Snipper #11: De monotheïstische monosyllabe

Ergens aan de horizon van het polytheïsme, zo beweert G.K. Chesterton, schuilt steeds een onuitgesproken monotheïstische grond. In dit fragment, direct volgend op deze snipper, ontwaart hij het onuitgesproken vermoeden van één God zelfs bij voorchristelijke denkers als Socrates en Vergilius.

Ik vermoed dat er een immense implicatie schuilt achter alle vormen van polytheïsme en heidendom. Ik vermoed dat we daarnaar slechts hier en daar aanwijzingen aantreffen in deze vroege geloofsbelijdenissen of Griekse wortels. De aanwezigheid van God is wellicht niet het juiste begrip; in zekere zin zou het zelfs waarachtiger zijn om het de afwezigheid van God te noemen. Maar afwezigheid is niet hetzelfde als niet-bestaan. Een man die een toast uitbrengt op zijn afwezige vrienden, impliceert daarmee ook niet dat hij helemaal geen vrienden heeft. Het is een leegte, maar het is geen ontkenning; het is zo positief als een lege stoel. Ik zou overdrijven als ik zeg dat de heiden een lege troon boven de Olympus uit zag torenen. Veel juister is de imposante beeldspraak van het Oude Testament, waarin de profeet God van de achterzijde ziet[1]; het was alsof een of andere onmeetbare aanwezigheid de wereld zijn rug had toegekeerd. Toch missen we het punt opnieuw, wanneer we het als zoiets bewusts en levendigs voorstellen als het monotheïsme van Mozes en zijn volk. Ik bedoel niet te zeggen dat de heidense volken op z’n minst overweldigd waren door dit idee, alleen maar omdat het overweldigend is. In tegendeel, het was zo groot dat ze het vrij licht oppakten, zoals wij allemaal de lichte last van de lucht op onze schouders dragen. Als wij naar een of ander detail kijken, zoals een vogel of een wolk, kunnen wij allemaal de vreselijke blauwe achtergrond negeren; wij kunnen de lucht verwaarlozen; en precies omdat het met zo’n vernietigende kracht op ons neerdrukt voelt het aan als niets. Iets van deze soort kan alleen een indrukwekkende en een tamelijk subtiele indruk maken; maar voor mij is het een erg sterke indruk die de heidense literatuur en religie op mij maakt. Nogmaals, in onze speciale sacramentele betekenis is er natuurlijk sprake van de afwezigheid van de aanwezigheid van God. Maar in een zeer werkelijke zin is er ook sprake van de aanwezigheid van de afwezigheid van God. We voelen het in de ondoorgrondelijke droefheid van heidense poëzie; want ik betwijfel of er ooit in de verrukkelijke volwassenheid van de antieke tijd een mens geweest is die zo vrolijk was als de heilige Franciscus vrolijk was. We voelen het in de legenden van een Gouden Tijdperk[2] en wederom in de vage veronderstelling dat de goden zelf uiteindelijk voortkomen uit iets anders, zelfs wanneer die Onbekende God vervaagd is tot een noodlot. Boven alles voelen we het in die onsterfelijke momenten waarop de heidense literatuur terug lijkt te keren naar een meer onschuldige antiquiteit en met een directere stem spreekt, zodat geen woord het recht doet behalve onze eigen monotheïstische monosyllabe. We kunnen niets anders dan ‘God’ zeggen in een zin als die van Socrates die zijn rechters vaarwel zegt: “Maar nu is het tijd dat wij vertrekken, elk zijns weegs, ik om te sterven, u om verder te leven. Wie van ons een beter lot wacht, is voor niemand duidelijk behalve voor God.”[3] We kunnen zelfs geen ander woord gebruiken voor de beste momenten van Marcus Aurelius: “Iemand zong, ‘O dierbare stad van Cecrops’, zal ik dan niet zingen: ‘O dierbare stad van God’?”[4] We kunnen geen ander woord gebruiken in die ontzagwekkende regel waarin Vergilius sprak tegen al diegenen die lijden, met de waarachtige uitroep van een christen voor Christus: “O jullie, die vreselijkere dingen hebben gedragen, ook dit zal God beëindigen.”[5]

Kortom, er bestaat een gevoel dat er iets is dat boven de goden uitgaat, maar omdat het hoger is, is het ook verder weg. Zelfs Vergilius kon het raadsel en de paradox nog niet kennen van die andere goddelijke macht, die zowel hoger als nabijer is. Voor hen was datgene wat werkelijk goddelijk was erg ver weg, zo ver weg dat zij het meer en meer uit hun gedachten verbanden. Het had minder en minder te maken met louter de mythologie waarover ik later zal schrijven. Maar zelfs daarin schuilde een soort stilzwijgende beaming van een ongrijpbare puurheid, als we de voorkeuren van de mythologieën in het achterhoofd houden. Zoals de joden het niet wilden devalueren met beelden, zo wilden de Grieken het niet devalueren met verbeeldingen. Toen de goden meer en meer geëerd werden in prietpraat en praalzucht, was dat relatief gezien een beweging van eerbied. Het was een daad van vroomheid om God te vergeten. Met andere woorden, er weerklinkt iets in de toon van die tijd dat suggereert dat mensen een lager niveau geaccepteerd hadden en zich nog steeds half bewust waren dat het een lager niveau was. Het is moeilijk hier de juiste woorden voor te vinden, maar het ene werkelijk juiste woord staat klaar. Deze mensen waren zich bewust van de zondeval, al waren ze zich van niets anders bewust, en hetzelfde geldt voor de gehele heidense mensheid. Zij die gevallen zijn herinneren zich mogelijkerwijs de val, zelfs wanneer zij de hoogte vergeten zijn. Zo’n duizelingwekkend hiaat of breekpunt in het geheugen ligt aan de basis van ieder heidens sentiment. Er bestaat zoiets als een kortstondige kracht om ons te herinneren dat we iets vergeten zijn. En de meest onwetende mensen weten door het aangezicht van de aarde dat zij de hemel vergeten zijn. Maar deze mensen blijven hun momenten houden waarop ze zich, als vage jeugdherinneringen, in een simpelere taal horen praten. Er waren momenten dat de Romein, zoals Vergilius in de reeds aangehaalde regel, met een zwaardslag van lyriek door de verwarde kluwen van mythologieën hakte, waardoor de bonte boel van goden en godinnen plots uit het zicht verdwenen en de Vader der hemelen alleen aan de hemel opdoemde.

[1] “Mozes vroeg: ‘Laat mij uw heerlijkheid zien.’ Hij antwoordde: ‘Ik zal in mijn goedheid aan u voorbijgaan en in uw bijzijn de naam HEER uitroepen. Want Ik schenk genade aan wie Ik wil en barmhartigheid aan wie Ik wil.’ Maar Hij voegde eraan toe: ‘Mijn gelaat kunt u niet zien, want geen mens kan mijn gelaat zien en in leven blijven.’ Toen sprak de HEER: ‘Hier bij Mij is nog plaats; kom op de rots staan. Wanneer mijn heerlijkheid voorbijgaat, zal Ik u in de rotsholte laten schuilen, en als Ik voorbijga zal Ik u met mijn hand beschermen. Als Ik dan mijn hand terugtrek, kunt u Mij van achteren zien, want mijn gelaat kan niemand zien.’” (Ex. 33:18-23)
De notie dat God ons slechts zijn achterkant laat zien speelt een belangrijke rol zeker in het vroege denken van Chesterton. Het kan al als centraal gegeven worden gezien van The Man Who Was Thursday (1907), zoals Michael Gardner betoogt in zijn inleiding op die roman van Chesterton (The Annoted Thursday, Ignatius Press, San Francisco, 1999). De mysterieuze figuur van Sunday, zo stelt Gardner, vertegenwoordigt in dat boek de God van Spinoza, ofwel de Natuur, die in Zijn almacht soms wrede grappen uithaalt met de mensen, en van de achterkant bezien een afzichtelijk en grotesk monster is.

[2] In de Griekse mythologie beschreven als soort van arcadische oertoestand, waarin de mensen puur waren en er vrede, harmonie en welvaart heerste.

[3] De beroemde laatste woorden van Socrates’ apologie, voordat hij ter dood veroordeeld werd vanwege verondersteld ‘atheïsme’.

[4] Uit: Marcus Aurelius, Overpeinzingen, boek 4, vers 23.

[5] Uit: Vergilius, Aeneis, boek I, regel 198 & 199. De oorspronkelijke formulering luidt: “O socii — neque enim ignari sumus ante malorum — O passi graviora, dabit deus his quoque finem.” De meest gangbare Engelse vertaling luidt: “O you who have borne even heavier things, God will grant an end to these too.” Ik heb echter gekozen voor een vrij letterlijke vertaling van de zin zoals Chesterton (die veelal uit het hoofd citeerde) die gebruikte: “O you that have borne things more terrible, to this also God shall give an end.” De Nederlandse vertaling van M.A. Schwartz is overigens opmerkelijk anders: “Vrienden, wij hebben al eerder rampen geleden zwaarder dan deze; ook nu zal de godheid uitkomst geven.” Nederlandse vertalers lijken in dergelijke klassieke voor-christelijke teksten (zoals ook in het eerder aangehaalde citaat van Socrates) überhaupt meer te voelen voor het neutrale ‘godheid’ of ‘de goden’, waar hun Engelse collega’s makkelijker voor ‘God’ kiezen. Klaarblijkelijk voelen de Nederlandse vertalers weinig voor Chestertons opzettelijk anachronistische stelling dat we in dergelijke passages geen ander woord dan ‘God’ kunnen gebruiken.

Uit: G.K. Chesterton, The Everlasting Man, deel 1, hoofdstuk 4. Vertaling & noten: moi. Waarom? Daarom!

1 gedachte over “Snipper #11: De monotheïstische monosyllabe

  1. Pingback:Snipper #12: De jaloerse God « Geloof jij het?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *