Snipper #3: Door de ogen van het kind

Twee nieuwe alinea’s, direct volgend op dit fragment, uit De eeuwige mens van G.K. Chesterton. Waarom psychoanalytici en schrijvers van seksboekjes het bij het verkeerde eind hebben.

Terzijde en ten overvloede wil ik opmerken dat er in deze grot helemaal niets te vinden is van de gure en pessimistische atmosfeer van die journalistieke grot waarin de brullende winden tal van echo’s van de holenmens dragen. Voor zover er bewijzen van een menselijk karakter te vinden zijn, blijkt dat menselijke karakter tamelijk menselijk en zelfs humaan te zijn. In ieder geval blijkt er geen enkele aanwijzing te zijn voor een onmenselijk karakter, zoals de populaire wetenschap wil doen geloven. Als romanciers en opvoeders en psychologen van divers allooi het over de holenmens hebben, brengen ze hem nooit in verband met iets dat echt in de grot is te vinden. Wanneer de auteur van een seksboekje schrijft: “Rode vonken dansten in het brein van Dagmar Doubledick; hij voelde de geest van de holenmens in hem naar boven komen”, dan zouden de lezers danig teleurgesteld zijn als Dagmar plots grote afbeeldingen van koeien op de muur van de slaapkamer begon te tekenen. Als de psychoanalyticus aan de patiënt schrijft: “De onderdrukte instincten van de holenmens dwingen u ongetwijfeld toe te geven aan gewelddadige neigingen”, dan doelt hij niet op de neiging om aquarellen te schilderen of om nauwgezette studies te maken van hoe kuddes vee met het hoofd zwaaien tijdens het grazen. Toch weten we feitelijk dat de oermens deze zachtmoedige en onschuldige dingen deed, en we hebben het minste bewijs dat hij al die gewelddadige en bloeddorstige dingen deed. Met andere woorden: de holenmens zoals die ons meestal wordt gepresenteerd is niets meer dan een mythe – of sterker nog: een warboel, want een mythe lijkt tenminste nog op de waarheid, in grote, fantasierijke lijnen. De hele huidige voorstelling van zaken is louter verdwazing en misverstand, op geen enkel wetenschappelijk bewijs gefundeerd, en slechts gewaardeerd als een excuus voor een hoogst moderne anarchistische stemming. Als een man graag een vrouw neer wil meppen, dan kan hij een schoft zijn zonder zich te beroepen op het karakter van de oermens, van wie wij amper iets weten behalve wat wij kunnen afleiden uit een paar onschuldige, mooie plaatjes op een muur.

Maar dat is niet het punt of de belangrijkste les die we uit deze afbeeldingen kunnen leren. De moraal van het verhaal is veel omvangrijker en tegelijkertijd eenvoudiger, zo omvangrijk en eenvoudig dat het op het eerste gehoor wat kinderachtig kan klinken. En inderdaad is het kinderachtig in de diepste betekenis van het woord; dat verklaart ook waarom ik deze allegorie in zekere zin door de ogen van een kind bekeken heb. Het is de grootste van alle feiten die de jongen in de grot echt aanschouwt, en misschien is het te groot om te zien. Als de jongen tot de kudde van de priester behoort, mogen we aannemen dat hij geleerd is een zekere mate van gezond verstand te betrachten – het gezonde verstand dat vaak over ons neerdaalt in de vorm van traditie. In dat geval zou hij het werk van de primitieve mens simpelweg als mensenwerk herkennen, interessant, maar geenszins ongeloofwaardig vanwege de primitiviteit. Hij zou zien wat er te zien was; en hij zou zich niet laten verleiden iets te zien wat er niet is, door enig evolutionair enthousiasme of modieus giswerk. Als hij daarvan zou horen kan hij natuurlijk best toegeven dat deze speculaties waar kunnen zijn of in elk geval niet onverenigbaar met feiten die zeker waar zijn. De kunstenaar had misschien nog wel andere karaktertrekken, behalve degene die hij heeft achtergelaten in zijn kunstwerk. De primitieve man vond het misschien wel leuk om én vrouwen te meppen én dieren te tekenen – het enige dat we weten is dat de tekeningen het laatste bewijzen, maar niet het eerste. Misschien is het wel zo dat de holenmens, nadat hij zijn moeder of zijn vrouw besprongen had, graag naar het rustieke klateren van de beek ging luisteren en naar het hertje keek dat aan die beek kwam drinken. Dit alles is niet onmogelijk, maar het is irrelevant. Het gezonde verstand van het kind kan zich beperken tot wat het van de feiten kan leren, en de afbeeldingen in de grot zijn zo’n beetje alle feiten die we hebben. Voor zover het bewijsmateriaal reikt, kan het kind terecht aannemen dat een mens dieren heeft afgebeeld met steen en rode aarde om dezelfde reden als hij zelf probeert dieren af te beelden met houtskool en rode krijt. Die mens had een rendier getekend om dezelfde reden als het kind een paard tekende: omdat het leuk is. De mens had een rendier getekend met zijn hoofd gedraaid zoals het kind een varken had getekend met zijn ogen dicht: omdat het moeilijk is. Het kind en de man, beide mensen, zijn verenigd in de broederschap van mensen; en deze broederschap is nog nobeler wanneer het de afgrond van eeuwen overbrugt, dan wanneer het slechts de kloof van de klasse overbrugt. Hoe dan ook, hij zou geen bewijs zien van de holenmens van het ruwe evolutionisme, want dat valt nergens te zien. Als iemand hem had verteld dat deze tekeningen waren gemaakt door Sint Franciscus van Assisi vanuit een pure, heilige liefde voor de dieren, dan zou er niets in de grot te vinden zijn dat deze stelling tegensprak.

Uit: G.K. Chesterton, The Everlasting Man, hoofdstuk 1. Vertaling: moi. Waarom? Daarom!

2 gedachten over “Snipper #3: Door de ogen van het kind

  1. Pingback:Snipper #4: De mens als absurditeit « Geloof jij het?

  2. Pingback:Snipper #5: God in de grot « Geloof jij het?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *