Snipper #19: Rede en verbeelding

PrometheusChristendom en heidendom — wat ze gemeen hebben, is volgens G.K. Chesterton een diep-menselijk instinct voor verbeelding. Maar al in het vorige fragment begonnen zich de contouren van een verschil af te tekenen, dat hij hier verder expliciteert. Ik vind dit persoonlijk een van de mooiste fragmenten uit het vijfde hoofdstuk van De eeuwige mens, door de fraaie frasen en ronkende stellingen die ook in het huidige debat over de redelijkheid van religie gehoord mogen worden.

Het gehele heidendom komt in wezen hier op neer. Het is een poging om de goddelijke werkelijkheid te bereiken via louter de verbeelding; de rede heeft er in z’n geheel geen vat op. Het is cruciaal voor een goed begrip van de geschiedenis om te zien dat de rede zelfs in de meest rationele van deze beschavingen niets met religie had uit te staan. Slechts in retrospectief, wanneer dergelijke culten in verval raakten of in het defensief werden gedwongen, probeerden een paar neoplatonisten of brahmanen ze te rationaliseren, en zelfs toen nog enkel door ze als allegorie voor te stellen.

Maar in werkelijkheid stromen de rivieren van de mythologie en de filosofie parallel, en ze kruisen elkaar nergens tot ze elkaar ontmoeten in de zee van het christendom. Simpele secularisten doen nog steeds alsof de Kerk een soort scheiding tussen rede en religie heeft aangebracht. De waarheid is dat de Kerk de eerste was die ooit gepoogd heeft om rede en religie bijeen te brengen. Nooit eerder bestond er een dergelijke eenheid van priesters en filosofen. Mythologie zocht god via de verbeelding; of de waarheid via de schoonheid, in de zin waarin schoonheid zelfs de meest groteske lelijkheid in zich herbergt. Maar de verbeelding heeft haar eigen wetten en daarom ook haar eigen triomfen, die noch filosofen noch wetenschappers kunnen begrijpen. Zij bleef trouw aan dat fantasierijke instinct, in duizenden buitensporigheden, in iedere kosmische klucht waarin een varken de maan opeet of de wereld uit een koe wordt gesneden, in iedere duizelingwekkende draaiing en mystieke misvorming van de Aziatische kunst, in al de starre en starende stroefheid van de Egyptische en Assyrische schilderkunst, in iedere gebarsten spiegel van dwaze kunst die de aarde vervormde en de hemel vertekende – in dat alles bleef zij trouw aan iets waarover niet te twisten valt, iets dat het mogelijk maakt dat de een of andere kunstenaar van de een of andere school plots halt houdt voor zo’n misbaksel en zegt: “Mijn droom is uitgekomen.” Vandaar dat we allemaal feilloos aanvoelen dat heidense of primitieve mythen oneindig suggestief zijn, zolang we maar wijs genoeg zijn om ons niet af te vragen wat ze suggereren. Vandaar dat we allemaal haarfijn snappen wat het betekent dat Prometheus het vuur uit de hemel steelt, totdat de een of andere pedante pessimist of progressieveling komt uitleggen wat het betekent. Vandaar dat we allemaal de betekenis kennen van Japie en de Bonenstaak, totdat die betekenis ons medegedeeld wordt. In deze zin is het waar dat het de eenvoudige mens is die de mythen aanvaardt, maar alleen omdat het de eenvoudige mens is die poëzie waardeert. Verbeelding heeft haar eigen wetten en triomfen, en een ontzagwekkende macht begon haar beelden te bekleden, of het nu beelden in de geest of in de modder waren, beelden van oriëntaal bamboe of van Helleens marmer. Maar de zege was nooit zorgeloos – ik heb de zorgen op deze bladzijden vergeefs geprobeerd te ontleden; maar wellicht kan ik ze als volgt samenvatten.

Het punt is dat de mens het natuurlijk vond om te aanbidden; het zelfs natuurlijk vond om onnatuurlijke dingen te aanbidden. De houding van het afgodsbeeld kan stijf en vreemd zijn, maar het gebaar van de aanbidder was genereus en sierlijk. Niet alleen voelde hij zich vrijer wanneer hij knielde, hij voelde zich zelfs groter door te buigen. Voortaan zou alles wat het gebaar van aanbidding verhinderde hem klein houden en zelf blijvend verminken. Voortaan zou het louter wereldse gelijk staan aan slavernij en beperking. Als een mens niet kan bidden is hij gemuilkorfd; als hij niet kan knielen is hij gekneveld. Daarom is in het gehele heidendom een curieuze ambivalentie voelbaar, een vertrouwen en wantrouwen. Als de mens de goden aanroept of hen een offer brengt, als hij het plengoffer uitgiet of het zwaard opheft, weet hij dat hij iets waardigs en vruchtbaars doet. Hij weet dat hij iets doet waarvoor de mens gemaakt is. Zijn experiment in verbeelding is daarom gerechtvaardigd. Maar juist omdat het begon met verbeelding, schuilt er ten slotte ook iets van spot in, vooral in het object ervan. In de meer gespannen ogenblikken van het intellect verwordt deze spot tot de haast onuitstaanbare ironie van de Griekse tragedie. De verhoudingen tussen de priester en het altaar, of tussen het altaar en de god, lijken volledig zoek te zijn. De priester lijkt plechtiger en bijna heiliger te zijn dan de god. De gehele orde van de tempel is gegrond en gezond en bevredigend voor bepaalde aspecten van onze natuur, behalve juist het hart van die tempel, dat veranderlijk en vreemd lijkt, als een dansende vlam. Rond deze eerste gedachte is het geheel opgebouwd en de eerste gedachte is nog altijd een illusie en haast een frivole gril. Op die vreemde ontmoetingsplek, lijkt de mens meer gebeeldhouwd dan het beeld. Hijzelf kan eeuwig in de verheven en natuurlijke houding staan van het beeld van de biddende jongen [1]. Maar welke naam er ook op het voetstuk wordt geschreven – Zeus of Ammon of Apollo – de God die hij aanbidt is Proteus [2].

De biddende jongen
De biddende jongen

Je kunt wellicht stellen dat de biddende jongen niet zozeer een behoefte bevredigt, maar veeleer een behoefte uitdrukt. Dat zijn handen opgeheven zijn is niet meer dan normaal en noodzakelijk; maar even veelzeggend is het dat zijn handen leeg zijn. Over de aard van deze behoefte zal meer te zeggen zijn. Voor nu volstaat het te zeggen dat deze ware intuïtie, dat gebed en offer vrijheid en verheffing betekenen, dan misschien toch terugverwijst naar dat enorme en halfvergeten begrip van universeel vaderschap, waarvan we eerder zagen dat het overal vervaagde aan de ochtendhemel. Dit is waar, maar toch is het niet de hele waarheid. Het onverwoestbare instinct blijft bestaan, in de door het heidendom voortgebrachte dichter, dat hij het niet geheel bij het verkeerde eind heeft wanneer hij zijn god lokaliseert. Dit komt voort uit de ziel van de dichtkunst, of misschien zelfs uit de ziel van de vroomheid. En de grootste van alle dichters zei niet, toen hij de definitie van een dichter gaf, dat die ons het universum of het absolute of het oneindige gaf, maar juist, in zijn eigen meeromvattende taalgebruik, een woonplaats en een naam. Geen enkele dichter is louter een pantheïst; die meest pantheïstisch georiënteerde dichters, zoals Shelley, beginnen net als de heidenen bij een of ander plaatselijk en particulier beeld. Shelley schreef immers over de leeuwerik omdat het een leeuwerik was. Je kunt er geen internationale vertaling van maken voor Zuid-Amerika waarin je er een struisvogel van maakt. Zo beweegt de mythologische verbeelding zich als het ware in cirkels, om een plek te vinden of daarin terug te keren. Kortom, mythologie is een zoektocht; zij combineert een terugkerend verlangen met een terugkerende twijfel, koppelt een smachtende ernst over het zoeken naar een plaats aan een duistere en diepe en mysterieuze lichtzinnigheid over alle gevonden plaatsen. Tot zover bracht de eenzame verbeelding ons, en later moeten we het nog over de eenzame rede hebben. Nergens op deze weg hebben die twee ooit samen gereisd.

[1] De ‘biddende jongen’ is een beroemd bronzen beeld, gemaakt in Griekenland, circa 300 voor Christus. Na veel omzwervingen (Napoleon ging er bijvoorbeeld mee aan de haal) is het inmiddels in een museum in Berlijn terecht gekomen.
[2] Proteus is een oude Griekse zeegod die van gedaante kon veranderen. Het Engels kent een van zijn naam afgeleid bijvoeglijk naamwoord, protean, dat zoiets als ‘veranderlijk’ of ‘inconsistent’ betekent.

Uit: G.K. Chesterton, The Everlasting Man, deel 1, hoofdstuk 5. Vertaling & noten: moi. Waarom? Daarom!

4 gedachten over “Snipper #19: Rede en verbeelding

  1. Pingback:Snipper #20: Een heidense Christus? « Geloof jij het?

  2. Pingback:Snipper #20: Een heidense Christus? | Anton de Wit

  3. Pingback:De mythe van het monster | Anton de Wit

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *