Snipper #21: Beschaving en bijgeloof

Mensen offer bij de AztekenHet vijfde hoofdstuk (in zes stukken vertaald: 1, 2, 3, 4, 5, 6) van De eeuwige mens kun je als een lofzang op de heidense mythologieën lezen: G.K. Chesterton beschrijft daar de innerlijke logica en grootsheid van het heidendom. In het zesde hoofdstuk, waarvan hieronder de eerste alinea’s zijn vertaald, beschrijft hij de keerzijde van de medaille: hoe het heidendom degenereerde tot iets minderwaardigs, ja zelfs iets satanisch…

Hoofdstuk 6
Denkers en demonen

Ik heb vrij lang stilgestaan bij het fantasierijke heidendom dat de wereld met tempels beplant heeft en dat overal de vader van de volksfeesten is. De hoofdlijn van de geschiedenis van de beschaving kent, zo ik het zie, nog twee fasen voor de uiteindelijke fase van het christendom. De eerste fase was de strijd tussen het genoemde heidendom en iets dat daar minderwaardig aan is, en de tweede was een proces waarbij het heidendom zelf in iets minderwaardigs veranderde. In dit gevarieerde en vaak erg vage polytheïsme schuilde de zwakheid van de erfzonde. Heidense goden werden afgebeeld als figuren die mensen als dobbelstenen rondwierpen, en mensen zijn inderdaad met lood verzwaarde dobbelstenen. Vooral op het gebied van seksualiteit is de mens onevenwichtig geboren; we kunnen bijna zeggen krankzinnig. Genezing is zeldzaam, en slechts via de heiligheid te bereiken. Deze onevenwichtigheid trok de gevleugelde fantasieën naar de grond, en besmeurde het einde van het heidendom met de vuiligheid en vunzigheid van perverse goden. Maar eerst moeten wij ons realiseren dat deze vorm van heidendom al vroeg botste met weer een andere vorm van heidendom, en dat die in wezen geestelijke strijd werkelijk de loop van de geschiedenis bepaalde. Om dat te begrijpen moeten we eerst iets over dat andere heidendom weten. We kunnen daar veel korter bij stil staan – dat er minder over te zeggen valt is inderdaad des te beter. Noemden we de eerste vorm de mythologie van de dagdroom, dan kunnen we deze tweede soort de mythologie van de nachtmerrie noemen.

Bijgeloof steekt in alle tijdperken de kop op, en vooral in rationalistische tijdperken. Ik herinner mij dat ik eens op de bres sprong voor de religieuze traditie tegenover een heel gezelschap van voorname agnosten. Vóór het einde van onze discussie had ieder van hen een of andere amulet op talisman uit zijn zakken gevist, waarvan hij toegaf dat hij het altijd bij zich droeg. Ik was de enige onder de aanwezigen die het had nagelaten zich van een fetisj te voorzien. Bijgeloof steekt in rationalistische tijden de kop op omdat het berust op op iets dat verwant is aan scepticisme, zo het al niet identiek is aan het rationalisme zelf. In ieder geval is het zeer nauw verwant aan agnosticisme. Het berust op een zeer menselijk en begrijpelijk sentiment, vergelijkbaar met het aanroepen van plaatselijke numina[1] in het volkse heidendom. Maar het is een agnostisch sentiment omdat het berust op twee gevoelens: ten eerste dat wij de wetten van het universum niet werkelijk kennen, en ten tweede dat die wetten misschien wel niets te maken hebben met alles wat wij rede noemen. Zulke mensen zijn zich bewust van de wezenlijke waarheid dat enorme dingen vaak afhangen van heel kleine dingen. Wanneer het gerucht gaat, vanuit een traditie of wat dan ook, dat één specifiek klein ding de sleutel is tot al het grote, dan vertelt een diep en zeker niet geheel zinloos menselijk instinct hen dat dit gerucht wel eens waar kan zijn. Dit gevoel bestaat in de beide vormen van heidendom waarover wij hier spreken. Maar als wij naar de tweede vorm kijken, dan zien we dat deze intuïtie getransformeerd is en doordrenkt van een gruwelijkere geest.

Toen ik schreef over het lichtere deel van de mythologie, heb ik weinig gezegd over het meer discutabele aspect ervan: namelijk de mate waarin het aanroepen van de geesten van de zee of de elementen daadwerkelijk geesten op kan roepen uit de donkere diepten; of sterker nog, zoals de spotter van Shakespeare het uit zou drukken, of de geesten komen wanneer zij geroepen worden[2]. Volgens mij veronderstel ik terecht dat dit probleem, hoe praktisch het ook klinkt, niet zo’n belangrijke rol heeft gespeeld in de poëtische onderneming van de mythologie. Ik denk echter dat het zeker zo duidelijk is, dat alles er op wijst dat dergelijke dingen aan mensen verschenen zijn, zelfs al waren ze maar schijn. Maar als we het bijgeloof in een meer subtiele zin bezien, ontdekken we een net iets andere accent – een dieper en donkerder accent. Ongetwijfeld is het meeste volkse bijgeloof zo frivool als iedere volkse mythologie. Er is geen mens die in alle dogmatische ernst gelooft dat God een bliksemschicht op hem afschiet wanneer hij onder een ladder doorloopt. Meestal zal hij slechts toegeven aan de niet bijzonder vermoeiende neiging om er omheen te lopen. Je moet er niet meer achter zoeken dan wat ik reeds geschetst hebt: een soort luchtig agnosticisme over de mogelijkheden binnen een zo vreemde wereld. Maar er bestaat een ander soort bijgeloof dat wel degelijk naar resultaten zoekt. We kunnen dat een realistisch bijgeloof noemen. En in dat bijgeloof wordt de vraag of de geesten antwoorden of verschijnen plots een stuk ernstiger. Zoals ik al zei, lijkt het mij zeer waarschijnlijk dat ze dat soms doen; maar er bestaat hierin een onderscheid dat al veel kwaad de wereld in heeft gebracht. Ik weet niet of het komt doordat de zondeval de mensen dichter bij minder gewenste buren in de geestelijke wereld heeft gebracht, of gewoon omdat de onrustige en hebzuchtige mens zich beter in het kwaad kan inleven, maar in ieder geval geloof ik dat de zwarte magie van de hekserij veel praktischer en veel minder poëtisch was dan de witte magie van de mythologie. Ik stel me zo voor dat de tuin van de heks veel zorgvuldiger onderhouden is dan de bossen van de nimf. Ik stel me voor dat de akkers van het kwaad vruchtbaarder zijn geweest dan die van het goede. Om te beginnen dreef een impuls, wellicht een wanhopige impuls, de mensen naar de duisterdere machten wanneer zij met praktische problemen te maken kregen. Er bestond een soort verholen en pervers gevoel dat de duistere machten echt zouden werken, dat hun benadering meer no-nonsense was. Die populaire zegswijze slaat de spijker inderdaad precies op de kop. Aan de goden van de normale mythologie kleefde net een heleboel nonsens; in de vrolijke en lachwekkende zin waarin wij spreken van de nonsens van de Koeterwaal[3] of het land waar de Jumblies[4] zijn. Maar wie een demon aanzocht voelde zich zoals velen zich voelen wanneer zij een detective aanzoeken, vooral wanneer het een privé-detective is: dat het om een vuil klusje gaat dat desalniettemin geklaard moet worden. Een mens ging nooit echt het bos in om een nimf te ontmoeten; hooguit hoopte hij er een te ontmoeten. Het was een avontuur, niet zozeer een opdracht. De duivel echter hield zich aan zijn afspraken en zelfs in zekere zin aan zijn beloften – zelfs als de mens, zoals Macbeth, achteraf had gewild dat hij ze had gebroken.

Uit de studies van talloze primitieve of wilde volken komt duidelijk naar voren dat de verering van demonen veelal volgt op de verering van goden, en zelfs op de verering van een enkele almachtige godheid. Men kan vermoeden dat in al die gevallen de hogere godheid als te hoog verheven werd gezien om lastig te vallen met onbeduidende verzoeken, en dat mensen zich tot de geesten keerden omdat die hen vrij letterlijk meer nabij waren. Maar met het idee om demonen aan te roepen om dingen voor elkaar te krijgen, ontstond ook een nieuw idee dat de demonen meer waardig was. Het kan heel terecht beschreven worden als het idee van de demonen waardig zijn; van het zichzelf geschikt maken voor hun strenge en veeleisende samenleving. Het lichtere type bijgeloof speelt met het idee dat een of andere trivialiteit, een of ander klein gebaar zoals het strooien van zout, de mysterieuze machinerie van de wereld in gang kan zetten. En er valt wel iets te zeggen voor dat Sesam-open-u. Maar in het beroep op lagere geesten schuilt de vreselijke notie dat het gebaar niet enkel klein, maar ook laag bij de grond moet zijn; dat een een vuil trucje moet zijn van een lelijk en laag kaliber. Vroeg of laat dwingt een mens zichzelf om opzettelijk het walgelijkste te doen wat hij kan bedenken. Men denkt dat het diepste dieptepunt een soort aandacht of antwoord kan afdwingen van de kwaadaardige krachten onder het aardoppervlak. Daarin schuilt de betekenis van de meeste vormen van kannibalisme. Want kannibalisme is meestal helemaal geen primitief of beestachtig gebruik. Het is kunstmatig en zelfs kunstzinnig, een soort kunst omwille van de kunst. Mensen doen het niet omdat ze het niet als iets afgrijselijks zien, integendeel, ze doen het omdat ze het wél als iets afgrijselijks zien. Zij willen zich letterlijk voeden aan verschrikkingen. Dat verklaart waarom wilde volkeren zoals de Australische Aboriginals geen kannibalen blijken te zijn, terwijl veel verfijndere en intelligentere stammen zoals de Maori dat soms wel zijn. Ze zijn verfijnd en intelligent genoeg om zich soms uit te leven in zelfbewuste duivelskunst. Maar als we hun geestesgesteldheid konden begrijpen, als we zelfs hun taal echt konden begrijpen, dan zouden we waarschijnlijk ontdekken dat zij zich niet voordeden als onwetende, onschuldige kannibalen. Ze doen het niet omdat ze het niet verkeerd vinden, maar precies omdat ze het wel verkeerd vinden. Ze gedragen zich als een decadente Parijse intellectueel bij een Zwarte Mis. Maar de Zwarte Mis moet zich ondergronds verschuilen voor de aanwezigheid van de echte Mis. Met andere woorden, de demonen hebben zich daadwerkelijk schuilgehouden sinds de komst van Christus op aarde. Het kannibalisme van de hogere barbaren verschuilt zich voor de beschaving van de blanke man. Maar dat was lang niet altijd het geval voor de opkomst van het christendom, zeker buiten Europa. In de oude wereld paradeerden de demonen vaak openlijk rond als draken. Ze konden publiekelijk op een goddelijke troon gezet worden. Hun enorme afbeeldingen konden aanbeden worden in openbare tempels in het centrum van dichtbevolkte steden. En over de hele wereld kunnen sporen worden gevonden van dit treffende en tastbare feit, dat vreemd genoeg totaal over het hoofd wordt gezien door de modernen die een dergelijk kwaad beschouwen als primitief en weinig geëvolueerd; het feit namelijk dat sommige van de verst ontwikkelde beschavingen ter wereld precies de plekken zijn waar de hoorns van Satan worden opgeheven, niet enkel naar de sterren, maar recht in het gezicht van de zon. Neem nu bijvoorbeeld de Azteken en de Amerikaanse Indianen van de eeuwenoude tempels van Mexico en Peru. Zij waren zeker zo ver ontwikkeld als het oude Egypte of China en maar amper minder levendig dan die belangrijke beschaving die de onze is. Maar zij die die belangrijke beschaving bekritiseren (die altijd hun eigen beschaving is), hebben de vreemde gewoonte om niet alleen de zeer gerechtvaardigde taak uit te voeren van het veroordelen van haar misdaden, maar zichzelf tevens te verliezen in het idealiseren van haar slachtoffers. Ze gaan er altijd maar vanuit dat voor de komst van de Europeanen de gehele wereld Eden was. Swinburne[5] bezigde in zijn geestdriftige litanie der naties in Songs before Sunrise enkele opmerkingen over de Spaanse verovering van Zuid-Amerika die ik altijd uiterst vreemd heb gevonden. Hij zei iets over hoe de zonden en zonen van Spanje zich over de zondeloze landen verspreidden, en hoe zij zo de naam van de mensen vervloekten en de naam van God zelfs driewerf vervloekten[6]. Het kan dan heel terecht zijn dat hij zei dat de Spanjaarden zondig waren, maar waarom zou hij in hemelsnaam beweren dat de Zuid-Amerikanen zonder zonden waren? Waarom ging hij er toch van uit dat dat continent uitsluitend door aartsengelen en heiligen bewoond werd? Het zou al sterk zijn om dat van de meest respectabele buurt te zeggen, maar als we dan denken aan wat wij daadwerkelijk weten over die samenlevingen, is zijn opmerking tamelijk hilarisch. We weten dat de zondeloze priesters van dit zondeloze volk zondeloze goden aanbad, die als de nectar en het ambrozijn van dat zonnige paradijs niets anders aannam dan onophoudelijke mensenoffers vergezeld van gruwelijke martelingen. Ook vinden wij in de mythologie van deze Amerikaanse beschaving dat element van omkering of geweld tegen het instinct waarover Dante schreef, en dat als een rode draad door alle onnatuurlijke demonische religies loopt. Het toont zich niet enkel in de ethiek, maar ook in de esthetiek. Een Zuid-Amerikaans afgodsbeeld werd zo lelijk mogelijk gemaakt, zoals een Grieks beeld zo mooi mogelijk werd gemaakt. Zij zochten naar het geheim van de macht, door hun eigen natuur en de natuur van alle dingen tegen te werken. Altijd bestond er een verlangen om ten slotte, in goud of graniet of het donkerrode hardhout, een gezicht uit te houwen dat de hemel zelf zou doen barsten als een spiegel.

[1] Numina zijn vroege, niet-antropomorfe goden of machten uit het Romeinse heidendom, vaak geassocieerd met één bepaalde (woon-)plaats.
[2] De bedoelde spotter is Hotspur (gebaseerd op de historische figuur Sir Henry Percy), uit Shakespeares Henry IV, eerste deel, derde akte:

Glendower: I can call spirits from the vasty deep.
Hotspur: Why, so can I, or so can any man;
But will they come when you do call for them?

[3] De Koeterwaal (origineel: Jabberwocky) is het onderwerp van een nonsensgedicht van Lewis Caroll, in het beroemde boek Through the Looking Glass uit 1871. Een fragment uit dit gedicht, in de briljante vertaling van Nicolaas Matsier:

‘Hoed voor de Koeterwaal je, zoon!
Zijn scherp gebit, zijn reuzenzwaai!
Vermijd het Dubdubdier, verschoon
De glurieuze Beffesnaai!’

[4] In ons land wellicht iets minder bekend, het gedicht The Jumblies van de Engelse kunstenaar en dichter Edward Lear (1812-1888). In een Nederlandse vertaling van J.A. Waterman luidt de eerste strofe:

Zij gingen naar zee in een Zeef. Hoezee!
Per Zeef gingen zij naar de zee.
Hun moeders goede raad ten spijt,
Op een winterdag in de koudste tijd,
Gingen zij in een Zeef over zee.
En toen hun Zeef draaid’ als een tol
En iedereen riep: ‘Kijk uit, hij loopt vol!’
Riepen zij terug: ‘Geen nood, geen nood!’
‘Het water is diep en de Zeef is niet groot’
‘In een Zeef gaan wij over de zee!’
Ver en klein, ver en klein
Is het land, waar de ‘Jumblies’ zijn,
Hun hoofdjes zijn groen en hun oogjes scheef
En zij gingen naar zee in een Zeef.

[5] A.C. Swinburne (1837-1909) was een in de 19e eeuw erg populaire Engelse dichter.
[6]De precieze strofe waarnaar Chesterton verwijst gaat zo:

SPAIN
I am she that set my seal upon the nameless
West worlds of seas;
And my sons as brides took unto them the tameless
Hesperides.
Till my sins and sons through sinless lands dispersèd,
With red flame shod,
Made accurst the name of man, and thrice accursèd
The name of God.
Lest for those past fires the fires of my repentance
Hell’s fume yet smother,
Now my blood would buy remission of my sentence;
Hear us, O mother.
(A.C. Swinburne, The Litany of Nations, uit Songs before Sunrise (1871).)

Uit: G.K. Chesterton, The Everlasting Man, deel 1, hoofdstuk 6. Vertaling & noten: moi. Waarom? Daarom!

3 gedachten over “Snipper #21: Beschaving en bijgeloof

  1. Pingback:Snipper #22: De zonden der zondelozen « Geloof jij het?

  2. Pingback:Een hopeloos pantheïstisch sprookje « Geloof jij het?

  3. Pingback:Vijf dingen die Bowie goed begrepen heeft over de Kerk | Anton de Wit

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *