“Tegen hardhorenden moet je schreeuwen”

Vandaag precies een halve eeuw geleden overleed de Amerikaanse schrijfster Flannery O’Connor. Ik zou niet durven beweren dat haar verhalen en romans easy reading zijn, lekkere lectuur voor een luie zomerdag. Nee. Ze zijn duister, broeierig, grotesk. Maar toch zeer het lezen waard.

Flannery O'ConnorWat velen moeilijk te rijmen vinden – ik merkte dat toen ik een tijdje terug in Tilburg bij een lezing over O’Connor was van literatuurcriticus Tjerk de Reus – is dat deze schrijfster van dergelijke donkere verhalen tevens een belijdend katholiek was. Niet dat katholieke auteurs per se altijd heel vriendelijk of vroom hoeven te zijn – in de katholieke literatuur van de 20e eeuw ontmoeten we wel vaker Gods vreemdste en wreedste kostgangers, er klinkt vaker een fascinatie met kwaad, zonde en verval in door. Lees Greene, of Waugh, of Bernanos, om er maar een paar te noemen. Maar in hun toch ook weinig opbeurende werk klinkt doorgaans nog wel een sprankje hoop door.

In de verhalen van Flannery O’Connor echter ontbreekt doorgaans zelfs dat kleine lichtpuntje aan de horizon. Elk spoor van vertrouwen dat er toch ergens in de mens iets goeds te vinden is, al is het dan onder taaie lagen van domheid en zelfzucht, ontbreekt. O’Connor zag het niet als haar taak om mensen het genoegen te schenken van een happy end, of nog maar van de minste opbouwende, stichtende, ja verlossende boodschap. Christelijk gezegd: het blijft altijd Goede Vrijdag in haar werk, Pasen breekt maar niet aan.

Dat mag ongemakkelijk zijn, irritant soms, maar ik denk dat O’Connor het christendom van vandaag daarmee een waardevolle les leert.

In vele goedbedoelde pogingen om onze christelijke religie wat welluidender te maken voor tere moderne oren, zijn de dissonanten en harde klanken nogal eens gedempt of gesust. Impopulaire begrippen als kwaad en zonde worden vergoelijkt of gerelativeerd: ach, we bedoelen het in wezen allemaal wel goed, maar soms schieten we nu eenmaal tekort, en daarin bestaat dan de zonde, daarin doen we onszelf anderen ongewild kwaad. Voor O’Connor is die zienswijze te gemakzuchtig. Het kwaad en de zonde zijn sterker dan dat, groter, giftiger, gewelddadiger. Dat wilde zij in haar werk voelbaar maken, en dat verklaart haar soms zo groteske figuren. “Tegen hardhorenden moet je schreeuwen”, zo schreef zij zelf eens, “en voor bijna-blinden moet je grote en verontrustende figuren tekenen.”

Als het bij O’Connor maar geen Pasen wil worden, komt dat wellicht omdat het bij ons moderne lezers soms te snel Pasen wordt. We stellen ons te makkelijk gerust. We willen de dageraad van de Paasmorgen zien gloren, nog vóór wij de duisternis van Goede vrijdag goed op ons in konden laten werken. Wie wel door die duisternis heen durft, leze het ongemakkelijke, maar fascinerende oeuvre van Flannery O’Connor.

Dit is een sterk verkorte versie van een essay over Flannery O’Connor, dat deze week in Katholiek Nieuwsblad verscheen. Mijn complete essay is ook online te lezen via MyJour.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *