Snipper #9: Het geheim van de Ene God

Volgens de gangbare opvatting over het ontstaan van religies vloeit het monotheïsme voort uit het polytheïsme. Eerst kende de mens meer goden, die we op een gegeven moment als één God zijn gaan zien. Onzin, zegt G.K. Chesterton: aan het meergodendom gaat een besef vooraf van één God. De heidenen hadden Hem verborgen en bijna vergeten. Bijna…

(Onderstaand fragment volgt direct op dit fragment.)

Als we nadenken over de heidense mensheid, moeten we beginnen met een poging om het onbeschrijflijke te beschrijven. Velen overwinnen de moeilijkheid dit te beschrijven door het simpelweg te ontkennen, of op z’n minst te negeren – maar het punt is dat dit nu juist nooit helemaal uit te wissen is, zelfs niet door het te negeren. De aanhangers van het evolutiedenken zijn geobsedeerd door hun eenzijdige opvatting dat alle grote dingen uit een zaadje groeien, of uit iets dat kleiner is dan zichzelf. Ze lijken te vergeten dat ieder zaadje van een boom afvalt, of van iets dat groter is dan zichzelf. Nu is er een vrij goede reden om te gokken dat religie oorspronkelijk niet voortkomt uit een detail dat vergeten was, omdat het te klein was om op te sporen. Veel waarschijnlijker is het dat religie voortkomt uit een idee dat zo groot was dat het verlaten werd, omdat het te groot was om mee om te gaan. Er is een goede reden om aan te nemen dat veel mensen begonnen bij het simpele maar overweldigende idee van één God die over alles regeert, en naderhand verviel in zoiets als afgodenverering, bijna alsof hun schat heimelijk verspreidden om ontdekking te voorkomen. Zelfs de door folkloristen zo graag gemaakte vergelijking met godsdienstige praktijken van hedendaagse wilden lijkt die visie vaak te ondersteunen. Sommige van de meest onaangepaste wilden, primitief in iedere betekenis die antropologen aan dat woord toekennen, zoals bijvoorbeeld de Australische aboriginals, blijken een onversneden monotheïsme te kennen met een hoogst morele toon. Een missionaris preekte eens voor een zeer wilde stam van polytheïsten. Zij hadden hem alle verhalen over hun verschillende goden verteld. Hij vertelde hun vervolgens over de ene goede God van het christendom, die een geest is en die mensen beoordeelt naar geestelijke maatstaven. En plots ontstond er opwinding onder deze stugge barbaren, alsof iemand een geheim verklapt had, en ze riepen tegen elkaar: “Atahocan! Hij heeft het over Atahocan!”

Waarschijnlijk was het voor deze polytheïsten een kwestie van beleefdheid en zelfs fatsoen om het niet over Atahocan te hebben. De naam is wellicht wat minder geschikt voor directe en plechtige religieuze uitroepen als degene die wij voor het opperwezen hebben, maar het zijn vooral sociale mechanismen die maken dat dergelijke simpele ideeën ondergesneeuwd en verward raken. Misschien representeerde de oude god wel een oude moraal die als lastig werd ervaren in meer expansieve perioden. Misschien was contact met demonen wel modieuzer bij de beste mensen, zoals tegenwoordig spiritisme in de mode is. Hoe dan ook, er bestaan tal van soortgelijke voorbeelden. Ze getuigen allemaal van de onmiskenbare psychologie van iets dat als vanzelfsprekend wordt ervaren, en waar om die reden niet over gesproken wordt. Er bestaat een treffend voorbeeld in een fantasierijke legende die woordelijk uit de mond van een Indiaan uit Californië is opgetekend, dat begint met de opmerking: “De zon is de vader en heerser van de hemelen. Hij is het grote opperhoofd. De maan is zijn vrouw en de sterren zijn hun kinderen.” En daaruit ontspint zich een ingenieus en ingewikkeld verhaal. Midden in dat verhaal wordt plots een zijdelingse opmerking gemaakt, dat de zon en de maan iets moeten doen, omdat “het zo bepaald was door de Grote Geest die boven allen staat”. Dat is precies de houding van de meeste vormen van heidendom ten aanzien van God. Hij is iets dat verondersteld en vergeten en per ongeluk weer herinnerd wordt – een gewoonte die niet alleen heidenen hebben. Soms is de hogere godheid een soort mysterie dat alleen in herinnering wordt geroepen in de hogere morele graden. Maar altijd, zo is terecht opgemerkt, is de wilde spraakzaam als het over zijn mythologie gaat, maar zwijgzaam over zijn religie. Bij de Australische wilden staat de wereld inderdaad op z’n kop, zoals men vroeger misschien verwacht zou hebben van onze tegenvoeters. Want deze wilde, die puur voor de gezelligheid een verhaal vertelt over de zon en de maan die helften zijn van een baby die in tweeën is gehakt, of die over koetjes en kalfjes praat door te vertellen over een kolossale kosmische koe die gemolken wordt om regen te maken – deze wilde zal zich terugtrekken in geheime grotten waar vrouwen en blanken niet worden toegelaten, in tempels waar gruwelijke rituelen plaatsvinden, waar de snorrebot onheilspellend zoemt en het offerbloed vloeit terwijl de priester de diepste geheimen prevelt, slechts hoorbaar voor ingewijden: dat eerlijkheid het langst duurt, dat een beetje vriendelijkheid nog nooit niemand kwaad gedaan heeft, dat alle mensen broeders zijn en dat er maar één God is, de Almachtige Vader, schepper van al het zichtbare en onzichtbare.

Met andere woorden, het opmerkelijke feit doet zich voor in de geschiedenis van de religie, dat de wilde te koop loopt met de meest weerzinwekkende en onmogelijke aspecten van zijn geloof en de meest verstandige en geloofwaardige aspecten verbergt. De verklaring is dat ze niet werkelijk deel uitmaken van zijn geloof, of in ieder geval niet van hetzelfde soort geloof. De mythen zijn slechts omvangrijke verhalen, omvangrijk als hemelspan, wervelwind of wolkbreuk. De mysteries zijn ware verhalen en worden geheim gehouden opdat ze serieus genomen kunnen worden. We vergeten al te gemakkelijk hoe opwindend monotheïsme eigenlijk is. Een roman waarin een aantal verschillende personen uiteindelijk dezelfde persoon blijken te zijn zou zeker een sensationele roman zijn. Hetzelfde geldt voor het idee dat de zon, de bomen en de rivier de vermomming van één god is en niet van vele. Helaas, we nemen Atahocan echter ook gemakkelijk voor lief. Maar of wij hem nu laten vervagen tot cliché of hem weten te bewaren als sensatie door hem te bewaren als geheim, het is hoe dan ook duidelijk dat hij altijd ofwel een oud cliché ofwel een oude traditie is. Niets wijst erop dat hij een verbeterd product is van de eenvoudige mythologieën, en alles wijst erop dat hij er aan vooraf ging. Hij wordt aanbeden door de simpelste stammen zonder een spoor van spoken of grafgeschenken of ander ingewikkeld gedoe waarin Herbert Spencer[1] en Grant Allen[2] de oorsprong van het simpelste van alle ideeën zochten. Wat er verder ook geëvolueerd is, er is nooit zoiets geweest als een evolutie van het idee van God. Het idee is verborgen, vermeden, bijna vergeten en zelfs weggeredeneerd; maar het is nooit geëvolueerd.

[1] Herbert Spencer (1820-1903), prominent darwinistisch filosoof en socioloog.

[2] Charles Grant Blairfindie Allen (1848-1899), reeds genoemd in het eerste hoofdstuk, schreef wetenschappelijke fictie en non-fictie. Hij was socialist en agnost, en een fel voorvechter van het evolutionisme. Vriend en criticaster van Spencer.

Uit: G.K. Chesterton, The Everlasting Man, deel 1, hoofdstuk 4. Vertaling & noten: moi. Waarom? Daarom!

2 gedachten over “Snipper #9: Het geheim van de Ene God

  1. Pingback:Een hopeloos pantheïstisch sprookje « Geloof jij het?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *