Twittervasten: een terugblik

Zo, we hebben weer een mooi Pasen mogen vieren, en dat betekent ook dat ik na veertig dagen weer verrezen ben uit de zelfgekozen sociale-mediadood. Zoals ik schreef was ik het facebooken en twitteren even helemaal beu, en het leek mij dus wel gezond mij er eens veertig dagen van te onthouden. Behoudens wat dingetjes waartoe mijn werk mij verplichtte, is het mij goed gelukt de sociale media te negeren. Ik heb ze niet gemist – maar ik moet ook zeggen dat nu Tweetdeck weer aan staat en mijn Facebook-status weer is geüpdatet (ja, zo schrijf je dat, kijk maar in de Van Dale), ik de Facebook- en Twitterloosheid ook niet mis.

De laatste tijd heeft een stoet van intellectuelen kritiek geleverd op sociale media, een enkeling trok zelfs met veel poeha de stekker uit z’n Facebook-account. Sommige argumenten vind ik zeker zinnig, maar al bij al kan ik toch maar niet echt onder de indruk geraken van de kritiek. Ik zeg het Miriam Rasch na dat de scheidslijn tussen inhoudelijke gesprekken en zinloos gekakel niet per se gelijk is aan de scheidslijn tussen offline en online. En ik zeg het Kitty Arends bovendien na dat cultiveren zinniger is dan uitbannen. Dat was in feite ook mijn doel met dat ‘twittervasten’; het twitteren weer een beetje in fatsoen brengen, de juiste maat vinden, het de juiste plaats geven in m’n dagelijkse bezigheden.

En dat durf ik wel te veralgemeniseren: ik denk dat sociale media sowieso hun fatsoen nog moeten vinden. En ik gebruik ‘fatsoen’ dan bewust in de dubbele betekenis van het woord. Vanochtend stond een pijnlijk verhaal in de krant over een vader die ontdekte dat zijn tienerdochter allerlei intieme details over zichzelf en haar gezinsleden via Twitter wereldkundig maakte. Zoiets is natuurlijk ‘onfatsoenlijk’ in de zin van ‘niet netjes’, maar het verraadt volgens mij een dieper probleem, dat te maken heeft met die andere betekenis van fatsoen: ‘vorm’ of ‘model’.

Ik geloof niet dat sociale media hun juiste vorm al gevonden hebben, in sociaal opzicht. Ze moeten echt hun draai nog vinden. We hebben het gruwelijk mis wanneer wij denken dat die media reeds ‘ingeburgerd’ zijn, zeker bij een jonge generatie die opgegroeid is met internet en mobieltjes. Maar kijk naar de tiener uit het voorgenoemde bericht; die had werkelijk geen flauw benul dat die privé-tweets door de hele wereld, en dus ook haar vader, gelezen konden worden, noch lijkt zij zich erg bewust van de impact ervan. Haar duim is ongetwijfeld aangepast aan het razendsnelle tikken op een smartphone, haar brein is dat overduidelijk nog niet.

Ieder kind weet feilloos, dat wanneer je op een briefje schrijft “Die-en-die is een lelijke paardenkop”, je dat briefje moet verstoppen, verscheuren of verbranden zodra die-en-die eraan komt. Maar dat je dezelfde frase niet klakkeloos kunt twitteren omdat die-en-die het dan ook kan lezen, weet nog lang niet ieder kind. Dus dan kun je wel zeggen dat digitale communicatiemedia het aan het winnen zijn van papier, maar als medium is een simpel briefje nog altijd duizendmaal vanzelfsprekender dan een tweet of statusupdate.

Wij kennen de façon van een briefje, die van Facebook of Twitter nog lang niet. Dat blijkt ook wel uit het feit dat iedereen ofwel “Prachtig!” ofwel “Onzin!” roept zodra het over zaken als internetspiritualiteit of Twitter-kerkdiensten of iPhone-biecht-apps gaat. Pas wanneer niemand meer begrijpt waarom je daar überhaupt voor of tegen zou kunnen zijn, zijn nieuwe media echt ingeburgerd, hebben zij hun juiste vorm gevonden. Zo ver is het echter nog lang niet. En tot die tijd lijkt het me niet meer dan gezond dat we sociale media – of in elk geval ons eigen gebruik ervan – met een zekere welwillendheid én terughoudendheid in fatsoen pogen te brengen.

2 gedachten over “Twittervasten: een terugblik

  1. Pingback:Geniet, maar doe het met mate | Humanoid Media

  2. Pingback:Weblezing: Vasten | Anton de Wit

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *