Snipper #23: Afkeer van de afgoden

Met verbazing ontdekte ik dat het al weer bijna een jaar geleden is sinds ik voor het laatst een snippertje van mijn vertaling van Chestertons Eeuwige mens op dit weblog heb geplaatst. Heus, ik heb op dat vlak niet stilgezeten: voor de gedrukte editie van Catholica maak ik een reeks waarvoor ik de pareltjes uit deze vertaling nog iets verder gepolijst heb, en ik heb gesprekken gevoerd met geïnteresseerde uitgevers voor het hele boek. Maar voor het vertaalwerk zelf heb ik de laatste maanden nauwelijks tijd gehad – of beter: tijd genomen, want tijd hebben wij allemaal in overvloed, maar we vergeten in al onze haast vaak de vruchten van die overvloed te plukken. Afijn, ik blijf De eeuwige mens een mooi, belangrijk, geestig en actueel boek vinden, en ik blijf genieten van de kalmerende inspanning van het vertaalwerk, dus ik ga er graag mee door. Ik pak de draad weer op in het zesde hoofdstuk, Denkers en demonen, waarin Chesterton de duistere kanten van het heidendom beschrijft.

The Prioress Tale van Edward Burne-Jones. Verbeelding van het verhaal van het vermoorde kind uit Chaucers Canterbury Tales.

Deze omgekeerde verbeelding brengt dingen voort waarover men beter niet spreken kan. Sommige van die dingen kunnen misschien zelfs benoemd worden zonder dat ze bekend zijn, want ze zijn zo ontzettend kwaadaardig dat de onschuldigen ze voor onschuldig houden. Ze zijn te onmenselijk om onfatsoenlijk te zijn. Maar zonder nu al te lang in deze duistere uithoeken rond te dwalen, is het hier wellicht relevant om op te merken dat zekere anti-menselijke ressentimenten voortdurend terugkeren in de traditie van de zwarte magie. Zo lijkt er als rode draad een mystieke haat jegens het idee van kindsheid doorheen te lopen. Mensen zouden de volkswoede tegen heksen veel beter begrijpen, wanneer zij voor ogen houden dat het kwaad dat doorgaans aan heksen toegeschreven werd, het verhinderen van het krijgen van kinderen is. De joodse profeten protesteerden voortdurend tegen de terugval van het joodse volk in de afgoderij die de oorlog aan kinderen verklaarde; en het is zeer wel mogelijk dat deze afgrijselijke afvalligheid jegens de God van Israël zo nu en dan in Israël de kop op stak in de vorm van de zogeheten rituele moord – natuurlijk niet door officiële vertegenwoordiger van de joodse religie, maar wel door duivelse enkelingen die toevallig ook jood waren. Dit idee dat de krachten van het kwaad vooral kinderen bedreigden, klinkt ook weer door in de verhalen over de kindermartelaren, die in de Middeleeuwen zo populair waren[1]. Chaucer gaf slechts een andere versie van een alombekende Engelse legende, toen hij de meest boosaardige van alle heksen voorstelde als een duistere, vreemde vrouw die door de raamspijlen loerde en het zingen van de kleine Sint Hugo hoorde, als het klateren van water over de kasseien[2].

