berichtje op dit weblog, over Richard Dawkins die vond dat kinderliteratuur alleen maar wetenschappelijk correcte informatie mocht bevatten. Ik kan nu een jaar later nog steeds smakelijk lachen om die onzalige gedachte!) Het punt is dat animatiekunst ons iets uittilt boven de werkelijkheid, ons laat zien dat de fysieke werkelijkheid an sich nooit het hele verhaal vertelt, dat er iets meer is, iets dat zich niet laat vatten in natuurwetten en technische termen. Zelfvertrouwen, bijvoorbeeld, in het geval van het aandoenlijke olifantje Dumbo. De fantasieloze kwezel die zegt dat ook zelfvertrouwen een olifant nooit zal laten vliegen, mist de pointe. Dat Dumbo vliegt, moet ons er enkel op wijzen dat deze olifant meer is dan een optelsom van biologische eigenschappen en natuurkundige omstandigheden die maken dat hij wel altijd op de grond zal blijven lopen. Er bestaat een perspectief dat dingen mogelijk maakt die voor onmogelijk worden gehouden. Dat is een perspectief dat werkelijk leven schept, ja, animeert… een bezielend perspectief, dat wij ons eigen kunnen maken, en dat maakt dat wij ondanks dat wij niet met Hem samenvallen, toch waarlijk aan Hem gelijk zijn — je moet dan wel het subtiele, maar wezenlijke verschil vatten tussen de wijze waarop de seculiere humanist zich aan God gelijk acht, en de wijze waarop de christen zich aan God gelijk acht. De eerste meent de eigenschappen van God — kennis, macht — te bezitten; de tweede meent dat al zijn eigenschappen ten diepste het bezit van God zijn. Dat laatste klinkt misschien als een vage, mystieke kreet, en het is zeker een mystieke kreet, maar absoluut niet vaag — althans, niet vager dan de gemiddelde tekenfilm. Goede animatiefilms bieden ons de sleutel tot dit mystieke inzicht. Zij blazen leven in levenloze dingen (en maken hun naam dus tóch waar), nadrukkelijk niet zoals Dr. Frankenstein dat deed (de hoogmoedige, die via de technologie meende zijn monster te kunnen animeren), maar wellicht meer zoals Geppetto dat deed (de deemoedige, die door toeval een levende pop uit levenloos hout maakte).

Het is in dit kader goed om je het volgende te realiseren. Het monster van Frankenstein, hoe afzichtelijk ook, leek in eerste instantie veel meer op een mens dan Pinocchio. Dr. Frankenstein wilde een hyperrealistisch mens maken. Life-like. Echter dan echt, met een huid waarin we de rimpels en poriën konden tellen, met een fonkeling in de ogen… Juist, als de Scrooge van Robert Zemeckis. Geppetto aan de andere kant was helemaal niet bezig met het zo realistisch en menselijk mogelijk maken van zijn houten pop, maar opmerkelijk genoeg was het juist zijn creatie die tot leven kwam. Ook dat zie je in de wereld van de computeranimatie gebeuren; denk bijvoorbeeld aan de schitterende films van Pixar. Die studio slaagt erin om allerlei levenloze dingen tot leven te wekken: speelgoed, auto’s, een vierkant robotje, een schemerlampje. Al die voorwerpen zijn veel geloofwaardiger en levendiger en zelfs menselijker dan de mensen die zo af en toe ook in de films figureren. In de liefdevolle en zorgzame handen van hun makers, maar ook in de welwillende ogen van de toeschouwers, wordt het niet-menselijke menselijk; een grote wonder van bezieling bestaat niet.

Wat in gelikte realistische animatiefilms als A Christmas Carol te zien is, kan nog beter ‘reanimatie’ heten dan ‘animatie’. Het is Frankenstein-animatie, dat geen hoopgevend perspectief wil bieden dat de werkelijkheid overstijgt, maar dat juist zo dicht mogelijk op de huid van de werkelijkheid wil kruipen. Het resultaat: een monster, dat levend lijkt, maar niet levend is — en het zijn de levenloze ogen die hem verraden.

5 gedachten over “Het zijn de ogen

  1. Beste Anton,

    Om op je interessante column te reageren:
    ik begrijp dat je het hyperrealisme van zo’n film een zinloos streven vindt en denkt: waarom het überhaupt proberen en niet dat beklemtonen waarin film als kunst juist van de werkelijkheid afwijkt? In die zin brengt zo’n film ons terug bij dezelfde discussie die filmdenkers en -esthetici van het eerste uur met elkaar voerden: moet film de werkelijkheid zo dicht mogelijk naderen, of juist zijn eigen kenmerken als kunst en medium – destijds bv de afwezigheid van geluid – beklemtonen?

    Ik vind het interessant dat animatiefilms tegenwoordig deze strijd als het ware met zichzelf lijken te voeren, en heb daarvan iets in mijn artikel willen verwoorden. Ik heb daarbij vanuit de film gedacht, vanuit de intentie(s) die de film voor mij heeft, los van de bedoelingen van de maker en al helemaal los van de conventies die er in de verhalende cinema heersen. Aangezien de film je echt zijn wereld wil insleuren, en dit met zoveel mogelijk realisme doet – onder meer door de 3Dtechniek – vind ik het niet meer dan logisch dat hij ook bij de weergave van de acteurs zoveel mogelijk realisme nastreeft. In die zin denk ik alleen vanuit de logica van het kunstwerk – dat in dit geval overigens geen echte animatie is, maar een hybride van animatie en live action.

    Juist omdat ze zo echt werken, sleuren ze je mee hun fantasiewereld in. Hoe onwerkelijker de werelden worden die we in films zien, hoe realistischer de manier waarop die werelden getoond worden. Je noemde de films van Pixar als tegenwicht, maar juist hun meesterwerk WALL-E is in dit realistische on-realisme misschien wel het sterkst. Die film werd niet alleen tot in de dwarrelende pluisjes zo ‘echt’ mogelijk weergegeven, maar ook, ondanks het verhaal over een eenzaam robotje op aarde, ‘gefilmd’ alsof iemand hem met een camera achterna zit. Schokkerige beelden, soms onscherp, en vlekken alsof de camera ‘tegen de zon in’ filmt, doen op zijn minst een cameraman vermoeden terwijl je moet geloven dat er niemand is – een stijl die de makers hebben gekozen om het realisme van hun film tot in het extreme op te voeren. Het is immers de stijl van veel documentaires en realityshows.

    Welke metafysische, levensbeschouwelijke, religieuze implicaties dit alles heeft, daarover zwijg ik nederig en hoef ik gelukkig in zo’n artikel ook niets te zeggen 🙂 Mijn uitspraak over de toekomst van de digitale oogopslag was ook enigszins provocatief bedoeld. Maar ik ben toch benieuwd wanneer ik voor het eerst een volledig digitaal beeld voor een mens ga aanzien, of ik dat ik inderdaad, zoals je tekst suggereert, dan wel kan wachten tot juttemis.

    Tenslotte denk ik dat Zemeckis kunst bedrijft en geen Frankenstein is die een monster tot leven wil wekken – net zo min als de realistische schilders uit de Barok of Renaissance dat waren.

  2. Hoi Kevin,

    Bedankt voor je uitgebreide reactie! Voor alle duidelijkheid: ik vind dat je in artikel zeer goed geslaagd bent in het beschrijven van de innerlijke dialoog van de animatiefilmmakers. Ik heb het stuk met grote belangstelling gelezen, zeer interessant. En natuurlijk, er is wel wat meer te zeggen over de artistieke en cinematografische verdiensten van Zemeckis, daar heb je gelijk in. Ik focus hier maar op één aspect dat me opvalt, en maak dat exemplarisch voor een bredere tendens die ik bespeur in animatiekunst, en die noem ik dan Frankenstein-animatie… Ik wil hier Zemeckis zeker niet mee in een hoek zetten, ik heb A Christmas Carol nog niet eens gezien. 🙂

    Ik heb in mijn reactie op jouw artikel vooral de menselijke dimensie willen inbrengen, omdat het me verwondert… Wat dat betreft zijn jouw opmerkingen over WALL-E interessant. Want inderdaad, Pixar stuwt daarin het hyperrealisme ook tot grote hoogte op… Maar opmerkelijk genoeg NIET in het portretteren van mensen. De mensen die in dat luxe ruimteschip vertoeven blijven karikaturale cartoonfiguren. En de meest menselijke personage in de hele film blijft toch het robotje zelf, dat in de verste verte niet op een mens lijkt. Zelfs de hondstrouwe kakkerlak vond ik menselijker dan alle mensen in die film bij elkaar.

  3. Hoi Anton,

    Nog een keer over die digitale ogen: in Avatar zijn ze nagenoeg levensecht geworden… maar ja, die N’avi zijn dan weer geen echte mensen, dus daarmee houdt regisseur James Cameron zich dan toch nog op zijn minst een enkele stap verwijderd van de rol van God. Hoewel hij dus een complete wereld heeft opgetrokken, tot in de taal van de bewoners en de Latijnse namen van de flora en fauna uitgestippeld…

  4. Hoi Kevin,
    Toevallig zag ik Avatar vandaag ook. Prachtig, inderdaad (las ook je positieve bespreking in de VK), en de ogen zagen er zeker geloofwaardig uit, maar ik blijf er hetzelfde ‘tekort’ in zien.
    Ik wil hier binnenkort trouwens ook nog even wat verder op Avatar ingaan, maar weer om heel andere redenen. Vond het een boeiende film, in ieder geval.

  5. Pingback:Een hopeloos pantheïstisch sprookje « Geloof jij het?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *