Rekenmeesters en bomenstaarders

Religie moet je niet aan empirische wetenschappers overlaten. Empirici hebben namelijk zo hun eigen manier van liegen – ‘statistiek’ noemen we dat. Het kenmerk van statistiek is dat je er alles, ja werkelijk alles mee kunt aantonen. Nu, de meeste collega-wetenschappers weten dat gelukkig wel, dus die nemen dergelijke onderzoekjes meestal wel met de benodigde zoutkorrel. Alleen mijn vakgenoten, journalisten, reageren doorgaans heel eigenaardig wanneer je ze statistieken voorschotelt: hun ogen beginnen te draaien, hun evenwichtsorgaan begint te tollen, en als in hypnose nemen ze de gepresenteerde onderzoeksresultaten klakkeloos voor waar aan. Daarom konden we de afgelopen weken weer hilarische nieuwe ‘feiten’ over religie lezen in de pers. Religie maakt dik. Bidden vermindert boosheid. O ja: en religie staat in onder meer Nederland op het punt van uitsterven. Een simpele optel- of aftreksom leert dus dat we binnen enkele decennia een volkje zijn van graatmagere heethoofden.

Aan de onderzoeken naar de diëtistische of emotionele aspecten van de religie wens ik, na een diepe zucht, verder geen adem meer te verspillen. Ik wil me even concentreren op dat onderzoek naar het verdwijnen van religie in negen landen, waaronder Nederland. De Amerikaanse onderzoekers die dat beweren, hebben gebruik gemaakt van een zogeheten non-lineair rekenmodel – echt zo’n fraaie wetenschapperige term waar menig journalist spontaan van in hypnose schiet. Dat is zo iets, als ik het goed begrepen heb, als een model dat ervan uitgaat dat wij sociaal-calculerende wezens zijn. Als er maar weinig mensen meer religieus zijn in een land, zo is de gedachte, dan heeft het sociaal gezien maar weinig voordeel om religieus te zijn, en dus zullen mensen het laten. Het model is schijnbaar al met succes gebruikt bij het voorspellen van het uitsterven van talen.

Nou ja: natuurlijk zijn wij sociale wezens, en natuurlijk maakt het in onze eigen religieuze vorming wat uit of de mensen om ons heen religieus zijn, en op welke wijze, enzovoort. Toch kan ik maar niet onder de indruk raken van dit soort cijfergegoochel. Allereerst omdat er mijns inziens te veel variabelen zijn. Dit is een braaf fysisch model dat brave fysische wetten wenst op te leggen aan een soort die zich notoir weinig van brave fysica aantrekt. De geschiedenis van de mensheid is toch altijd grilliger gebleken dan zelfs non-lineaire modellen voorspellen kunnen. De cijferaar die, om maar wat te noemen, de dialecten in de statistische vergetelheid ziet wegzakken, kan ook verrast worden door een plotse populariteit van popbandjes die in de streektaal zingen. En als de godsdienstsociologen de afgelopen decennia íets geleerd hebben, dan is het wel dat hun o zo vanzelfsprekende secularisatiethese regelrechte apekool is gebleken.

Dat laatste brengt me op een tweede punt waarom ik niet onder de indruk ben van dit onderzoek: vanwege de complexiteit van het bestudeerde verschijnsel. Religie is, om te beginnen, een stuk diffuser en omvattender dan een taal. Dat het Quechua in Peru uitsterft omdat bijna niemand het nog spreekt en het dus sociaal voordeliger is om Spaans te spreken, is eenvoudiger vast te stellen dan dat het christendom uitsterft in onze streek omdat steeds minder mensen zich christelijk noemen. Een onderzoeker kan heel eenvoudig aan een Peruaan vragen: “Spreekt u Quechua?”, en een vinkje op zijn formuliertje zetten als die Peruaan “Arí!” zegt. Maar een bevestigend of ontkennend antwoord op de vraag “bent u christelijk?” is veel lastiger te duiden. Enerzijds omdat religie zich nooit helemaal laat grijpen door ons religieuze zelfbewustzijn: de meeste mensen kúnnen helemaal niet precies benoemen wat ze ‘zijn’, juist doordat de religieuze identiteit de vanzelfsprekendheid van weleer verloren heeft. En anderzijds omdat religie zich nooit helemaal laat grijpen door de institutionele kaders die wij er voor scheppen. De christelijke verhalen en verwachtingen, de wensen en de waarden, zitten veel dieper in ons gemeenschappelijke DNA dan wij denken. De kans dat die op een of andere manier opnieuw aan de oppervlakte zullen blijven komen, laat zich dus door geen enkel simplistisch rekensommetje uitvlakken.

Dit inzicht leidt bij sommige wetenschappers echter weer tot nieuwe bizarre gedachtekronkels. Bijvoorbeeld bij cultuurtheoloog Frank Bosman. Die mocht vorige week in het NRCV-programma Lunch! op Radio 1 als deskundige  figureren naar aanleiding van het Amerikaanse onderzoek. Luister maar:

Lunch! – Fragment

Bosman grossiert hier in het wollige sociologengeklets waarmee je journalisten makkelijk in slaap sust – maar wat zégt hij nou werkelijk? Hij begint met de constatering dat het maar net afhangt van hoe je religie definieert, en dat je het niet tot louter kerkbezoek kunt terugbrengen. Akkoord, nogal wiedes, dat ligt in het verlengde van wat ik hiervoor zei over dat religie zich nooit helemaal laat grijpen door de institutionele kaders die wij er voor scheppen.

Vervolgens doet hij iets merkwaardigs: gebruik makend van het in de moderne godsdienstsociologie gangbare onderscheid tussen traditionele kerkgangers en ‘ongebonden spirituelen’, voorspelt Bosman het einde van die eerstgenoemde categorie. Althans: die gaan het “heel moeilijk krijgen”. En waarom? Feitelijk voert Bosman als ‘verklaring’ alleen die aloude secularisatiethese aan, waarvan ik eerder al constateerde dat die apekool is gebleken. Op de vraag hoe het komt dat de kerken leeglopen, antwoordt Bosman:

“Nou, het heeft ook te maken met het welvaartsniveau. Als mensen een bepaalde mate van welvaart, en ook financiële en economische onafhankelijkheid hebben bereikt, dan hebben mensen de geïnstitutionaliseerde kerken niet meer zo nodig. De rol die kerken traditioneel daarin vervulden is niet meer zo nodig; je hoeft niet meer te vechten voor je leven, je hoeft niet meer te bedelen, je kan in principe in je eigen bestaan voorzien.”

Ik vind het werkelijk verbijsterend dat een katholiek theoloog zo’n benepen, materialistisch beeld kan hebben van de rol en betekenis van het instituut kerk. Van een liberale of socialistische econoom verwacht je dergelijke kletspraat over haves en have-nots, als ware religie een doekje voor het materiële bloeden, een schuilplaats voor de kneusjes, een laatste strohalm voor wie niks te vreten of te vertellen heeft. Het is niet eens een karikatuur van de feitelijke godsdiensthistorie, het is gewoon je reinste geschiedvervalsing. Eeuwenlang is de christelijke traditie ook – en in sommige tijden zelfs juist – gedragen door mensen die het aan niets ontbrak in materiële zin. En nog steeds zijn er voldoende welvarende westerse landen waar de kerk nog amper aan betekenis heeft ingeboet; het voorgenoemde Amerikaanse onderzoek noemde immers slechts negen landen waarin dat wel het geval was. Economie kan dus geen afdoende verklaring zijn voor de veranderende rol van religieuze instituties.

Natuurlijk: de samenleving verandert, de economische, sociale, politieke, culturele omstandigheden veranderen, en met dat alles verandert ook de wijze waarop mensen hun religieuze en andere overtuigingen tot uitdrukking brengen, delen met anderen, organiseren. Maar waarom zou dat in hemelsnaam betekenen dat het instituut kerk verdwijnt? Wat is dat meer dan een wilde speculatie, verre van wetenschappelijk, en als je er even iets beter over nadenkt ook helemaal niet aannemelijk? Iedere wetenschapper weet dat wij mensen, ondanks alle alarmerende berichten over toenemend individualisme en egocentrisme, ten diepste sociale wezens zijn – ja, het onderzoek waar we het hier over hebben nam dat gegeven zelfs als vertrekpunt van zijn methodiek. Welnu; als je dat weet, en ook weet dat de mens, in de woorden van Frank Bosman, “ongeneeslijk religieus” is (ik hou niet van deze zegswijze, omdat het religie als een nare erfelijke aandoening blijft voorstellen) – dan kun je zelf de optelsom wel maken dat wij religie nooit voor onszelf zullen houden. Wij zullen onze religie willen delen met anderen, en daarmee de facto: een uiterlijke vorm geven, organiseren, institutionaliseren.

Het sociologengeklets over ‘ongebonden spirituelen’, dat ook Bosman napraat, is daarom een onhoudbare categorie. De suggestie dat deze mensen institutioneel ongebonden zijn, duidt alleen maar op een beperkte opvatting van het begrip ‘instituut’. In mijn optiek verruilen deze mensen slechts het ene instituut voor het andere – in dit geval: de kerk voor de markt, de commercie, die een uitermate zorgvuldig georganiseerde vorm van spiritualiteit aanbiedt, namelijk de hele zelfhulp- en esoteriemarkt, de “meditatiebijeenkomsten en zingevingsbeurzen” waar ook Bosman het over heeft. En ik ben er – met Antoine Bodar, die in het radioprogramma gelukkig ook een verstandig weerwoord mocht leveren – helemaal niet zo zeker van dat dat laatste instituut een blijvertje is. De kerk heeft in elk geval zijn duurzaamheid reeds ruimschoots bewezen.

Dat laatste is iets dat veel mensen al te gemakkelijk vergeten – en het verbaast me dat Bosman het in deze uitzending ook vergeten lijkt te zijn. De kerk is in de loop van de geschiedenis uitermate resistent gebleken tegen maatschappelijke veranderingen. En die resistentie is niet te danken (of wijten) aan starheid, zoals zo vaak beweerd wordt, maar juist aan veerkracht. Zonder zich gek te laten maken door de waan van de dag, heeft de kerk toch steeds een antwoord gevonden op de vragen en behoeften van de tijd. Het hele kloosterleven, scholen en universiteiten, zorginstellingen voor zieken en armen, het pastoraat voor zo veel verschillende groepen in de samenleving – het zijn allemaal institutionele vormen waarin de kerk zich door de eeuwen heen gemanifesteerd heeft.

Velen staren zich nu blind op de clericale hiërarchie van de kerk, en noemen die star en onbuigzaam. Maar het is een te beperkt perspectief. De georganiseerde kerk laat zich beter vergelijken met een boom; groot en oud, met diepe wortels en vele vertakkingen, op het oog inderdaad onbuigzaam, maar bij nader inzien ontzettend goed toegerust op allerlei mogelijke veranderingen. De godsdienstsocioloog is iemand die op een zonnige namiddag het bos intrekt, zijn stoeltje opklapt voor zo’n boom en er eens een uurtje goed naar gaat zitten kijken. En dan verbaasd uitroept: “Jemig, wat een star ding! Die boom beweegt maar amper, en ik heb hem ook al niet zien groeien. Als ie niet al hartstikke dood is, dan zal hij dat toch spoedig zijn!”

Ik blijf me stellig afvragen: waarom in vredesnaam? Waarom zou je zo zeker zijn van het verdwijnen van “het instituut kerk”? Ik heb voor die gezochte hypothese werkelijk geen enkel steekhoudend argument gehoord. Maar toch blijven we op basis van de plechtige observaties van de bomenstaarders en de vernuftige sommetjes van de rekenmeesters allerlei sombere speculaties horen. En het verbaast me werkelijk dat nota bene een theoloog, die de eerbiedwaardige boom van de kerk toch iets beter kent, zijn sombere nootje meezingt in dit koor. Hoewel Bosman aangeeft geen wiskundige, maar theoloog te zijn, weet hij toch heel zeker te melden dat je “een punt kunt berekenen” waarop geïnstitutionaliseerde godsdienst verdwenen is. Hij schat over een jaar of vijftig. “Met pijn in het hart”, dat dan gelukkig wel. Maar beste Frank, als het je zo pijn doet aan het hart, onthoud je dan toch gewoon van die quasi-wetenschappelijke luchtfietserij. De kerk is niet weg te redeneren, en zeker niet weg te rekenen.

19 gedachten over “Rekenmeesters en bomenstaarders

    1. Iemand pakken is het probleem niet, zeker niet wanneer het open en bloot op je eigen weblog gebeurt, maar doe dat dan niet op zo’n radiobabbeltje. Dat is toch veel te goedkoop. En oh ja: Bosman voelt zich gevleid door de kwalificatie ‘Jip-en-Janneketaal’. Gebruikten maar meer doorgestudeerde scribenten die.

      1. Frank kreeg in dat “radiobabbeltje” gewoon netjes alle tijd en ruimte om zijn opinie uiteen te zetten, en dat deed hij dan ook serieus en helder. Ik zie niet in waarom het “goedkoop” zou zijn om op zijn uitspraken daar serieus in te gaan.

  1. Mooi en goed doordacht artikel Anton, weer bedankt! Frank als voorbeeld aanhalen is maar een stukje van het geheel en ook nog eens goed gekozen.

  2. De filosoof John Gray heeft al eens betoogd dat de secularisten en atheisten van vandaag eigenlijk debet zijn aan de christenen van weleer. Ik denk dat zijn stelling klopt, zij het dat daarbij de diepzinnigheid en nuances verloren zijn gegaan. Gray wijst daarbij ook op de overgang van christelijk naar seculier millennialisme. Is dat misschien niet het antwoord op je vraag? Dat er vandaag de dag een grote behoefte bestaat aan het verkondigen van een einde der tijden voor de Kerk en een gelijktijdig inluiden van het begin van het seculiere Duizendjarige Rijk, ook al is dat in weerwil van de feiten?

  3. Graag wijs ik hier op een kritische reactie op dit blog van Eric van den Berg op Isidorusweb: http://isidorusweb.nl/asp/default.asp?t=weblog_detail&weblog_id=6318

    Van den Berg nuanceert – met heel wat hypnotiserende cijfers – mijn opmerking dat de secularisatiethese apekool is. Wat die cijfers wat mij betreft echter laten zien, is dat de secularisatiethese inderdaad apekool is. Die these was in zijn oorspronkelijke vorm namelijk nogal eenzijdig en materialistisch. Wat de cijfers die van den Berg reproduceert ook zeggen is dat de werkelijkheid complexer is. Ja, klassieke vormen en instituten nemen af in betekenis, dat ontken ik ook niet, maar zoals Van den Berg (en Bosman) terecht ook zegt: religie verdwijnt daarmee niet. Kortom: ik denk dat we op dit punt niet erg veel van mening zullen verschillen.

    Van den Berg werpt verder nog enkele interessante vragen op die in mijn stuk niet aan bod zijn gekomen (een mens kan niet alles in één blogje behandelen, wel?). Ik kom daar ongetwijfeld nog op terug. Ik wil nu enkel nog even reageren op een vreemde opmerking in het stuk: dat ik “op de persoon” van Frank Bosman speel. Waar haal je dat nou vandaan? Werkelijk, wijs me één ad-hominemargument aan in dit artikel en ik wis direct en zonder morren het complete stuk. Ik ga gewoon kritisch maar inhoudelijk in op een betoog van Frank, en wijs enkele van zijn argumenten af als geklets. Het doet kortom eerder afbreuk aan het betoog van Van den Berg dat hij zo’n onzinnig verwijt inbrengt.

    1. Mooie blog, net als die van Van den Berg.
      Maar de kritiek die Van den Berg en Van Zoest uiten op jouw benadering van Bosman, slaat inderdaad nergens op. Je valt Bosman terecht aan op zijn uitspraken, en dat mag best in scherpe bewoordingen omdat je duidelijk motiveert waarom je vindt dat Bosman over de schreef gaat. Waarmee ik het eens ben.
      Eerder heb ik Bosman verdedigd tegen niet fatsoenlijk beargumenteerde aanvallen onder de gordel van Eric van Goor en Tom Zwitser. Dat ligt hier heel anders.

  4. Volgens mij valt het wel mee met de gangbaarheid van het onderscheid traditionele kerkgangers en ‘ongebonden spirituelen’ onder godsdienstsociologen. Maar ik zal het eens navragen. Misschien zijn sommige experts gewoon wat te vaak in de media.

  5. @theodebat: als ik me niet vergis is de terminologie afkomstig uit het WRR-rapport over religie waarnaar ook Bosman verwijst. In hoeverre het in die precieze termen gangbaar is, weet ik niet. Maar een dergelijk onderscheid is toch in elk geval wel gangbaar? Zo niet, dan hoor ik het graag.

  6. Ik wil best nog wel een religieuze duiding geven aan het cijfermateriaal;

    Was het niet paus Paulus VI, de Hans Dorresteijn onder de laatste pausen die zei: “Het gaat goed met de Kerk, want zij lijdt”? Ik denk dat dat aardig de kern van het probleem raakt. Heel in het kort; het Christendomdom brengt beschaving en welvaart, maar vráágt ook het één en ander van haar leden. Vragen die ze baseert op onpopulaire waarheden. Ik geloof niet zoals Calvijn dat de mens in en in slecht is, maar ze is toch wel zeer zwak. Men neemt afstand van de Kerk omdat ze gewoon geen trek heeft in de moeilijkere delen van haar leer, zeker als er zoveel meer prettiger variaties zijn op onze ‘ongeneeslijke religieuze behoefte’. Ik zeg hiermee niet dat iedereen dat bij z’n volle verstand doet, er is immers ook zo ontzettend veel verstrooiende (des-)informatie, maar in het algemeen denk ik dat de stelling die Bosman neerzet wel aardig klopt; welvaart corrumpeert. Al betwijfel ik of hij het zo zal benoemen. Het verschijnsel is ook op geen enkele wijze echt nieuw te noemen, of het nu om de rijke romeinse gnostici ging, de welvarende Languedoc onder de Albigenzen of het Westen na de Tweede wereldoorlog, steeds zie je die parallel weer terugkomen. Het eindigt meestal ook hetzelfde en daar hoor ik zowel Bosman als De Wit niet over. Ik geloof niet dat het verschijnsel van de ongebonden spiritualiteit een lang leven is beschoren, omdat haar individualiteit er uiteindelijk toe leidt dat de maatschappelijke basis aan welke ze haar groei ontleend, niet onderhouden kan worden.

    Er zijn diverse scenario’s te bedenken als het gaat om hóe het zal gaan klappen, maar klappen zal het. En dán pas, zoals je het steeds weer in de Christelijke geschiedenis terug ziet, zullen de Kerken weer volstromen. Want de diverse spirituele stromingen die nu in omloop zijn, zijn niet goed bestand tegen slecht weer.

  7. Anton, sterk stuk. Ik had het via twitter al gezegd, maar zag dat je in de Veertigdagentijd niet twittert, dus ook even hier. Je reageert scherp op Frank Bosman maar naar mijn mening blijf je op de inhoud en ruimschoots binnen de grenzen van het betamelijke. Wat secularisatie betreft: de visie dat de these “apekool” is, is tegenwoordig redelijk gangbaar, zeker onder historici. Maar ook steeds meer sociologen “zien het licht”, waaronder Peter Berger, die ruim tien jaar geleden de secularisatiethese min of meer “herriep”. Het ligt dus allemaal erg genuanceerd, denk ik, in dit debat. De transformatie van religie in westerse landen gaat in elk land weer anders. Daarbij komt dat er een heel spectrum aan oorzaken te noemen is. Je kunt het niet, zoals Jan Brouwers in zijn recentste blog doet, terugvoeren op één factor. In zijn stuk: welvaartsgroei. Dat zou een rol kunnen spelen, maar is wel typisch een van de factoren die in de jaren zestig en zeventig opgang maakte, samen met pluralisering, democratisering, etc. Berger bouwde voort op de vooroorlogse theorieën van Weber/ Durkheim, maar vooral sinds de jaren negentig is het debat alle kanten op gevlogen. Onder andere omdat historici zich ermee gingen bemoeien en gaten gingen schieten in de modellen die tot dan toe kritiekloos werden geaccepteerd.

  8. Pingback:Wiskundigen die het einde van religie voorspellen: mosterd na de maaltijd | Beautiful Blues

  9. De these dat welvaart seculariseert is aantoonbare onzin. In rijke Moslim-landen zijn mensen echt niet meer seculier. Bovendien zie je dat in opkomende landen als India en China de interesse in het Christendom juist toeneemt, niet in de laatste plaats de Rooms-Katholieke Kerk. Nederland is altijd al een welvarend land geweest en pas in de laatste vijf decennia zie je secularisatie. Ik denk zelf dat het te maken heeft met een ‘culture of critique’, dat wil zeggen een intellectueel klimaat waarin de dominante waarden (i.e. Christendom) voortdurend ter discussie worden gesteld of belachelijk worden gemaakt met als doel deze af te breken.

    P.S.: Anton zet vraagtekens bij de these, niet bij Bosman zelf. Wat betreft Van Zoest over mensen ‘pakken’ – waar het hart van vol is, loopt de mond van over.

  10. Een simpele optel- of aftreksom leert dus dat we binnen enkele decennia een volkje zijn van graatmagere heethoofden.

    lees ik hier, maar dan reken je toch wel buiten het maatschappelijke fenomeen: OBESITAS

  11. Pingback:Rekenwonders | Anton de Wit

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *