Neofundamentalisten en andere simplificaties

“Mensen denken vaak dat ik hier bij het Sociaal en Cultureel Planbureau de luxe heb dat ik hele dagen kan nadenken over religie. Was het maar waar! Het is maar een klein onderdeeltje van mijn werk. Wij doen onderzoek in opdracht van het kabinet. Dat wil graag weten hoeveel ziekenhuisbedden we in 2030 nodig hebben, en hoe we de schooluitval onder Marokkaanse jongeren kunnen stoppen. Niet of de PKN toekomst heeft en hoeveel mensen een Parabeurs bezoeken. Daar houdt de politiek zich toch niet mee bezig? Dat ik me toch soms met dergelijke vragen bezig kan houden, komt omdat het mij in hoge mate interesseert. Als ik hier weg zou gaan, is het einde verhaal.”

Wij mogen, vind ik, wel wat zuiniger zijn op Joep de Hart. Zoals blijkt uit bovenstaande woorden – die ik zelf optekende uit zijn mond, toen ik hem in 2011 interviewde voor het tijdschrift Volzin – is het niet zo vanzelfsprekend dat hij zulke mooie dikke rapporten schrijft over religie voor het Sociaal en Cultureel Planbureau. Destijds interviewde ik hem over zijn boeiende onderzoek naar nieuwe spiritualiteit (Zwevende gelovigen), zopas verscheen zijn misschien nog wel veel boeiendere studie Geloven binnen en buiten. Het is een fraai boekwerk, hier integraal te downloaden, dat je het beste leest met een wijntje, pijp en ontstoken haardvuur binnen handbereik. Het bevat namelijk veel genuanceerd verwoorde en goed onderbouwde inzichten in de wijze waarop godsdienst en spiritualiteit in onze huidige samenleving transformeren. Dergelijke kost laat je nu eenmaal het beste langzaam bezinken. Vandaar dat het zo jammer is dat onze media de boodschap onmiddellijk hapklaar en luchtdicht verpakt hadden in het folietje van een simplistische conclusie: jongere gelovigen zijn steeds vaker ‘neofundamentalisten’.

Iemand die de rozenkrans bidt: dat zal wel een neofundamentalist zijn.
Iemand die de rozenkrans bidt: dat zal wel een neofundamentalist zijn.

Ik zal de eerste zijn om toe te geven dat ik me vooral ergerde aan de verslaggeving, omdat ik mezelf herkende in het geschetste beeld. Ik bedoel: ik ben als jongvolwassene vrij grondig van mijn ongeloof gevallen, kan mij nu geen leven zonder regelmatige kerkgang meer voorstellen, ben niet zo lui dat ik uit het pakket van kerkelijke leerstelligheden slechts die wens te behouden die mij goed uitkomen, en ik ben niet zo naïef dat ik de realiteit van de hel en de duivel zou ontkennen… Volgens de beschrijvingen die ik in de kranten lees, maakt mij dat ook een ‘neofundamentalist’.

Zelfs als geuzennaam gaat me dat echter te ver. Ik heb er geen enkele moeite mee ‘orthodox’ te heten, omdat ik traditie, dogma’s en gezag waardeer: ik vind dat een huis nu eenmaal een solide fundament nodig heeft. Maar fundamentalisme is iets heel anders, bijna het tegenovergestelde: het is de religieuze dwaling die het huis afbrandt om op het fundament te gaan kamperen. “Fundamentalisme is altijd een vervalsing van de religie”, zei reeds de wijze paus Benedictus XVI. “Het druist in tegen de essentie van de religie, die zoekt naar verzoening en die Gods vrede over de hele wereld mogelijk wil maken.”

Als ik het rapport van De Hart lees, kom ik de term fundamentalisme opmerkelijk genoeg ook nauwelijks tegen. Slechts éénmaal maakt de onderzoeker gewag “van wat enigszins gechargeerd een hang naar ‘neofundamentalisme’ kan worden genoemd” (blz. 85). De term wordt dus vrij terloops gebruikt, maar jammer genoeg is uitgerekend dát het gonsbegrip geworden in de verslaggeving over het onderzoek. In het interview dat ik naar aanleiding van zijn vorige studie had met Joep de Hart, benoemde hij die journalistieke neiging tot oversimplificatie overigens ook. Journalisten zijn slechts geïnteresseerd in cijfers en slogans, klaagde hij toen al:

“Ach, de cijfers… Ik moest die opnemen in mijn boek, anders word je niet serieus genomen. Jij bent vast een ander soort journalist, maar de mensen die me de eerste dagen na het verschijnen van het boek belden wilden maar één ding: percentages. Dan kun je een heel verhaal ophangen over hoe relatief dergelijke getallen zijn, hoe weinig het zegt. Maar dat interesseert ze niks. Wat ze willen weten is: ‘Hoe veel procent van de bevolking doet nu aan nieuwe spiritualiteit, meneer De Hart? Hoeveel procent van de kerkleden? Hoe was dat tien jaar geleden?’ Ze willen een slogan, een getal erbij, en ze zijn klaar. Er is een soort misverstand in Nederland, dat iets pas waar is wanneer je het hebt uitgerekend. Nou ja, iedere socioloog weet natuurlijk dat dat wat te simpel is. De diepste waarheden zijn niet in getallen uit te drukken. Eigenlijk wil ik vooral een verhaal vertellen.”

Het verhaal dat De Hart ook in Geloven binnen en buiten vertelt, is vele malen interessanter dan die loze slogans over ‘neofundamentalistische jongeren’ die er in de media van overblijven. Het is een spannend en fascinerend verhaal over een wereld waarin religieuze betrokkenheid alleen maar groeit, waarbij Noordwest-Europa de uitzondering is die de regel bevestigt; een verhaal over oude vanzelfsprekendheden die afbrokkelen, zonder dat de kerk als instituut haar maatschappelijke betekenis verliest; over hoe het nominale christendom – het ‘gewoontegeloof’ – plaats maakt voor een veel bewustere keuze voor het geloof bij een jonge generatie. Dwars tegen alle sombere cijfers over secularisatie in, is dat een hoopvol en betekenisvol verhaal, als je het mij vraagt.

3 gedachten over “Neofundamentalisten en andere simplificaties

  1. Zolang “veelvoorkomende criminaliteit” liefkozend “kleine criminaliteit” heette, hoefde je er niets tegen te ondernemen. Een “goedkoop kippetje” wil iedereen, een “plofkip” niet. Een winkel die “drugs verkoopt en verslaving bevordert” die sluit je onmiddellijk, een “coffeeshop” is gewoon gezellig. Met “eerwraak” red je de eer van de familie, met “familiemoord” maak je ze te schande. Als de media goedkeuren wat het volk wil, noemen ze iemand die dat nastreeft “een democraat”, als de media afkeuren wat het volk wil, noemen ze iemand die dat nastreeft “een populist”. Uit het feit dat de media mensen die “geloven in God, hun naaste liefhebben, en de vrede willen dienen” tegenwoordig “neofundamentalist” noemen, kunnen je dus opmaken dat we in een antichristelijke cultuur leven.

    1. Goed verwoord!

      Hoe vaak kom ik journalistiek “religie-jargon” tegen over dingen die kant noch wal raken? Hoe vaak wordt de plank niet volledig misgeslagen als het over religie gaat, en in het bijzonder de Katholieke Godsdienst? Moe word je ervan! Uitleg heeft geen zin bij deze antireligie-hoofden. Hun oordeel over ons lijkt al bij voorbaat vast te staan als een huis en is niet zelden een aaneenschakeling van bedrog en verdachtmakerij.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *