Muzikale monogamie

Weer een ander register. Even over Metallica, waaraan ik mijn nieuwste bijdrage aan Zincast gewijd heb. Ja, omdat de thematiek van de vrijheid er op paulinische wijze in doorklinkt, zoals ik in de aflevering ook uitleg. Maar die thematiek kom je in zoveel liedjes tegen. Waarom kies ik voor Metallica? Omdat het een oude liefde is. Een liefde die ups en downs heeft gekend door de jaren heen, maar die toch nooit echt gesleten is. Er kwamen nieuwe liefdes bij, liefdes die in niks op die oude vlam leken; dromerige singer-songwriters, gloedvolle somberaars, virtuoze componisten uit vervlogen eeuwen…  tja, de liefde voor muziek is nu eenmaal meestal polygaam.

Je kunt mijn muzieksmaak best eclectisch noemen. Ik geloof echter steeds minder, wat ik mezelf in het verleden nog wel wijs maakte, dat ik een brede smaak heb. Ik heb juist een vrij smalle smaak. Een heel precieze smaak. Het luistert nauw; ik kan een artiest helemaal te gek vinden, maar op de veel gehoorde reactie “Oh, dan hou je vast ook van dit-of-dat…” moet ik vaak ontkennend antwoorden.

Als tiener was ik een grootgebruiker van allerlei heavy metal; hoe harder en gemener hoe beter. Op een goed moment begon ik het echter saai te vinden, al die geveinsde boosheid en valse stoerheid, al die pretentieuze teksten die zo stompzinnig zijn dan het nog een genade is dat ze onverstaanbaar worden gebruld, die uitgekauwde riffs en oervervelende drumsprinten op de dubbele-base-pedaal. Er is dan ook nagenoeg niets van die liefde overgebleven, een belangrijk deel van mijn vele honderden obscure death- en black- en thrash-metal-cd’s heb ik verkocht. Enkele uitzonderingen mochten blijven, bands waarin ik iets meer hoor dan hard gebeuk en gemeen gescheur. Waaronder Metallica, ja – en ook wat die band betreft ben ik kieskeurig; ik hou vooral van het oude werk, met als onmiskenbaar hoogtepunt Master of Puppets uit 1986. Alles ná The Black Album uit 1990 kan me gestolen worden.

Als twintiger raakte ik verslingerd aan niet minder donkere, maar toch beduidend minder lawaaiige muziek. Knarsende akoestische gitaren, poëtische teksten gezongen met nicotinevocalen, verklankte sepiatinten. Ik heb een hoofdstuk gewijd aan dergelijke bitterzoete muziek in mijn boek Een kleine theologie van gewone dingen, waarin ik iets van mijn liefde voor de droevige liedjes heb pogen uit te leggen. Maar ook dit genre wordt geplaagd door veinzerij en valsheid, en pretentieuze teksten die zo stompzinnig zijn dat het nog een genade is dat ze binnensmonds worden gekweeld. Wederom verdween de bulk van de cd’s uit mijn collectie. Enkele uitzonderingen mochten blijven – mijn oude liefdes weer, Leonard Cohen voorop (hoewel ook hij geen deel meer uitmaakt van mijn dagelijks dieet).

Als (pas-)dertiger trad de klassieke muziek op de voorgrond; die had altijd wel meegedaan, maar in de marge. Ik ontdekte hoe heerlijk het was om met Radio 4 op de achtergrond aan het werk te gaan. Veel klassieke muziek heeft de uitwerking van een stevige boswandeling bij winterweer; het verfrist, ruimt de geest op, verkwikt het lichaam. Maar ook in dit brede genre vind ik uiteindelijk maar weinig wat mij echt bekoort. Hier laat zich vrij duidelijk benoemen wat ik wel en niet mooi vind. Kort gezegd: hoe religieuzer hoe beter. Opera en operette vind ik vals en geveinsd, pretentieuze symfonieën vind ik net zo saai als de gemiddelde death-metal-cd, maar ik heb een zwak voor componisten die ingetogen, ja biddende muziek maken; Palestrina, Pergolesi, Bach (soms), Liszt, Pärt.

Nu kom ik, krap 33, tot de ontdekking dat ik helemaal niet de breed georiënteerde muziekliefhebber ben waarvoor ik mezelf altijd gehouden heb. Ik moet eerlijk zeggen: ik luister bijna nooit meer naar muziek. Radio 4 laat ik negen van de tien keer uit wanneer ik aan het werk ben. Een werkende mp3-speler heb ik niet meer, en muziek-afspeel-functie in mijn telefoon blijft ongebruikt. Nieuwe cd’s koop ik zelden, en de oude cd’s die ik niet verkocht heb, komen nog amper de kast uit. En áls ik nog muziek luister, dan zijn het die oude liefdes, die enkelingen uit de genres waar ik ooit maar amper genoeg van kon krijgen. Metallica nog vaker dan Leonard Cohen. Maar vaker luister ik liever naar de stilte, huiver ik zelfs bij de gedachte aan muziek draaien.

Eigenlijk gek; niet van muziek houden, dat kan niet, dat mag niet. Je komt er niet mee weg in onze Facebook-cultuur, waarin je bent wat je ‘liket’. Je moet invullen van welke films je houdt, van welke muziek je houdt. En muziek heeft daarbij nog een andere kwaliteit dan films. De vraag “Hou je van films kijken?” is een vrij gangbare vraag; de vraag “Hou je van muziek luisteren?” is dat niet. In plaats daarvan vragen mensen altijd: “Naar wat voor muziek luister jij graag?” Alsof de mogelijkheid dat je überhaupt geen muziek luistert bij voorbaat is uitgesloten. En natuurlijk bestaan er voldoende mensen die eigenlijk helemaal niet van muziek houden, maar die zeggen dan doorgaans dat ze van alle muziek houden. “Och, ik hou van alles wel een beetje. Behalve van die harde metal of techno, dat vind ik niks. En ik vind dat laatste liedje van Adèle wel mooi.” Dergelijke opmerkingen zijn een eufemisme voor: “Muziek interesseert me geen lor, en kan de ene artiest nauwelijks van de andere onderscheiden, maar ik neurie wel mee met de laatste fluthitjes die ze op de radio draaien.”

Zo bekeken is een brede muzieksmaak synoniem aan geen muzieksmaak, en mag ik blij zijn met mijn steeds verder versmallende kieskeurigheid. Ik hou zo veel van muziek, dat ik bijna niets nog echt goed vind. Hopelijk klinkt dat niet blasé of hautain – zo is het niet bedoeld. Ik denk gewoon dat ik muzikaal monogamer aan het worden ben.

In de Zincast-aflevering gebruikte ik het titelnummer van Master of Puppets om iets over vrijheid te zeggen; vrijheid kan ook bestaan in het afzien van iets. “Alles is mij geoorloofd”, zegt Paulus, “maar ik moet mij door niets laten knechten.” Ook muziek kan zo’n subtielere verslaving zijn waar ik op zinspeelde in de podcast; voor mij is het dat in elk geval zeker geweest. Muziek kan bezweren; we dansen graag naar het pijpen van de fakir of de rattenvanger. Dat doet muziek die slechts zichzelf zoekt, zij het in de extremiteit van de metalband, in de sentimentaliteit van de singer-songwriter, of in de virtuositeit van de klassieke componist. Wat in mijn toenemende muzikale monogamie steeds meer overblijft, is heel directe en eenvoudige muziek. Veelal liturgische muziek, oeroude beurtzang in de Latijnse en Byzantijnse tradities. Dergelijke sacrale muziek zullen sommige mensen ook ‘bezwerend’ noemen, omdat ze meditatief en mantra-achtig is. Maar het grote verschil is dat deze muziek niet zichzelf dient. Zij zoekt geen roes of extase. Zij voert niet weg uit Hamelen met de valse belofte dat ginds het Beloofde Land is, zij brengt het ware Beloofde Land juist naar Hamelen toe. Zij verstrooit niet, zij verzamelt. In vrijheid. Ware vrijheid.

[wpaudio url=”http://nl.sitestat.com/klo/ikon/s?ikon.tvradioweb.zincast.mp3&category=zincast&ns_webdir=zincast&ns_type=pdf&ns_url=http://www.krux.nl/luisteruh/podcast/audio/mop_zincast.mp3″ text=”ZinCast – Metallica” dl=”0″]

[fb_button]

Gerelateerde artikelen:

9 gedachten over “Muzikale monogamie

  1. Heel herkenbaar artikel. Ook ik merk dat ik vrij trouw ben aan bepaalde muzikale stromingen en artiesten. Door de jaren heen wel eens een flirt maar uiteindelijk is het toch een gelimiteerd aanbod dat mij weet te bekoren. Soms compileer ik wel eens een top-10 aan albums waarmee ik de rest van m’n leven op een onbewoond eiland zou door kunnen brengen. Door de jaren heen zijn het uiteindlijk vaak weer dezelfde titels die naar boven komen. Verder het artikel, waarin je de apostel Paulus koppelt aan ‘Master Of The Puppets’ van Metallica, ook gelezen en daarna instemmend geknikt.

  2. Herkenbaar(zeer)ac/dc,eerste duik in de ruige wereld vanaf beschermde jeugd blijft je altijd bij! en;angus young blijkt(you-tube) bijna engelachtig aardig!
    maar inderdaad;alles is toch een reis naar de vredevolle stilte

  3. Mooie overweging weer Anton. Wat in mijn persoonlijke interesse steeds duidelijker belangrijk wordt is het onzegbare nauwelijks aanwijsbare, ja, nauwelijks benoembare detail, waar eigenlijk alles om draait. Mahler zei: “je kunt van muziek alles opschrijven, behalve dat waar het om gaat”. Waar gaat het dan om? Arthur Rubinstein bezocht zijn vaderland Polen. Hij zei: “ik hoorde een hele nieuwe generatie pianisten, ze speelden voortreffelijk, ongelofelijk virtuoos, er was niet het minste op hun spel aan te merken, alleen heb ik een half jaar met het idee gelopen, dat Chopin geen belangrijk componist was.” Hetzelfde konden we ook constateren bij de Voice: Charly was een uitstekend zanger, maar het deed niks; Chris liet horen dat hij had wat voor muziek nodig is. De winnares van de Voice Iris, zong keurig en onberispelijk, maar het was niet echt. De gebaartjes alleen al toonden dat inhoud en muziek niet accordeerden.
    Adèle wil nog wel eens een beetje een valse toon zingen bij een life concert, maar op andere momenten is de manier waarop ze zingt onverbeterlijk meeslepend. Een overtuigende blues kan beste een valse gitaar verdragen, en een favoriet nummer op een oude plaat wordt niet beschadigt door een terugkerende kras: want zoals Frans Babylon dichtte: “een liefhebbend geheugen corrigeert”.
    Naarmate je meer met muziek verkeert, wordt de zeggingskracht belangrijker dan de aard van de muziek, en het nummer belangrijker dan de artiest. Mijn favoriete jeugdartiesten, bijvoorbeeld Don McLean blijf ik nog steeds trouw; hij maakte de mooiste nummers, maar ook nummers die zo in de vuilnisbak kunnen. Ik adviseer hem altijd selectief te spelen: Three Flights Up is een idealistisch nummer recht uit het hart, een oproep tot een betere wereld, zoals ook Vincent, The Grave, of And I love you so zeldzaam mooi zijn. Roberta Flack schreef thuiskomend van een concert van Don McLean haar lied: “Killing me softly with his song … telling my life with his words”. Mooi compliment, maar hij maakt ook wel nummers die zo naar de dump kunnen.
    Mijn verwantschap is ook inhoudelijker geworden; de tegenstelling klassiek – pop is vervaagd. Oh My What a Shame van Don McLean is voor mij hetzelfde als een paar van de liederen van Gustav Mahler’s Lieder eines fahrenden Gesellen. Instrumenten doen er minder toe. Mensen houden soms niet van viool, of van elektrische gitaren of van orgel, terwijl je met elk instrument kunt laten horen waarom het gaat. Corelli is geen componist om mee weg te lopen, evenmin als de blokfluit als instrument: toch hoorde ik ook een fluitkwartet van Corelli wat ongelofelijk boeiend en prachtig was. Jij houdt niet van Symfonieën zeg je, maar dat kan toch niet gelden voor het Adagietto uit de Vijfde van Mahler, of voor de Pathetique van Tsjaikovsky, of de Vijfde van Beethoven ? Het is haast onmogelijk om daarvan niet onder de indruk te raken, ook als je niet professioneel geschoold bent.
    Sommigen hechten grote waarde aan authenticiteit, of aan kennis van muziek; ik vind het allemaal relatief. Het is inmiddels zonneklaar dat het gregoriaans in het verleden wel ongeveer gezongen zal zijn, zoals dat vandaag volgens de nieuwste inzichten gebeurd. Ik heb mij er uitgebreid in verdiept, maar tot op heden nooit een meer inspirerend gregoriaans gehoord, dan het foute gregoriaans (keurig door een niet bij het gregoriaans passend orgeltje begeleid) van de monniken van Clervaux (Die Stille von Clervaux).
    Verafschuwde ik vroeger Nederlandse muziek; het is onhoudbaar sinds ik Marco Borsato hoorde zingen Onbewoonbaar Verklaard of De Waarheid. Houd je niet van Franse Chansons? Hoor één keer Jacques Brel en daar gaat je vooroordeel. Vind je het nummer Halleluja niet zo geweldig? Dan heb je alleen de versies gehoord van componist Leonard Cohen of Bon Jovi of Lisa, maar niet van Jef Buckly. Verafschuwde je die mondaine Amerikaanse decadente showbuizsongs? Luister Frank Sinatra en Michael Bublé, en hup daar gaat weer een vooroordeel. Houd je totaal niet meer van keiharde rock? Moet je Quadrant four even beluisteren van Billy Cobham samen met Tommy Bolin, dan spreken we elkaar daarna nog eens. En natuurlijk vinden we Celine Dion een tut, totdat we haar O Holy Night hebben horen zingen, dan spreek je nooit meer zonder respect over haar.

  4. Ik zag dit artikel vandaag en heb het met veel herkenning gelezen. Reageren doe ik hierop meer voor mezelf dan om iemand van mijn standpunt te overtuigen. Metallica maakt hele melodieuze metal, veel geïmiteerd zelden geëvenaard. Echter vind ik een ding jammer en dat is toch het ontbreken van een positieve vermelding voor het Death Magnetic album. Wereld reizigers zoals de Metallica leden ontwikkelen zich, en dus ook muzikaal, met dit album grepen zij ook terug naar hun oude liefde en dat is pure melodieuze Metal met zeer veel energie !!!

    1. Beste Cor, bedankt voor je reactie. Dat ik Death Magnetic niet noem, komt omdat ik dat album domweg niet ken. Als ik zeg dat alles na The Black Album me gestolen kan worden, is dat niet zozeer vanwege een bepaalde mening over de nakomende albums (al vond ik Load en Re-Load wel ronduit slap), maar simpelweg omdat ik zelf de belangstelling verloor. Misschien moet ik Death Magnetic eens gaan luisteren. 🙂

  5. Het interessante is dat er weldegelijk een soort extase ontstaat als je die muziek zelf zingt( ipv beluistert). Ik heb met een gregoriaans koor De donkere Metten gezongen en door het eindeloze zingen( de metten zijn lang) maakt je lichaam kennelijk n bepaalde stof aan waardoor je een soort high gevoel ervaart.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *