Je snuffelt nu in het archief van gedicht.

Lof van de vissers

januari 22, 2012 in Etalage, Sprakeloos

(Een loflied bij Marcus 1:14-20. Denk de muziek er zelf maar zelf bij.)

Kalm is het water van het meer
Maar mijn boot schudt heen en weer
Niet door een storm, maar door een stem
Niet door een schim, maar slechts door Hem
Die mij roept vanaf de wal: de Heer.

Read the rest of this entry →

Kruisje

mei 19, 2011 in Bronnen, Mooi

’t Eerste dat m’n moeder mij vragen
leerde, in lang vervlogen dagen
– toen mijn stem en leven
ongebroken waren, ongegriefd –
was: “Vader, alstublieft,
Wilt u mij een kruisje geven?”

‘k Heb dat kruisje dan gekregen,
met een vriendelijk tikje tegen
mijn wang, telkens weer…
Ach, de goede dag komt nader
dat ik u weerzie, moeder, vader,
aan het gastmaal van de Heer

Maar dat kruisje, ’t is geschreven,
’t blijft hier op mijn voorhoofd kleven,
geste van voorbij het graf:
Al slaat men mij de schedel stuk
brengt mij onder zwaarder juk,
men neemt mij nooit het kruisje af.

– Vrij naar Guido Gezelle

Read the rest of this entry →

“Dit voorbijgaan heeft een zin”

mei 1, 2011 in Bronnen, Mooi

Aan alles wat deze dagen over paus Johannes Paulus II wordt geschreven, heb ik niets toe te voegen. Ik wil de vandaag zalig verklaarde paus enkel zelf aan het woord laten, in wat ik één van zijn mooiste gedichten vind. (Want ja, dat was hij óók nog, een dichter… dat hij op dat terrein misschien niet direct voor canonisering in aanmerking komt, neemt niet weg dat ook zijn literaire vruchten enige waardering verdienen.)

Read the rest of this entry →

Gedichten voor de Goede week

april 19, 2011 in Sprakeloos

Twee jaar geleden plaatste ik op mijn blog iedere dag van de Goede Week een nieuw gedicht, geïnspireerd door de bijbeltekst van de dag. Ik wilde het verhaal van Jezus’ laatste dagen navertellen vanuit het perspectief van een anonieme omstander, een bijbelse figurant, die merkt dat er iets aan de hand is, maar niet goed weet wat… de spanning moet destijds, zo stel ik mij voor, te snijden zijn geweest in Jeruzalem. De gedichten pretenderen niet iets te begrijpen van het Paasmysterie – als ze al iets pretenderen, dan is het dat ze voelbaar maken hoe moeilijk dat Paasmysterie te begrijpen is.

Het zijn daarom kleine en bescheiden gedichten, en ik was ze al zo’n beetje vergeten toen ik ze bij toeval weer tegenkwam. En eigenlijk vind ik ze nog altijd redelijk geslaagd (iets dat me niet vaak gebeurt bij oude gedichten). Dus, voor wie er wat om geeft – encore:

Sonnet voor Schillebeeckx

december 24, 2009 in Sprakeloos

Leeszaal. Een sonnet voor Edward Schillebeeckx (1914-2009)
Door Anton de Wit

lange rijen metalen kasten
oude boeken, nieuw plastiek
hermeneu-, mys- en dogmatiek
zinnen die op één blad niet pasten

hij schuifelt hier nog altijd rond
– broos en breekbaar
maar pienter, strijdbaar –
en weet waar ieder boek ooit stond

zijn wendbare geest ontsnapt aan de tucht
maar niet aan de tijd; hij gaat ten
onder in deze stille leeszaal. iemand zucht

en opent de ramen; rumoer van de straten
– waarom? om de frisse buitenlucht
erin, of om zijn geest eruit te laten?

Herfst

september 21, 2009 in Bronnen, Mooi

Die Blätter fallen, fallen wie von weit,
als welkten in den Himmeln ferne Gärten;
sie fallen mit verneinender Gebärde.

Und in den Nächten fällt die schwere Erde
aus allen Sternen in die Einsamkeit.

Wir alle fallen. Diese Hand da fällt.
Und sieh dir andre an: es ist in allen.

Und doch ist Einer, welcher dieses Fallen
unendlich sanft in seinen Händen hält.

– Rainer Maria Rilke, Herbst.

Een mooie vertaling van dit gedicht vond ik hier. Maar ik wilde toch graag het origineel delen; een mooi begin van de herfst, die laatste regels… Laat de bladeren maar vallen, er is die Ene die ze allemaal opvangt en ze “unendlich sanft in seinen Händen hält”.

Goede week VII: Stille zaterdag

april 11, 2009 in Sprakeloos

john-comforts-mary-at-calvary1ik weet niet
wie of wat
er weg is uit de stad;
de vreugde,
of die man wiens naam
op ieders lippen ligt.

ik hou het op de zwaartekracht.

de vrouwen die langslopen
in de straat buigen het hoofd,
maar hun tranen vallen
naar de hemel toe.

zelfs de stenen
lijken lichter
en de stilte 
die men doods noemt
jubelt van nieuw leven. 

ik weet niet
wie of wat
er weg is uit de stad;
de tranen, het bloed
van die man wiens naam
op ieders lippen ligt.

ik hou het op de zwaarte.

(Mc. 16:1-8)