Studio Theologie: Nabeschouwingen (1)

U heeft allemaal uiteraard aan de buis gekluisterd gezeten bij de titanenstrijd tussen @frankgbosman en @Goedkatholiek. Voor wie nog niet weggezapt heeft naar een politieserie op RTL of een herhaling van South Park op Comedy Central, volgen nu wat oeverloze nabeschouwingen. Deel 1: De “bekeerling”.

Het was een ronduit ongeoorloofde aanval van @frankgbosman op zijn opponent. Was er een scheidsrechter bij de match aanwezig geweest dan had @frankgbosman ongetwijfeld een reprimande of puntenaftrek gekregen. We kijken nog even naar de herhaling:

@Goedkatholiek Je bent toch een bekeerling?

Veel terechte verontwaardiging over deze opmerking bij pers en publiek. Bovendien miste deze stoot onder de gordel doel, omdat @Goedkatholiek droogjes te kennen gaf dat hij uit een rooms nest uit Tilburg komt. Eén van de commentatoren wees er op dat alle bekeerlingen makkelijk als één en dezelfde persoon worden gezien; ‘de bekeerling’ is een beruchte categorie geworden, een menstype, van een andere orde dan de ‘oorspronkelijke’ gelovigen. Laatst hoorde ik – of het waar is weet ik niet – dat bekeerlingen binnen de islam weliswaar gewoon mee mogen praten in theologische disputen, maar dat zij als puntje bij paaltje komt minder in te brengen hebben “omdat zij maar bekeerlingen zijn”. Zou @frankgbosman ook heimelijk een dergelijk islamitisch model voorstaan?

Het zou vreemd zijn, temeer omdat het christendom bij uitstek de religie van de bekeerlingen is, van de spijtoptanten. Dat begon al bij de heilige apostel Paulus en gaat tot vandaag de dag door. Tegelijkertijd maakt dat de opmerking van @frankgbosman begrijpelijk: veel bekeerlingen hebben het geloof met een bijzondere felheid, soms zelfs met verbeten onverdraagzaamheid, verdedigd. Zij konden, zo leek het, de nieuw gevonden geloofswaarheden minder makkelijk relativeren dan de mensen voor wie het geloof al heel hun leven een vanzelfsprekendheid is. Het werkte een klassiek wederzijds vooroordeel in de hand; de ‘herboren’ gelovige vindt de ‘geboren’ gelovige maar lauw en relativistisch, de geboren gelovige vindt de herboren gelovige maar humorloos en wettisch. Vermoedelijk kwam de opmerking van @frankgbosman hieruit voort.

Natuurlijk kun je bekeerde noch geboren gelovigen over één kam scheren, maar er schuilt natuurlijk wel een zekere waarheid in het vooroordeel. Ik denk dat dat vooral hierdoor komt: zich een ander geloof eigen maken lijkt in veel opzichten op een andere taal leren. Het vergt in eerste instantie nogal wat moeite om van de moerstaal los te komen – we kennen allemaal wel de grappige boekjes over het gruwelijke Neder-Engels als I always get my sin en recenter de Neder-Duitse evenknie Lass mal sitzen. Maar dergelijke verhaspelingen zijn logisch, want je hebt aanvankelijk alleen nog maar de structuur van je eigen taal als referentiepunt; het duurt even voordat je de interne logica van de vreemde taal helemaal in je systeem hebt zitten, en de native speaker blijft het vaak lang horen.

Parallel hieraan zie je bij veel protestanten die katholiek worden dat zij zich weliswaar een katholiek vocabulaire eigen maken, maar dat zij een protestantse syntaxis handhaven. De geboren katholiek blijft ‘horen’ dat deze nieuwe katholiek ‘eigenlijk’ protestants is. Extra moeilijk hierbij is dat het protestantisme en katholicisme religieuze ‘talen’ zijn die nogal wat woorden en grammaticale regels met elkaar delen; juist subtiele verschillen zijn moeilijker te leren. Voor een Nederlander kan Duits leren in sommige opzichten ook moeilijker zijn dan Chinees leren. In dat laatste geval zijn er totaal geen aanknopingspunten en moet hij dus gewoon vanaf nul beginnen; in het eerste geval wordt hij nogal eens op het verkeerde been gezet door de ogenschijnlijke overeenkomsten.

En dan nog iets. Hoe maken mensen zich een nieuwe taal eigen? Dat hangt er helemaal van af hoe zij met die taal in aanraking komen. Wanneer zij de taal pas beginnen te leren wanneer zij in het vreemde land komen te wonen, leren zij het door het gewoon te proberen; door te luisteren, te spreken, zich aanvankelijk met handen en voeten verstaanbaar makend; kortom, door zich volledig onder te dompelen in de taal en cultuur waarin zij terecht komen. Bij sommige bekeerlingen gaat het ook zo: bijvoorbeeld omdat zij een relatie krijgen met iemand met een ander geloof, en zich dat geloof vervolgens om praktische en/of existentiële redenen eigen maken. Vaak zijn dit niet de archetypische felle bekeerlingen à la Paulus of Augustinus. Ze beheersen de taal ook niet het beste – ze nemen het toevallige dialect en andere taaleigenaardigheden over van de omgeving – maar dat deert hen niet, want ze kunnen zich op den duur prima verstaanbaar maken, en voelen zich er thuis.

Maar veel bekeerlingen, zeker vandaag de dag, komen helemaal niet in het ‘vreemde land’ terecht, maar leren de ‘taal’ op de wijze waarop wij waarschijnlijk allemaal Duits en Frans en Engels hebben geleerd: door woordjes te stampen en de grammaticale regels uit de boeken te bestuderen. Zij zijn doorgaans gemotiveerde en ijverige leerlingen, die de regels dus binnen de kortste keren van binnen en van buiten kennen. En hier zie je precies het genoemde vooroordeel ontstaan. Want de native speaker kent zijn eigen taal vaak helemaal niet op die wijze, hij heeft vaak zelfs maar een rudimentaire kennis van de regeltjes van zijn eigen taal, spreekt met een accent, bezigt zinsconstructies die strikt genomen onjuist zijn, drukt zich uit in betekenisloze gemeenplaatsen en onnozele stopwoordjes, gebruikt modieuze leenwoorden, enzovoort. De vlijtige leerling is geneigd te denken dat de native speaker niet zuinig is op zijn taal – dat hij lauw is, relativistisch. De native speaker vindt de vlijtige leerling te star, te strikt, en een tikje wereldvreemd. Beiden hebben zij tot op zekere hoogte gelijk – en ongelijk…

Terug naar het debat van @Goedkatholiek en @frankgbosman; ook zij hadden beiden een beetje gelijk en een beetje ongelijk. De opmerking van @frankgbosman was inderdaad onder de gordel en raakte niet wat hij wilde raken – maar hij raakte met zijn wilde slag wel iets. En dat is een punt dat de stellingnamen van het debat overstijgt: zijn vergissing maakte namelijk pijnlijk duidelijk dat er in Nederland, zelfs in katholieke streken, eigenlijk bijna geen native speakers meer zijn. Wie zich vandaag de dag serieus bezig wil houden met het geloof is bijna automatisch een ‘bekeerling’; er is amper meer een gedeelde religieuze taal. Ook in streken waarin het katholicisme de cultuur nog domineert is de katholieke ‘taal’ opgedroogd, verschraald. Afgelopen weekend stond in het Volkskrant Magazine een reportage over kinderen die hun eerste Heilige Communie deden in (onder meer) het Brabantse dorp Sint-Willibrord. Daar hoort het er nog echt bij, het gebruik zit in de locale volkscultuur ingebakken – maar echt kerkelijk zijn de meeste ouders van communicantjes ook niet. Het stuk beschrijft hoe tijdens de Mis muziek van Frans Bauer wordt gedraaid en hoe de mensen de grote tassen met cadeaus reeds onder de houten kerkbanken gestouwd hebben. Iedere notie van sacraliteit, van plechtigheid, van decorum is totaal verdwenen; de plaatselijke parochie is een volmaakt geseculariseerde taal gaan spreken – zij het uit vrijzinnige verwoestingsdrang of, erger nog, uit domme onverschilligheid. Wie in zo’n omgeving, als geboren en getogen katholiek, nog écht katholiek wil zijn, bewust katholiek, uit innerlijke overtuiging, die moet daar moeite voor doen, ja, die moet een vreemde taal leren… (Ik spreek uit ervaring; ik kom uit die streek.)

En dan hebben we jammer genoeg niet veel meer tot onze beschikking dan wat oude schoolboeken… De catechismus, de kerkelijke documenten, de dogma’s. En begrijp me goed; die kunnen op hun manier inspirerend zijn; maar wij vinden ze inspirerend op de wijze waarop sommige leraren Nederlands in nog grotere lyrische vervoering kunnen geraken van het Groene Boekje en de Spellingwijzer dan van Elckerlyc en Vondel. Toch: wat we eigenlijk willen is poëzie, is levende taal. De grammatica van die taal bestaat reeds – daar wijst @Goedkatholiek heel terecht op – maar het komt er nu op aan de taal opnieuw te leren te spreken; en een voorzichtige poging daartoe vind ik eerder bij @frankgbosman.

We moeten er even uit voor de reclame, maar blijft u vooral kijken, want later volgt nog een oeverloze nabeschouwing over het onderscheid tussen orthodoxie en vrijzinnigheid. Wilt u in de tussentijd meepraten, schroom dan niet – want net als bij voetbal hoef je bij theologie nooit een poot op het veld te hebben gezet om er verstand van te hebben.

7 gedachten over “Studio Theologie: Nabeschouwingen (1)

  1. Mooi geschreven, ook goed gekarakteriseerd denk ik. Ik heb zelf ook al meermalen geprobeerd het begrip “nieuwe katholiek” of “bekeerling” te problematiseren. Maar het is niet uit te bannen, lijkt het wel. De diepere laag waarop je wijst is er, maar die speelt, zoals je terecht zegt, bij zo’n beetje alle katholieken, ook de “oude”.

  2. Mooi stukje weer, Anton. Verheug me op afl 2. Je hebt gelijk: mijn vraag over bekeerling-zijn veegde alle neokatholieken op een hoop. En generaliseren is een slecht iets. Excuses aan iedereen die ik hiermee gegriefd heb. Het is niet aan mij om ’s mensens hart te kennen.

    De zorg om een nieuwe taal voor het oude geloof houdt mij idd heel erg bezig. Als theoloog is dat ook je vak: de tekenen des tijds te verstaan en Gods verhaal met mensen altijd verder willen vertellen. Of de oude woorden waardevol zijn of niet (ik denk van wel) noopt ons geloof onze woorden steeds te vernieuwen, eindeloos zoals God zelf.

    1. @ Frank Bosman ~ Waarom geen excuses aan GoedKatholiek? Ik (als ‘bekeerling’) voel me niet beledigd. Ik ben vooral benieuwd waarom je deze uitspraak deed. En waarom je je ‘geen excuses aan…’ doet afsluiten met een oproep ‘onze woorden steeds te vernieuwen’. Schiet je hier in je onbekeerde voeten?

    2. Bosman’s zinsnede “[…] ons geloof onze woorden steeds te vernieuwen, eindeloos zoals God zelf” roept bij mij het volgende boekje in herinnering; toentertijd een bestseller: Huub Oosterhuis en Piet Hoogeveen, ‘God is ieder ogenblik nieuw. Gesprekken met Edward Schillebeeckx’ (Baarn 1982).

  3. Pingback:De taal van de stilte | Anton de Wit

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *