"Hier ben ik om met u te sterven…"

Het is 23 juli 1572. Willem van Oranje neemt Roermond in. Zijn soldaten plunderen met grof geweld de stad, waarbij vooral katholieke kerken en kloosters het moeten ontgelden. Paulus van Waelwijck, kapelaan en secretaris van de bisschop van Roermond, haast zich naar het karthuizerklooster. Broeder Stefanus, de portier, opent de poort. Het gezicht van Van Waelwijck is getekend door grimmige berusting. “Hier ben ik om met u te sterven”, zegt hij.

Martelaren van RoermondNiet veel later staan de soldaten voor de kloosterpoort. Broeder Stefanus is de eerste die op gruwelijke wijze wordt afgeslacht en verminkt. Nog twaalf broeders en priesters zullen hem volgen in de dood. Paulus van Waelwijck krijgt het als vooraanstaand werelds geestelijke het zwaarst te verduren. Hij wordt wreed mishandeld in de kloostertuin en uiteindelijk vermoord. Zelfs dan is de woede van de soldaten nog niet bekoeld; zij reageren hun agressie af op Van Waelwijcks lijk.

Dit is het weerzinwekkende maar waargebeurde verhaal van de Martelaren van Roermond, aan wie onlangs een boek en een website gewijd zijn. Hoe anders is deze gruwelijke geschiedenis in vergelijking met de verhalen van vroeg-christelijke martelaren. Die zijn ons vaak zo wezensvreemd, dat zij ondanks hun gruwelijkheid soms ook een glimlach op ons gezicht kunnen toveren. Neem het beroemde verhaal van de Heilige Sebastiaan. Toen de Romeinse keizer ontdekte dat hij christen was werd hij aan een paal gebonden en door talloze pijlen doorboord. Hij overleefde dit echter, en toog vervolgens doodleuk naar de keizer om te protesteren tegen diens behandeling van christenen, waarna hij uiteraard alsnog vermoord werd. 

Dit verhaal is bijna komisch, bijna aandoenlijk, en geloofwaardig door ongeloofwaardigheid. Heel anders is dat met het verhaal van de Martelaren van Roermond, of van een ander, nog recenter martelaarschap, waarover ik vandaag in De Standaard las. Dat verhaal speelt zich af in de vroege ochtend van 24 maart 1964, in India. De in Kampen geboren jezuïet Herman Rasschaert springt op zijn fiets en haast zich naar Gerda, waar de spanningen tussen moslims en hindoes hoog opgelopen zijn. Hij is vastbesloten een einde te maken aan het bloedvergieten. In Gerda aangekomen begint hij op een woedende menigte hindoes in te praten. Aanvankelijk lijken zijn sussende woorden effect te hebben, totdat iemand roept: “Dood hem, hij is de leider van de moslims.” Een stenenregen daalt op hem neer. “Binte karna do“, roept hij nog, “laat me bidden!” Maar een bijlslag op zijn hoofd maakt een einde aan zijn leven.

Dergelijke verhalen zijn in de verste verte niet komisch of aandoenlijk. En erger nog: ze zijn ons niet zo wezensvreemd als dat verhaal van Sint Sebastiaan, aan wiens relaas slechts nog de door vele eeuwen verwaaide geur van Colosseumzand en leeuwenpoep kleeft. Roermond en Gerda zijn zo misselijkmakend actueel als Dendermonde en Winnenden. Het bloed van Van Waelwijck en Rasschaert kleeft ook aan onze handen.

De hele notie van martelaarschap maakt ons daarom zo onrustig. Niet alleen omdat het begrip de laatste jaren zo vervormd is door fundamentalistische idioten met bommenvesten. Nee, de mensen die het christendom martelaars noemt zijn geen krijgers in een zelfgeschapen ‘heilige’ oorlog. Martelaarschap draait niet om de heroïek van religieus gesanctioneerd geweld, eerder om het omgekeerde – het toont ons de gruwelijkheid ervan, de (on-)menselijke treurigheid. Evenmin zijn martelaars echter passieve slachtoffers van andermans gruweldaden. Dat zou de eerbied voor het martelaarschap tot een onuitstaanbare viering van het eigen gelijk maken; zie nou toch eens hoe die wrede protestanten of hindoes of moslims die arme, onschuldige katholieken hebben uitgemoord… Of, van hetzelfde laken en pak: zie nou toch eens hoe die rare gelovigen elkaar altijd uitmoorden. Een dergelijke houding verdoezelt de eigenlijke onrust die het christelijke martelaarschap met zich meebrengt: de onrust die veroorzaakt wordt door het inzicht dat al het onmenselijke steeds mensenwerk is – werk van onze eigen handen dus.

De martelaar is iemand die zichzelf temidden van die onmenselijkheid met open handen en open vizier aanwezig stelt (“Hier ben ik…“) en ondanks alle geweld tussen mensen toch verbonden blijft met zijn medemens (“…om met u…“) en die met hen het onvermijdelijke aanvaardt (“…te sterven.“). Zij zijn geen onschuldige slachtoffers, maar evenmin beantwoorden zij geweld met geweld. Liever beantwoorden zij het met een gebed dat even tragisch én hoopvol is als de kruiswoorden van Christus.

Binte karna do.”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *