Snipper #4: De mens als absurditeit

Het laatste deel van hoofdstuk 1 van Chestertons De eeuwige mens. Volgt direct op dit fragment. Over wat de mens zo onvoorstelbaar vreemd maakt in de natuurlijke orde.

Ik heb eens een vrouw gekend die half voor de grap suggereerde dat de grot een crèche was, een veilig onderkomen voor de baby’s, en dat de gekleurde dieren op de muren waren getekend om hen te vermaken, zoals de tekeningen van olifanten en giraffen op moderne peuterscholen. En hoewel dit maar een grapje was, vestigt het wel de aandacht op een veronderstelling die wij maar al te makkelijk maken. De afbeeldingen bewijzen zelfs niet de holenmens in een grot woonden, net zo min als de ontdekking van een wijnkelder in Balham (lang na die Londense voorstad door menselijke of goddelijke furie verwoest was) zou bewijzen dat de Victoriaanse burgerij geheel ondergronds leefde. De grot diende misschien wel een bijzonder doel, zoals de kelder; ze was wellicht een religieus heiligdom of een schuilplaats in tijden van oorlog of de ontmoetingsplek van een geheim genootschap of wat dan ook. Maar in ieder geval stralen de artistieke versieringen veel meer de sfeer uit van een kinderdagverblijf dan van de nachtmerries van wetteloze woede en angst. Ik heb me een kind voorgesteld dat in de grot staat; en het is makkelijk zich een kind voor te stellen, uit het heden of uit een oneindig ver verleden, dat een levend gebaar maakt, alsof het de geschilderde beesten op de muur aait. In dat gebaar, zullen we later zien, schuilt een vooraankondiging van een andere grot en een ander kind.

Maar stel nou dat de jongen niet opgeleid was door een priester, maar door een professor – een van die professors die de relatie tussen mens en dier vereenvoudigen tot louter evolutionaire variatie. Stel dat de jongen zichzelf met dezelfde eenvoud en oprechtheid zag als louter een Mowgli die met de roedel van de natuur mee rende, amper te onderscheiden van de rest, behalve door een relatieve en recente variatie. Wat zou voor hem de les zijn van dat vreemde stenen plaatjesboek? Het komt immers hoe dan ook hier op neer: dat hij erg diep had gegraven en de plek had ontdekt waar een mens een afbeelding van een rendier had getekend. Maar hij had flink wat dieper moeten graven alvorens hij een plek zou vinden waar een rendier een afbeelding van een mens had getekend. Dat mag klinken als een open deur, maar in dit verband is het werkelijk een ontzagwekkende waarheid. Hij kan afdalen in onvoorstelbare diepten, hij kan wegzinken in verzonken continenten zo vreemd als verre planeten, hij kan zich bevinden in het diepste binnenste van de wereld, zo ver verwijderd van mensen als de achterzijde van de maan. In die koude kloven of op die kolossale stenen plateaus ziet hij misschien, verborgen in de vage hiërogliefen van de fossielen, de resten van verloren dynastieën van biologisch leven     – die meer zullen lijken op de ruïnes van afzonderlijke beschavingen en gescheiden werelden dan op de opeenvolgende fases van één enkele beschaving. Hij kan sporen vinden van monsters die zich blindelings ontwikkelen  buiten onze normale voorstelling van vissen en vogels; tastend, grijpend en graaiend naar leven met elke extravagante vergroeiing van hoorn en tong en tentakel; met een heel spectrum aan fantastische karikaturen van de klauw en de vin en de vinger. Maar nergens zou hij één vinger vinden die een betekenisrijke lijn in het zand heeft getrokken; nergens een klauw die nog maar een begin had gemaakt met het krassen van de vaagste suggestie van een vorm. Alles wijst er op dat dat bij al die talloze veelsoortige levensvormen in al die vergeten eeuwigheden even ondenkbaar is als bij de beesten en vogels die we vandaag de dag kennen. Het kind zou dat niet verwachten, evenmin als hij verwacht een kat te zien die een rancuneuze spotprent van een hond op de muur kerft. Het kinderlijke gezonde verstand zou het meest evolutionaire kind nog voor dergelijke verwachtingen behoeden; maar toch ziet hij precies dat in de sporen van de ruwe, recent geëvolueerde voorouder van de mens. Hij zal het absoluut vreemd vinden dat mensen die zo ver van hem afstaan zo nauw verwant lijken, en dat dieren die zo nauw verwant zijn zo ver van hem afstaan. In zijn eenvoudige redenering moet het in elk geval opmerkelijk zijn dat er bij geen enkel dier geen enkel spoor te vinden is van  nog maar een begin van welke kunst ook. Dat is de simpelste les die je kunt leren in de grot met de gekleurde afbeeldingen, alleen is deze les te simpel om te leren. Het is de simpele waarheid dat de mens in essentie verschilt van het beest, en niet in gradatie. En het bewijs is dit: dat het een waarheid als een koe is om te zeggen dat de meest primitieve mens een afbeelding van een aap tekende, en dat het als een flauwe grap klinkt te zeggen dat de meest intelligente aap een afbeelding van een mens tekende.  Er is iets van een scheiding en een onevenredigheid ontstaan, en die is uniek. Kunst is het handelsmerk van de mens.

Dat is het type simpele waarheid waarmee het verhaal van de aanvang echt aan behoort te vangen. De evolutionist staat te staren in de beschilderde grot naar dingen die te groot zijn om te zien en te eenvoudig om te begrijpen. Hij probeert allerlei indirecte en dubieuze dingen te herleiden uit details van de schilderingen, omdat hij de primaire betekenis van het geheel niet kan zien – dunne en theoretische deducties over de afwezigheid van geloof of de aanwezigheid van bijgeloof, over stammenbestuur, de jacht en mensenoffers, en God weet wat. In het volgende hoofdstuk zal ik me meer in detail bezig houden met de omstreden kwestie van de prehistorische oorsprong van menselijke ideeën, en in het bijzonder het idee van religie. Hier wil ik slechts dit ene geval van de grot als symbool stellen voor het eenvoudiger soort waarheid waarmee het verhaal behoort te beginnen. Alles goed en wel, maar het belangrijkste feit  waarvan de sporen van de rendiermens en alle andere sporen getuigen, is dat de rendiermens kon tekenen en het rendier niet. Als de rendiermens inderdaad een dier was net als het rendier, dan is het des te opmerkelijker dat hij iets kon wat alle andere dieren niet konden. Als hij een gewoon product van biologische groei was, zoals ieder dier, dan is het alleen maar ongewoner dat hij niet in het minste leek op andere dieren. Als natuurlijk verschijnsel lijkt hij bovennatuurlijker dan als bovennatuurlijk verschijnsel.

Maar ik ben dit verhaal begonnen in de grot, als de grot van de speculaties van Plato, omdat het een model is van de misvattingen van louter evolutionaire introducties en inleidingen. Het is zinloos te zeggen dat alles langzaam en geruisloos ging, en puur een product was graduele ontwikkelingen. Want in het simpele geval van de schilderingen is er geen sprake van gradaties of ontwikkelingen. Het is niet zo dat apen de tekeningen begonnen en mensen ze afmaakten. Het is niet zo dat Homo Erectus slecht rendieren kon tekenen en Homo Sapiens goed. De hogere diersoorten gingen niet steeds beter dieren tekenen; de hond schilderde in zijn beste periode niet beter dan in zijn vroege bestaan als jakhals, het wilde paard was geen impressionist en het dressuurpaard een post-impressionist. Alles wat we kunnen zeggen over het reproduceren van dingen in schaduwtinten of representatieve vormen, is dat het nergens in de natuur voorkomt, behalve bij mensen. We kunnen er zelfs niet over praten zonder de mens in afzondering van de natuur te behandelen. Met andere woorden: iedere gezonde geschiedenis moet beginnen met de mens als mens, absoluut en alleen. Hoe hij daar kwam, of inderdaad hoe al het andere er kwam, is een zaak voor theologen en filosofen en wetenschappers, maar niet van historici. Maar een prima toetssteen voor deze afzondering en dit mysterie is het geval van de artistieke impuls. Dit schepsel was waarlijk anders dan alle andere schepsels, omdat het zowel een schepper als een schepsel was. Zoiets kan slechts van de mens gezegd worden. Deze waarheid is zo waar, dat we haar zelfs zonder religieus geloof als moreel of metafysisch principe moeten aannemen. In het volgende hoofdstuk zullen we zien hoe dit principe van toepassing is op alle historische hypotheses en biologische boodschappen die momenteel in de mode zijn, met betrekking tot stammenbestuur en mythologische religies. Maar het duidelijkste en geschiktste voorbeeld om mee te starten is deze populaire vraag wat de holenmens echt in zijn grot deed. Op één of andere manier is in de duistere spelonken van de natuur iets nieuws verschenen: een geest die als een spiegel is. Zij is als een spiegel omdat ze werkelijk reflectief is. Zij is als een spiegel omdat alleen in deze geest alle andere vormen weerspiegeld worden als klare droombeelden. Boven alles is zij een spiegel omdat zij enig in haar soort is. Andere dingen kunnen op haar of op elkaar lijken in verschillende opzichten, andere dingen kunnen haar of elkaar overtreffen in verschillende opzichten – zoals in het meubilair van een kamer een tafel net zo rond kan zijn als de spiegel, of de kast groter kan zijn dan de spiegel. Maar de spiegel is de enige in de kamer waarin al die dingen tegelijk gezien kunnen worden. De mens is de microkosmos, de mens is de maat van alle dingen, de mens is het beeld van God. Dit zijn de enige echte lessen die we kunnen leren in de grot, en het is tijd om van hieruit te vertrekken.

Het is echter goed om hier eens en voor altijd op te sommen wat het betekent om te zeggen dat de mens tegelijkertijd de uitzondering en de spiegel en de maat van alle dingen is. Maar om de mens te zien zoals hij is, is het nodig om eens te meer dicht bij de eenvoud te blijven en zich verre te houden van de stapelwolken van slimmigheden. De eenvoudigste waarheid over de mens is dat hij een erg vreemd wezen is; bijna in de zin dat hij een vreemde hier op aarde is. In alle soberheid lijkt hij veel meer op iemand die vreemde gebruiken uit andere landen met zich meebrengt, dan op iemand van eigen bodem. Hij heeft een oneerlijk voordeel en een oneerlijk nadeel. Hij kan niet in zijn eigen huid slapen, hij kan niet op zijn eigen instincten vertrouwen. Hij is tegelijkertijd een magiër met zijn handen en een soort van kreupele. Hij is verpakt in een kunstmatig vel dat kleding heet en wordt ondersteund door kunstmatige krukken die meubels heten. Zijn geest kent dezelfde twijfelachtige vrijheden en dezelfde wilde beperkingen. Als enige onder de dieren, wordt hij opgeschud door de prachtige waanzin van het lachen, alsof hij een geheim heeft gezien in de vorm van het universum dat voor het universum zelf verborgen blijft. Als enige onder de dieren voelt hij de behoefte om zijn gedachten af te leiden van de basale werkelijkheid van zijn lichamelijkheid, en die verbergt alsof er een hogere mogendheid aanwezig is die het mysterie van de schaamte veroorzaakt. Of we dit alles nu prijzen als natuurlijk voor mensen, of misprijzen als kunstmatig in de natuur, het blijft in dezelfde zin uniek. Dit is wat de alledaagse intuïtie die religie heet zich realiseert, althans totdat zij verstoord werd door betweters, in het bijzonder de vermoeiende betweters van het eenvoudige leven[1]. De meest sofistische van alle sofisten zijn de gymnosofisten[2].

Het is niet natuurlijk om de mens als een natuurlijk verschijnsel te zien. Het is geen normaal boerenverstand dat de mens als een normaal product van het land ziet. Het is geen nuchtere visie die de mens als een dier ziet. Het is niet goed bij het verstand. Het zondigt tegen het licht, tegen dat heldere daglicht van proporties die het principe zijn van hele werkelijkheid. Je bereikt het slechts door de feiten op te rekken of selectief toe te passen, door kunstmatig voor een bepaalde invalshoek te kiezen, door te veel nadruk te leggen op lagere zaken die toevallig overeen komen. Datgene wat helder in het zonlicht staat, waar we omheen kunnen lopen om van alle kanten te bekijken, is van een geheel andere orde. Het is ook tamelijk bijzonder, en van hoe meer kanten we het bekijken, hoe bijzonderder het wordt. Het is nadrukkelijk niet iets dat natuurlijk volgt op of voortvloeit uit iets anders. Als we ons een onmenselijke of onpersoonlijke intelligentie voorstellen die uit de natuur van de niet-menselijke wereld moest afleiden in welke richting die wereld zich zou ontwikkelen, dan is er niets in die wereld dat hem voor kan bereiden op zo’n onnatuurlijke noviteit. De mens zou deze geest zeker niet voorkomen als één kudde uit de honderd kuddes die een weliger weiland hebben gevonden, of één zwaluw uit de honderd zwaluwen die een zomer maken onder een vreemde hemel. Het is van een volstrekt andere orde van grootte, misschien wel van een andere dimensie. We kunnen zelfs met recht stellen dat het tot een ander universum behoort. Het is meer alsof je één koe te midden van honderd koeien plots over de maan ziet springen, of één varken te midden van honderd varkens plotsklaps vleugels ziet krijgen en wegvliegen. Het zou geen kwestie zijn van vee dat zijn eigen weide vindt om te grazen, maar van vee dat zijn eigen stal bouwt. Niet van een zwaluw die een zomer maakt, maar van een zwaluw die een zomerhuis maakt. Want zelfs het feit dat vogels inderdaad nesten bouwen is één van die overeenkomsten die het schokkende verschil alleen maar groter maken. Het feit dat vogels een nest kunnen bouwen maar niets meer dan dat, bewijst dat zij geen geest hebben zoals de mensen een geest hebben. Het bewijst dat zelfs nog meer dan wanneer hij helemaal niets zou bouwen. Als hij helemaal niets zou bouwen, kan hij immers ook een filosoof van de quietistische[3] of boeddhistische school zijn, in niets anders geïnteresseerd dan in zijn innerlijke geestesleven. Maar als hij een nest bouwt zoals hij dat doet en tevreden is en hardop tsjilpt uit tevredenheid, dan weten we dat er inderdaad een onzichtbare scheidslijn als een glazen wand is tussen hem en onszelf, als het raam waar de vogel vergeefs tegen aan botst. Maar stel nou dat onze abstracte toeschouwer plots één vogel zag bouwen zoals de mensen bouwen. Stel dat er in een ongelooflijk kort tijdsbestek plots zeven stijlen van architectuur waren voor één type nest. Stel dat hij gevorkte takjes en puntige blaadjes ging uitzoeken om de indringende godsvrucht van de gotiek uit te drukken, maar bredere bladeren en zwarte modder uitzocht wanneer hij in een donkere bui de gewelven van Baäl en Astaroth wilde doen herrijzen, waarmee zijn nest inderdaad één van de hangende tuinen van Babylon werd. Stel dat de vogel plots kleine beelden van klei ging maken van gevierde vogels in de letteren of de politiek en die voor zijn nest ging zetten. Stel dat één van de duizend vogels één van de duizend dingen ging doen die de mens heeft gedaan, zelfs al in de vroegste periode van zijn bestaan. We kunnen dan vrij zeker zijn dat de toeschouwer deze vogel niet zag als slechts een evolutionaire variatie op alle andere vogels. Hij zou het beschouwen als angstaanjagend gevogelte, een slecht voorteken wellicht, maar in ieder geval een voorteken. Deze vogel zou de vogelwichelaars niet vertellen over iets wat staat te gebeuren, maar over iets dat al gebeurd is. Namelijk het verschijnen van een geest met nieuwe dieptes: een geest als die van de mens. Als er geen God zou zijn, had geen enkele andere geest dit mogelijkerwijs kunnen voorzien.

Er is in feite niet het minste bewijs dat dit überhaupt geëvolueerd is. Er is niet het minste bewijs dat deze overgang geleidelijk plaats heeft gevonden, of zelfs natuurlijk was. Strikt wetenschappelijk gesproken weten we simpelweg niets over hoe het gegroeid is, óf het gegroeid is, en wat het is. Misschien is er een gebroken spoor van steen en been dat vaag wijst op de ontwikkeling van het menselijk lichaam. Er is niet het minste bewijs voor een ontwikkeling van de menselijke geest. Eerst was die er niet, en toen was die er wel – en we weten niet of die verandering plaatsvond in een enkel ogenblik of in een oneindig aantal jaren. Er is iets gebeurd, en het heeft alles van een verandering buiten de tijd. Het heeft daarom niets met geschiedenis te maken in de gebruikelijke zin van het woord. De historicus moet dit als gegeven aannemen; het is niet zijn taak als historicus om het te verklaren. En als de historicus het niet kan uitleggen, kan de bioloog dat ook niet. Voor beiden is het geen schande om dit aan te nemen zonder het te verklaren, want het is een realiteit, en geschiedkunde en biologie houden zich bezig met realiteiten. Zij kunnen zich dus prima bezig houden met de varken met vleugels of de koe die over de maan sprong, louter omdat die dingen gebeurd zijn. Zij kunnen de mens redelijkerwijs als freak accepteren, omdat zij de mens als feit accepteren. Zij kunnen zich prima op hun gemak voelen in een waanzinnige en ontspoorde wereld, of in een wereld die dergelijke waanzin en ontsporing voortbrengt. Want in de werkelijkheid kunnen wij ons allen prima berusten, zelfs wanneer die maar amper gerelateerd lijkt aan iets anders. Het is het geval, en dat is genoeg voor de meesten van ons. Maar als we dan toch willen weten hoe het zo heeft kunnen worden, als we toch willen zien hoe het reëel verband houdt met andere dingen, als we het toch per se met eigen ogen willen zien evolueren vanuit een omgeving die dichter bij de eigen natuur ligt, dan moeten we zeker te weten naar andere dingen gaan kijken. We moeten vreemde herinneringen ophalen en kijken naar simpele dromen om een oorsprong te vinden die de mens maakt tot meer dan een monster. We zullen andere oorzaken vinden alvorens we van de mens een oorzakelijk wezen kunnen maken, en een andere autoriteit moeten aanroepen om hem als iets redelijks, of zelfs als iets waarschijnlijk te kunnen zien. Daar vinden we alles wat tegelijkertijd vreselijk is en bekend en vergeten, met afgrijselijke, verwrongen gezichten en armen van vuur. We kunnen hem accepteren als een feit, wanneer we tevreden kunnen zijn met een onverklaarbaar feit. We kunnen hem zien als een dier, als we kunnen leven met een fabelachtig dier. Maar als we opeenvolging en noodzakelijkheid willen, dan hebben we een prelude en crescendo nodig toenemende wonderen, begeleid door een gigantisch onweer in alle zeven hemelen – pas dan kunnen we de mens misschien als iets gewoons begrijpen.

[1] Waarschijnlijk doelt Chesterton hier op de volgelingen van in die tijd modieuze spirituele bewegingen die terugkeer naar het eenvoudige ‘natuurlijke’ bestaan propageerden (vaak in combinatie met vegetarisme of nudisme.) In zijn boek Ketters bekritiseerde hij deze bewegingen ook, m.n. in hoofdstuk 10.

[2] Letterlijk: ‘naakte filosofen’. De oude Grieken duidden met deze term een groep Indische sofisten die vanuit radicale ascese zelfs weigerden kleren te dragen.

[3] Quietisme is een mystieke christelijke stroming uit de 17e eeuw die totale zelfverloochening voorstond als weg naar spirituele volmaaktheid. De Rooms-Katholieke Kerk heeft deze stroming expliciet als ketterij bestempeld.

Uit: G.K. Chesterton, The Everlasting Man, hoofdstuk 1. Vertaling & noten: moi. Waarom? Daarom!

1 gedachte over “Snipper #4: De mens als absurditeit

  1. Pingback:Snipper #5: God in de grot « Geloof jij het?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *