Snipper #12: De jaloerse God

Je hoort het critici nog steeds vaak sneren: de God van het Oude Testament is een inhalige en oorlogszuchtige stamgod. Dat is inderdaad zo, zegt G.K. Chesterton in de onderstaande passage (het vervolg van dit fragment). Maar we moeten het joodse volk juist op onze blote knietjes bedanken voor die jaloerse God…

Dit laatste voorbeeld is zeer relevant voor de volgende stap in het proces. Een wit licht als dat van een verloren ochtendstond omgeeft nog altijd de gestalte van Jupiter, of Pan of de oudere Apollo. En het kan goed zijn, zoals reeds opgemerkt, dat elk van hen ooit een godheid was die zo solitair was als Jehovah of Allah. Zij verloren deze eenzame alomvattendheid door een proces dat ik hier noodzakelijkerwijs moet aanstippen: een proces namelijk van samensmelting dat goed te vergelijken is met wat later syncretisme werd genoemd[1]. De hele heidense wereld was erop gericht een pantheon te bouwen. Zij lieten steeds meer goden toe, niet alleen goden van de Grieken, maar ook van de barbaren; niet alleen Europese goden, maar ook Aziatische en Afrikaanse. Hoe meer zielen hoe meer vreugd, hoewel sommige goden uit Azië of Afrika niet bepaald vrolijk waren. Ze gaven deze goden een even grote troon als hun eigen goden, en soms identificeerden zij hen zelfs met hun eigen goden. Misschien zagen zij het als een verrijking van hun religieuze leven, maar het betekende het definitieve verlies van wat wij nu religie noemen. Het had tot gevolg dat dat oeroude licht van eenvoud, dat één enkele bron had als de zon, uiteindelijk uitdoofde in een verblindende warboel van conflicterende lichten en kleuren. God is werkelijk aan de goden overgeleverd – in zeer letterlijke zin werden ze hem te veel.

Polytheïsme was daarom echt een soort van ketel waarin de heidenen hun heidense religies hebben laten mengen. En dit is een belangrijk punt in verscheidene oude en nieuwe onenigheden. Het wordt gezien als liberaal en verlicht wanneer men zegt dat de god van de vreemdeling net zo goed kan zijn als onze eigen god. Ongetwijfeld vonden de heidenen zichzelf ook erg liberaal en verlicht toen ze een wilde en fantastische Dionysus die afdaalde van een berg, of een ongure en boerse Pan die uit de bossen kroop, toelieten in hun eigen kringetje van stadsgoden. Maar wat verloren gaat door deze hogere ideeën, is precies het hoogste idee van allemaal. Het is het idee van de vader die de hele wereld één geheel maakt. En het omgekeerde is ook waar. De meer ouderwetse mensen van de Oudheid die zich vastklampten aan hun eenzame beeld en hun enige heilige naam, werden ongetwijfeld gezien als bijgelovige primitievelingen, onwetend en achtergebleven. Maar deze bijgelovige primitievelingen behielden iets dat veel dichter in de buurt komt bij de universele eenheid zoals de filosofen en zelfs de wetenschappers die begrijpen. Deze paradox, van de ruwe reactionair die een soort progressieve profeet blijkt te zijn, heeft een consequentie die zeer relevant is. Puur historisch gezien, en nog los van alle andere onenigheden die ermee te maken hebben, werpt het van meet af aan een licht, zo helder en strak als een schijnwerper, op een klein en eenzaam volk. In deze paradox, dit raadsel van de religie waarvan het antwoord eeuwenlang verborgen was, schuilt de opgave en de betekenis van de joden.

Het is waar dat de wereld, vanuit menselijk perspectief bezien, God aan de joden te danken heeft. Die waarheid heeft ze te danken aan veel wat de joden kwalijk genomen wordt, en wellicht ook aan veel wat de joden kwalijk te nemen is. Ik heb de nomadische positie van de joden aan de rand van het Babylonische Rijk reeds aangestipt. Iets van hun vreemde, grillige tocht verlichtte de duisternis van de vroege Oudheid. Vanuit het land van Abraham belandden zij in Egypte, ze keerden terug naar de heuvels van Palestina, wisten uit handen te blijven van de Filistijnen van Kreta, maar werden als gevangenen naar Babylonië gebracht; en weer wisten ze naar naar hun stad op de berg terug te keren door het zionistische beleid van de Perzische overheersers. En zo ging hun verbazingwekkende en rusteloze epos voort, en nog altijd hebben wij de afloop ervan niet gezien. Maar tijdens al hun omzwervingen, en zeker hun vroege omzwervingen, droegen zij het lot van de wereld met zich mee in die houten tabernakel, waarin zich wellicht een kenmerkloos symbool bevond, en zeker te weten een onzichtbare god. Die kenmerkloosheid, kunnen we zeggen, was wellicht het belangrijkste kenmerk. Hoezeer we ook de voorkeur geven voor de creatieve vrijheid van de christelijke cultuur die zelfs de antieke kunsten overschaduwd heeft, we moeten toch het beslissende belang van het Hebreeuwse beeldverbod niet onderschatten. Het is een typisch voorbeeld van een beperking waarin iets groters bewaard en vereeuwigd is, als een muur die rond een grote open ruimte is gebouwd. De God die geen beeld kon hebben bleef een geest. Zijn beeld zou in geen geval de ontwapenende waardigheid en gratie hebben van de Griekse beelden toen of de christelijke beelden later. Hij leefde in een land van monsters. Later zal zich nog een gelegenheid aandienen om de aard van die monsters – van Moloch en Dagon en Tanit de vreselijke godin – nauwkeuriger te bekijken. Als de God van Israël ooit verbeeld zou worden, zou hij als fallus verbeeld worden. Louter door hem een lichaam te geven, zouden zij de slechtste elementen van de mythologie ingebracht hebben; de polygamie van het polytheïsme, het visioen van een harem in de hemel. Dit punt van het afkeuren van afbeeldingen is het eerste voorbeeld van de beperkingen die vaak negatief bekritiseerd worden, alleen omdat de critici zelf beperkt zijn. Maar een nog sterker voorbeeld kan gevonden in de andere kritieken van diezelfde critici. Vaak wordt met een sneer opgemerkt dat de God van Israël slechts een oorlogsgod was, een barbaarse Heer der heerscharen, die zich uit pure jaloezie als vijand opwierp van rivaliserende goden. We mogen blij zijn dat hij een oorlogsgod was. We mogen blij zijn dat hij voor de andere goden slechts een rivaal en vijand was. Want anders was het voor hen maar al te gemakkelijk geweest om hem als een vriend te zien, wat een regelrechte ramp zou zijn. Het was voor hen te gemakkelijk geweest als zij hem zijn hand zagen uitsteken in liefde en verzoening, en hij Baäl broederlijk zou omhelzen en het geschilderde gezicht van Astarte zou kussen, in een amicaal drinkgelag met de goden – de laatste god die zijn kroon van sterren zou verkopen voor de soma[2] van het hindoeïstische pantheon of de nectar van de Olympus of de mede van het Walhalla. Het zou simpel genoeg zijn voor zijn volgelingen om het verlichte pad van syncretisme te volgen en in de smeltkroes van alle heidense tradities weg te zinken. Vanzelfsprekend genoeg zakten zijn volgelingen voortdurend weg op deze gemakkelijke helling, en de haast duivelse energie van zekere geïnspireerde demagogen bleek nodig om van de goddelijke eenheid te getuigen in woorden die nog altijd nagalmen als de winden van geestdrift en vernieling. Hoe meer wij echt begrijpen van de oude omstandigheden die bijdroegen aan de uiteindelijke cultuur van het geloof, hoe meer wij een reële en zelfs realistische eerbied zullen voelen voor de grootheid van de profeten van Israël. Terwijl de hele wereld verstrikt raakte in een kluwen van verwarde mythologieën, werd de primaire religie van de gehele mensheid behouden door deze godheid die zo vaak een kleine stamgod is genoemd, en wel precies omdat hij een kleine stamgod was. Hij was tribaal genoeg om universeel te zijn. Hij was zo klein als het universum. Er bestond ooit een populaire heidense god die Jupiter-Ammon werd genoemd. Er heeft nooit een god bestaan die Jehovah-Ammon werd genoemd. Noch heeft er ooit een god bestaan die Jehovah-Jupiter heette. Als dat wel zo zou zijn, was er ook ongetwijfeld een andere god geweest die Jehovah-Moloch zou heten. Lang voordat de liberale en verlichte samensmelters zouden zijn afgedwaald naar Jupiter, zou de beeltenis van de Heer der heerscharen allang misvormd zijn totdat iedere suggestie van een monotheïstische schepper en heerser verdwenen was. Hij zou een idool geworden zijn die veel erger was dan welke heidense fetisj ook – want hij zou zo beschaafd zijn als de goden van Tyrus en Carthago. Wat die beschaving betekende zullen we in het volgende hoofdstuk nader beschouwen, wanneer we beschrijven hoe de macht van demonen Europa bijna vernietigde en zelfs de gezondheid van de heidense wereld. Maar het lot van de wereld zou nog dodelijker verstoord zijn als het monotheïsme had gefaald in de mozaïsche traditie. Ik hoop verderop nog aan te tonen dat ik in z’n geheel niet onsympathiek sta tegenover de gezonde heidense wereld met z’n sprookjes en fantasierijke religieuze verhalen. Maar ik hoop ook aan te tonen dat deze op lange termijn tekort zouden schieten, en dat de wereld verloren zou zijn wanneer zij niet terug kon keren naar die grootse oorspronkelijke eenvoud van een enkelvoudig gezag dat alles doortrekt. Dat we iets behouden van die oorspronkelijke eenvoud waardoor dichters en filosofen inderdaad een universeel gebed kunnen uitspreken[3], dat we in een grote en serene wereld leven onder een hemel die zich vaderlijk uitstrekt over alle volkeren van de aarde, dat wijsheid en menslievendheid vanzelfsprekendheden zijn in een religie van redelijke mensen, dat alles hebben we wis en waarachtig te danken aan een geheimzinnig en rusteloos nomadisch volk, dat de mensheid de zalige zegen schonk van een jaloerse God.

[1] Syncretisme is een poging om verschillende, soms tegenstrijdige religieuze denksystemen met elkaar te verzoenen.

[2] Soma is een rituele, geestverruimende drank uit India.

[3] De 18e-eeuwse Engelse dichter Alexander Pope – door Chesterton eens ‘the last great poet of civilisation’ genoemd – schreef in 1738 het gedicht The Universal Prayer. Met name de eerste en de laatste strofe ademen iets van die oorspronkelijke eenvoud waar het Chesterton het hier over heeft:

Father of All! in every Age,
In every Clime ador’d,
By Saint, by Savage, and by Sage,
Jehovah, Jove, or Lord!

(…)

To Thee, whose Temple is all Space,
Whose Altar, Earth, Sea, Skies:
One Chorus let all Being raise!
All Nature’s Incense rise!

Uit: G.K. Chesterton, The Everlasting Man, deel 1, hoofdstuk 4. Vertaling & noten: moi. Waarom? Daarom!

2 gedachten over “Snipper #12: De jaloerse God

  1. Prachtig, vooral dit: “Ik hoop verderop nog aan te tonen dat ik in z’n geheel niet onsympathiek sta tegenover de gezonde heidense wereld met z’n sprookjes en fantasierijke religieuze verhalen. Maar ik hoop ook aan te tonen dat deze op lange termijn tekort zouden schieten, en dat de wereld verloren zou zijn wanneer zij niet terug kon keren naar die grootse oorspronkelijke eenvoud van een enkelvoudig gezag dat alles doortrekt.”

  2. Pingback:Snipper #13: Job, Hektor en Brahma « Geloof jij het?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *