Met de kinderen naar de Spelerij in Dieren geweest. Wat een verademing tussen alle zielloze confectiepretparken en speelloodsen met schuimrubberen stellages. De Spelerij is een speelpark annex kunstproject dat volledig is opgetrokken uit industrieel schroot; een ratjetoe van groteske ijzeren machines, wonderlijke klimtoestellen en labyrinten van versierde rioolbuizen. Het is een klein park, maar er is oneindig veel te ontdekken. En het aardige is: het is aan de kinderen zelf om er wat van te maken. Zij zetten de raderen zelf in beweging, met eigen arm- en beenkracht.
‘t Is weer tijd voor die grote voorjaarsschoonmaak van de ziel: de vasten. Zelf heb ik me ook dit jaar zo veel mogelijk teruggetrokken uit het sociale-mediabestaan, om me in de offline-woestijn te laven aan bronnen van wijsheid; onder meer het tweede Jezus-boek van paus Benedictus XVI en het boek De rooms-katholieke kerk. Een geïllustreerde geschiedenis van Edward Norman vormen mijn geestelijk vastendieet. Maar vasten doe je natuurlijk niet alleen voor jezelf, vandaar dat ik ook een ‘weblezing’ gemaakt heb over het vasten. Wanneer je naar een reguliere lezing gaat is het ook gebruikelijk om entree te betalen… Welnu, je kunt deze lezing weliswaar gewoon gratis bekijken, maar ik wil je toch uitnodigen om je waardering te laten blijken door een donatie te doen aan de Vastenaktie, die dit jaar geld inzamelt voor bijzondere projecten in de sloppenwijken van Addis Abeba, Ethiopië. Doneren kan via deze website, waar ook meer informatie te vinden is over de projecten.
Op de valreep bezocht ik gisteren de tentoonstelling Ongekende schoonheid in Museum Catharijneconvent in Utrecht. Deze tentoonstelling bevat een veelzijdige en kleurrijke selectie van iconen uit Macedonië. Uiteraard biedt het Catharijneconvent, zoals het een goed museum betaamt, gaandeweg ook allerlei leerzame wetenswaardigheden over de oosters-orthodoxe kerken waarin deze bijzondere vorm van heiligenverering zo wijdverbreid is, over de culturele en historische context in Macedonië, enzovoort. Maar wat mij toch opviel, was hoe weinig grip al die heel nuttige achtergrondinformatie eigenlijk krijgt op de iconen. Die zijn niet echt te begrijpen met een cultuurhistorische of kunstkritische bril. Iconen zijn werkelijk van een andere orde – ja, ze zijn, zoals de oosters-orthodoxen zeggen, geen afbeelding van de heilige, maar de heilige zelf. Om iets van dat mysterie te begrijpen moet je ze bekijken met de onbevangen verwondering waarmee ze ook gemaakt zijn. Moet je het verhaal van de oudtestamentische profeet Elia kennen wanneer je naar de adembenemende icoon van diens hemelvaart kijkt, moet je iets van de symboliek van kleurgebruik weten? Welnee – je moet het knallende oranjerood gewoon op je in laten werken, en het bijbehorende verhaal wordt je vanzelf verteld. Moet je weten hoe het komt dat de Moeder Gods op één icoon met drie handen wordt afgebeeld? Het is een boeiend verhaal, over de heilige Johannes van Damascus wiens hand werd afgehakt, maar die na te bidden bij een icoon van Maria een nieuwe hand kreeg. Maar in feite volstaat het besef dat de Moeder Gods ook de moeder aller moeders is, en dat zij in haar eindeloze zorgzaamheid nooit handen tekort komt. De bijgeleverde informatie vormt een aardig venster op de tijd en context van deze iconen, maar het boeiendste wat de tentoonstelling te bieden heeft is de ontdekking, op de eerste plaats door het hart, van wat iconen werkelijk zijn: vensters op eeuwige waarheden.
Als je de tentoonstelling ook op de valreep wil bezoeken, moet je vlot wezen, want dat kan nog tot 11 mei. Hier vind je meer informatie.
Met bewonderenswaardig enthousiasme sleurt de gids een groepje weinig enthousiaste pubers door de Hermitage in Amsterdam. Hij houdt halt bij een schilderij van Henri Matisse. Met dure woorden en drukke armbewegingen duidt hij het werk van deze Franse kunstenaar. Ik vang flarden van zijn geëxalteerde uitleg op. Over hoe de schilder het schilderij zelf thematiseert, geen onderwerp buiten het schilderij, en hoe belangrijk dat is geweest voor de moderne schilderkunst. Ik kijk nog eens goed naar het doek; een nietszeggend tafereeltje met naakte jeu-de-boulesspelers. Toch opmerkelijk, dat juist een schilderij dat voor zichzelf wil spreken zich in stom stilzwijgen hult totdat een museumgids er een paar obligate kunsthistorische kaders bij schetst.
Van dit filmpje kan ik geen genoeg krijgen. Deze fresco’s van Fra Angelico bezitten een schoonheid die de zintuigen brutaalweg passeert, en direct aan iets diepers raakt — aan een herinnering, wilde ik zeggen, maar ik bedoel natuurlijk: aan een actualiteit. Ongeveer halverwege het filmpje wordt de Graflegging van Christus getoond. Behalve de personen die daar volgens de Bijbel inderdaad bij waren, zie je ook een figuur in dominicaner habijt afgebeeld; als ik me niet vergis is het de heilige Dominicus zelf. Wij zijn geneigd dergelijke anachronismen in de oude religieuze kunst een beetje raar te vinden. Gewend als wij zijn aan kritisch-historisch onderzoek, willen wij steeds maar weten hoe het er ‘echt’ aan toe ging, vrij van vertekeningen van onze eigen tijd. Dominicus is zo bezien een binnendringer in dit schilderij, een ongenode gast, daar alleen geplaatst om de kloosterorde waartoe Fra Angelico zelf behoorde binnen te smokkelen in het Bijbelse verhaal. Maar in werkelijkheid is het natuurlijk precies andersom: Fra Angelico smokkelt het Bijbelse verhaal zijn orde binnen, of anders gezegd: het is het verhaal dat binnendringt in de actualiteit, als genode of ongenode gast. Daarmee wordt het tafereel niet minder realistisch, want het raakt precies aan een tijdloze realiteit. De kunstenaar vertekent de werkelijkheid niet door elementen uit zijn tijd een plaats te geven in de Bijbelse gebeurtenissen; wij vertekenen de werkelijkheid wanneer we die Bijbelse gebeurtenissen geen plaats willen geven in onze tijd.
Christendom en heidendom — wat ze gemeen hebben, is volgens G.K. Chesterton een diep-menselijk instinct voor verbeelding. Maar al in het vorige fragment begonnen zich de contouren van een verschil af te tekenen, dat hij hier verder expliciteert. Ik vind dit persoonlijk een van de mooiste fragmenten uit het vijfde hoofdstuk van De eeuwige mens, door de fraaie frasen en ronkende stellingen die ook in het huidige debat over de redelijkheid van religie gehoord mogen worden.
Onlangs ontstond op dit weblog een stevige en boeiende discussie over de verhouding tussen de christelijke en de oude heidense religie. Ook G.K. Chesterton schrijft daar veel over in zijn Eeuwige mens. In de onderstaande passage (het vervolg op dit fragment) gaat hij dieper in op de grondtrekken van de heidense mythologieën. Deze zijn te waarderen als artistieke prestatie, stelt hij — maar misschien zijn we wel geneigd ze daarom al te ernstig te nemen…
“Een jonge journalist en schrijver die zonder complexen opkomt voor de rijkdom van het
katholieke geloof, ook in deze voor de kerk
beroerde tijden. Hij doet dat met een ongewone
taalvaardigheid, speels, sprankelend en ‘geestig’
in de twee betekenissen.” - Tertio