Qui bene cantat…

Afgelopen vrijdag was ik net lang genoeg in Utrecht om te beseffen dat ik het Festival Oude Muziek ging missen. Ik zag de mensen samendrommen bij de Dom. Voor de oorspronkelijke geboogde kerkdeur was een goudkleurige rechthoek neergezet die als een abstracte hemelpoort toegang bood tot het openingsconcert van het festival. Met enige spijt liep ik door; ik werd letterlijk een deur verderop verwacht. Ook de rest van de week verhinderen de (op zichzelf ook helemaal niet onaangename) plichten van werk en gezin mij terug te gaan naar Utrecht en het festival te bezoeken. Maar leve het internet, en leve onze publieke omroep: al de hele week geniet ik tijdens het werken vanachter mijn computer van de prachtige concerten van Buxtehude, Bruhns, Bach en andere componisten-met-een-B (en ook sporadisch één met een andere letter). De pc is mijn abstracte toegangspoort tot de hemelse heerlijkheden geworden.

Ja, nu ik er zo over doordenk schuilt er een onvermoede betekenis in die rechthoekige poort die de gotische grilligheid van de eigenlijke kerkdeur aan het oog onttrekt. Ik geef je groot gelijk wanneer je tegen mij zegt: op je computertje luisteren naar dergelijke concerten doet geen recht aan de totale beleving die het in levenden lijve bijwonen ervan is. Maar op een dieper niveau kun je ook zeggen: het als een concert beluisteren van muziek die van origine (in de meeste gevallen) een religieuze functie had, doet evenmin recht aan de totale beleving van die muziek. Zelfs wanneer de concerten vooral in kerken wordt uitgevoerd, zoals bij het Festival Oude Muziek het geval is. De kerk fungeert immers als een concertzaal, en ik schat in dat de meeste bezoekers de muziek vooral mooi vinden als muziek, niet als gebed (wat deze muziek eigenlijk beoogt te zijn).

[iframe width=”560″ height=”315″ src=”http://www.youtube.com/embed/T4VPDkAds2k” frameborder=”0″ allowfullscreen]

Ik bedoel dit niet als kritiek op het festival en zijn bezoekers, noch als religieus exclusivisme dat neerkijkt op seculiere uitvoeringen van ooit gewijde muziek. Integendeel; ik ben de ‘seculiere’ uitvoerders en toehoorders dankbaar dat zij deze muziek waarderen, bewaren, doorgeven. Ik ben onlangs zelfs lid geworden van de toch zeer seculiere AVRO, precies vanwege het feit dat die liberale omroep zich – veel meer dan de van origine religieuze omroepen – inspant voor het behoud van oude religieuze muziek. Zo bovenstaande observaties een kritiek bevatten, is die veeleer gericht op de christelijke traditie zelf. Met name de westerse kerken zijn veel te onverschillig geweest ten aanzien van muziek; het is te lang gezien als bijzaak, als ornament, als franje – met de kern van het geloof zou het weinig uit te staan hebben. Vanuit de arrogantie van die laatste constatering kun je dan makkelijk de neus ophalen voor de populariteit van bijvoorbeeld het Festival Oude Muziek (of Musica Sacra straks in Maastricht, of de jaarlijkse Mattäus-manie); “ach ja, de kerken zitten daar wel vol, maar al die mensen zitten daar om de verkeerde reden.” Ammehoela, denk ik dan, die mensen zitten daar om precies de goede reden; zij storten zich vol overgave op de gouden munten die de kerken als roestig blik op straat hebben gesmeten.

Augustinus’ opmerking “Qui bene cantat bis orat” kan niet vaak genoeg geciteerd worden. Wie goed zingt, bidt dubbel. Weliswaar geniet deze frase enige bekendheid, maar naar mijn indruk ook te veel als franje, als mooie tegeltjesspreuk waar iedereen het wel mee eens is, zonder dat je je hoeft te bekommeren om vermoeiende bijkomstigheden als de daadwerkelijke betekenis ervan. Toch zijn de theologische implicaties van deze zin verstrekkend. Als je die grondig op je in laat werken, luister je op een andere manier naar een priester die met een ijle en onvaste stem de prefatie zingt, of een kerkkoor van kraaien – en die zaken zijn in onze katholieke Kerk helaas eerder regel dan uitzondering. Ik denk dat dit het treurige resultaat is van het reeds door Augustinus bestreden misverstand dat mooie muziek niet de kern is van het christendom. De kern, nee het hart van de christelijke traditie is haar vertrouwelijke omgang met God, ons voorgeleefd door Christus, die zich voortdurend in gebed tot Zijn Vader wendde. Het gebed is het hart van de christelijke traditie, en het meest intense en intieme gebed is een gezongen gebed. De radicale betekenis van dat inzicht moeten we nodig op ons in laten werken.

In dat kader, tot slot, wil ik zo onbescheiden zijn om uitgebreid mezelf te citeren, uit een column die ik vorig jaar juli voor Katholiek Nieuwsblad schreef:

“Kerken mogen van minister Leers geen onderdak meer bieden aan illegale asielzoekers. Bij mijn weten heeft Leers echter niks gezegd over uitgeprocedeerde kunstenaars. Dus ik zou zeggen: laat al die schrijvers, dichters, beeldhouwers, kunstschilders, muzikanten en architecten die nu door de staat worden uitgeknepen onderdak zoeken bij de Kerk. Wij kunnen wel wat creatieve input gebruiken.

Hoe we dat gaan betalen? Simpel: de kunstenaars betalen zichzelf ruimschoots terug. Ik voorspel dat dit de Kerk dusdanig aantrekkelijker zal maken dat we binnen tien jaar de toestroom van nieuwe katholieken amper kunnen verwerken. Zwemmend in het collectegeld zullen de penningmeesters al die afgestoten kerkgebouwen van projectontwikkelaars terug moeten kopen.

De katholieke theoloog Tracey Rowland stelde onlangs dat anglicanen die graag rooms-katholiek willen worden nog maar weinig principiële redenen hebben om dat niet te doen. Dat veel anglicanen (en ik denk ook andere potentieel geïnteresseerden) toch aarzelen heeft domweg te maken met de ‘banale liturgie’ in veel katholieke parochies. Katholieken kunnen niet zingen. Sinds de late 19e eeuw toonde de Kerk vooral interesse in waarheid en te weinig in schoonheid, aldus Rowland. We hebben daardoor de liturgie verwaarloosd.

Ik hoorde John Milbank – nota bene een anglicaans theoloog – pas ongeveer dit zeggen: christenen hebben geen eigen politieke partij nodig, want ze hebben de liturgie al. Naar onze situatie vertaald: we hebben Leers en het CDA helemaal niet nodig, we kunnen beter werk maken van een fatsoenlijke liturgie. We worden dan vanzelf een politieke macht om rekening mee te houden. Laat die asielkunstenaars maar komen.”

Tot de tijd dat de Kerk en de kunstenaar elkaar weer van harte omarmen, mogen we blij zijn met zenders als Radio 4, omroepen als de AVRO, evenementen als het Festival Oude Muziek, die maken dat ik al deze prachtige religieuze muziek – via de gouden, vierkante toegangspoort die mijn computer is – nog steeds kan proeven.

3 gedachten over “Qui bene cantat…

  1. Pingback:Wat wij van zuster Cristina kunnen leren | Anton de Wit

  2. I hope so too Mary! It’s all too common in this society to treat animals as if they don’t really matter. If one of our pets got loose, I’d be tearing up the nebhoigrhood, knocking on every door, until we found them. Chances are good the owner of this cat doesn’t even know it’s missing or doesn’t care. Sad…

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *