
Zonet op de fiets van de kerk terug naar huis echoden die prachtige woorden uit de Handelingen van de Apostelen nog door mijn hoofd:
Mannen van Galilea,
wat staat ge naar de hemel te kijken?
“Mannen van Galilea,
wat staat ge naar de hemel te kijken?” (Hn. 1:11)
Het is een passage die ons ook iets kan leren over onze roeping — in breedste zin, ik bedoel gewoon datgene wat ieder van ons persoonlijk te doen staat in dit leven, jouw taak, jouw zorg, jouw talent zo je wil. Hoe vaak zien wij die roeping niet als iets dat op ons toekomt, inderdaad als een roepstem, als een opdracht die ons gegeven wordt. Er is ook niets mis mee om het zo te zien. Maar in dit fragment, waarin de apostelen verbijsterd staan te kijken hoe Jezus opstijgt naar de hemel, komen we een ander aspect op het spoor: de roeping, niet als iets dat op ons afkomt, maar als iets dat zich van ons weg beweegt. Zoals de apostelen blijven wij verbouwereerd achter, vol onbegrip, in de stilte na de storm, in het duister. Wij blijven met de brokken zitten. En we moeten het er maar mee doen.
Toen ik daar aan dacht, op de fiets terug naar huis, schoot mij een beeld te binnen dat ik gisteren zag, de prachtige foto die ik ook boven deze post heb geplaatst. Het is een foto van de 80-jarige ‘broodpater’ Gerrit Poels, afkomstig uit het boek dat Arjan Broers over hem schreef (Een dwaas bestaan, uitgeverij Valkhof Pers, € 8,50). Het boek heb ik nog niet gelezen, maar de website en de korte voorpublicatie in VolZin deze week beloven veel goeds. Iedere nacht fietst Gerrit Poels heel Tilburg door om armen, verslaafden en wanhopigen brood te brengen. Hij werkt letterlijk in het duister, met mensen die in een uitzichtloze situatie verkeren. Toch doet hij dit al decennia lang, nacht in nacht uit.
Wat drijft deze man? ’Roeping’, ‘barmhartigheid’, ‘idealisme’ — allemaal begrippen die al te gewichtig, te pompeus klinken. De woorden van Poels zijn eenvoudig, praktisch, warm. Maar daar gaat het om, nietwaar, het mysterie van Hemelvaart? Met de brokken zitten, en toch niet bij de pakken neer gaan zitten. Met die brokstukken hebben we het maar te doen. Misschien dat we er later iets van begrijpen. Wat staan wij dus naar de hemel te kijken? Hier is het te doen.
“Ik ben geen hulpverlener”, zegt hij, “ik help”.