Hoe dan ook, wat voor mijn betoog relevant is in dergelijke verhalen, is het feit dat zij betrekking hebben op nomaden aan de oostzijde van de Middellandse Zee, die langzaam maar zeker in handelaren waren veranderd en handel dreven met de hele wereld. Door hun handel en reizen en koloniale expansie, hadden zij reeds zoiets als een wereldrijk gevestigd. Hun purper, het handelsmerk van hun prots en praal, had de koopwaren gekleurd die verkocht werden in de verste uithoeken tussen de kliffen van Cornwall, alsook de zeilen die voortgedreven werden over stille tropische zeeën rond de raadselen van Afrika. Zij hebben de wereldkaart waarlijk purper gekleurd. Deze handelaren waren reeds een wereldwijd succes, toen de prinsen van Tyrus nog hun schouders op zouden halen bij het nieuws dat één van hun prinsessen zich verwaardigd had te trouwen met het hoofd van de een of andere stam die Juda heette[3], en toen de kooplui van de Afrikaanse buitenpost hun bebaarde lippen slechts gekruld hadden in een minzaam lachje bij het horen van de naam van het dorpje dat Rome heette. En er is ook nauwelijks een grotere afstand denkbaar, ruimtelijk noch geestelijk, dan die tussen het monotheïsme van het Israëlische volk en de deugden van die kleine Italiaanse republiek. Ze hadden slechts één ding gemeen – en dat wat hen scheidde, verenigde hen. Zeer uiteenlopend en onverzoenbaar waren de dingen waar de magistraten van Rome en de profeten van Israël van hielden. Maar ze waren eensgezind in wat zij haatten. Het is in beide gevallen gemakkelijk om die haat voor te stellen als louter iets hatelijks. Het is al te gemakkelijk om een wrede en onmenselijke voorstelling te maken van zowel Elia die een slachtpartij verordonneert op de berg Karmel[4], als Cato die tekeergaat tegen het sparen van Afrika[5]. Deze mannen hadden hun beperkingen en eigenaardigheden, maar dergelijke kritiek op hen is fantasieloos en daarom onrealistisch. Die kritiek ziet iets over het hoofd, iets immens dat naar het oosten en het westen tuurt, en dat bij zijn vijanden van oost en west een ongekende geestdrift opwekt; en dat iets is het eigenlijke onderwerp van dit hoofdstuk.

[1] Er zijn tal van middeleeuwse verhalen overgeleverd over kindmartelaren, zoals Larenzino van Marostica en Dominicus van Zaragoza. Vaak betreft het onopgehelderde kindermoorden, waarvan de joden de schuld kregen, en die niet zelden tot jodenvervolging leidden.

[2] In de beroemde raamvertelling The Canterbury Tales van Geoffrey Chaucer (ca. 1340-1400) wordt het verhaal verteld van een christelijk jongetje dat in de joodse buurt van een Aziatische stad wordt vermoord. Zijn lichaam wordt in een put gegooid, maar toch gevonden omdat de dode jongen het Alma redemptoris begint te zingen. In de slotalinea verwijst Chaucer expliciet naar de (nooit officieel heilig verklaarde) 13e-eeuwse kindmartelaar Hugo van Lincoln, die door joden gekruisigd zou zijn. Overigens bevat The Canterbury Tales geen verwijzing naar de duistere, vreemde vrouw waar Chesterton het over heeft. Waarschijnlijk verwart hij deze vertelling met een populair Brits volksliedje van later datum, The Ballad of Little Sir Hugo. Daarin wordt Hugo tijdens het buiten spelen gadegeslagen door een gemene joodse vrouw, en op gruwelijke wijze door haar vermoord.

[3] Vgl. 1 Koningen 16:31 ev.: Koning Achab van Israël huwde met de heerszuchtige Izebel, dochter van koning Etbaäl van Tyrus. Deze Izebel zou de Israëlieten over hebben gehaald weer afgoden te gaan vereren.

[4] Zie 1 Koningen 18:40.

[5] De Romeinse magistraat Marcus Porcius Cato Censorius maior (234-149 v.Chr.), ook Cato de Oude genoemd, is vooral beroemd omdat hij iedere toespraak afgesloten zou hebben met de zin “Ceterum censeo Carthaginem esse delendam.” (“Voorts ben ik van mening dat Carthago verwoest moet worden.”)

Uit: G.K. Chesterton, The Everlasting Man, deel 1, hoofdstuk 6. Vertaling & noten: moi. Waarom? Daarom!

7 gedachten over “Snipper #23: Afkeer van de afgoden

  1. Interressant stuk. Ik zie dat je in de eerste alinea antagonisms met resentimenten hebt vertaald, wat een beetje als een anglicisme klinkt. Zou wrok o.i.d. niet een betere vertaling zijn?

    1. Bedankt voor de suggestie! Of het per se een anglicisme is weet ik niet, maar ik ben ook niet helemaal gelukkig met het woord ‘ressentimenten’. ‘Wrok’ klinkt me echter te passief; dat is iets wat je koestert, maar ook heel goed voor jezelf kunt houden… Terwijl de ‘antagonisms’ waar het hier om gaat een stuk agressiever zijn. De vertaling uit ’26 van H. Reijnen spreekt hier van ‘verbitterde haat’… maar a) dat vind ik ook de lading niet helemaal dekken, en b) in de zin erna staat ook al ‘haat’, wat een onnodige woordherhaling oplevert.
      Zou ‘vijandigheid’ misschien beter zijn?

  2. “Mensen zouden de volkswoede tegen heksen veel beter begrijpen, wanneer zij voor ogen houden dat het kwaad dat doorgaans aan heksen toegeschreven werd, het verhinderen van het krijgen van kinderen is.”

    Wordt hier misschien ook wel bedoeld: anti-conceptie met allerlei middeltjes? Dat ook heden ten dage nog steeds een lastig issue voor streng-gelovigen is?

  3. Ik weet niet of dat in de tijd dat dit geschreven werd (1925) ook al zo’n groot issue was als nu, maar ik heb me iets soortgelijks ook afgevraagd. Het lijkt mij niet alleen een issue voor ‘streng-gelovigen’, maar voor alle gelovigen. En ik denk dat het punt dat in dit fragment naar voren wordt gebracht, wezenlijk is om de religieuze posities t.a.v. anti-conceptie en abortus op een dieper niveau te begrijpen.

  4. Ik had een tijdje terug zo’n plastic foetus in de bus, dus ik moest meteen denken aan de streng-gelovigen (ook wel grappig om zo’n ding te krijgen als je zwanger bent, zoals ik nu!). Kinderen krijgen is als een geschenk van god, maar ook meteen met handen en voeten gebonden zijn (aan het kind, aan die ene man maar ook aan mogelijke ziekte/dood). Volgens mij worden kruidenvrouwtjes/heksen het meest gevraagd naar gelukstalismannen, manieren om je geliefde te leren kennen en te behouden én middeltjes tegen zwanger worden (al ken ik er geen persoonlijk, haha). Geboorte/conceptie kunnen controleren is een hele stap in de richting van zelf je leven kunnen bepalen, als (onafhankelijke) vrouw. En 1925, dat is toch nog wel de tijd van de suffragettes, de nieuw-Malthusiaanse bond en veel wetenschappelijke doorbraken en ontdekkingen over het menselijk lichaam.
    Interessant thema wel: lust versus liefde, waarbij lust vaak ‘heidens’ of exotisch wordt afgeschilderd. Maar dat heeft dan weer niets te maken met het idee van Joodse kindermoordenaars.

  5. Proficiat, Marloes! Geniet ervan. (En fijn om te merken dat de plastic foetus je niet van je opgewektheid heeft beroofd, haha.) 🙂
    Je schrijft: “Kinderen krijgen is als een geschenk van god, maar ook meteen met handen en voeten gebonden zijn (aan het kind, aan die ene man maar ook aan mogelijke ziekte/dood).” Exact, en ik denk dat de kern van de religieuze/christelijke positie is dat je die spanning moet accepteren, omarmen, er ‘ja’ tegen zeggen… ik denk dat daarin ook “het idee van kindsheid” bestaat dat Chesterton in dit stuk aanhaalt.
    Je hebt natuurlijk gelijk als je zegt dat er in zijn tijd ook al volop discussie bestond over voortplanting, dus het is zeker denkbaar (of zelfs waarschijnlijk) dat die discussies meeklinken in dit stuk. Het verschil is alleen (vermoed ik) dat het toen wat minder over anti-conceptie als recht of verworvenheid of seksuele hygiëne van het individu ging, zoals nu, en meer over collectieve kwesties: bevolkingspolitiek, eugenetica, rassenvraagstukken… Dat had dan weer wel alles te maken met joodse kindermoordenaars. Ik bedoel maar: het groeiende antisemitisme in die tijd is meer de context en achtergrond van deze passage, dan onze huidige discussies over anti-conceptie als emancipatoir of ziektebestrijdend middel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *