Waarom Michel van der Plas mij ergerde

Ik heb de voorbije week veel aan Michel van der Plas gedacht. Nu lees ik dat hij overleden is. (Een causale relatie tussen die twee feiten wens ik overigens niet te suggereren – ’t zou me een boeltje worden wanneer iedereen aan wie ik denk het loodje legt.)

Michel van der Plas. Beeld: RKK
Michel van der Plas. Beeld: RKK

Nee, dat zat zo. Vorige week – ik vierde met mijn gezin vakantie aan het Veerse Meer – kocht ik in een antiquariaat in Goes twee boeken: Beminde gelovigen van Godfried Bomans en Onder dak zonder dak van Michel van der Plas. Misschien is het niet helemaal eerlijk, maar het is moeilijk die twee boeken níet met elkaar te vergelijken. De auteurs waren goede bekenden van elkaar, tijdgenoten en geestverwanten. Beide boeken gaan over de vroegste herinneringen van de auteurs, niet vrij van nostalgie, herinneringen aan hun roomse jeugd. Over datzelfde onderwerp hebben Bomans en Van der Plas ook ooit samen een indrukwekkend boek geschreven: In de kou. Ik heb Van der Plas vorig jaar nog een brief geschreven of ik hem over dat boek mocht interviewen, maar daarop kreeg ik nooit antwoord. (Ik begreep nu dat hij een lang ziekbed heeft gehad, dus vermoed dat het uitblijven van een antwoord daarmee verklaard is.) Daarop besloot ik de andere auteur maar te interviewen, ondanks de hinderlijke bijkomstigheid van diens overlijden in ’71 – dat is De honderdjarige geworden.

Afijn, ik heb de beide boeken die ik in Goes kocht daarom met veel belangstelling gelezen tijdens mijn vakantie in het Zeeuwse, en kon de een ook niet goed los van de ander zien. Ik weet dat ik nu zondig tegen het heilige beginsel van ‘van de doden niets dan goeds’. Maar als ik zeg dat ik aan Michel van der Plas gedacht heb, bedoel ik eerlijk gezegd vooral dat ik mij aan hem geërgerd heb. Zo geestig en levendig Beminde gelovigen is, zo futloos en saai is Onder dak zonder dak. Laat ik het proberen te illustreren aan de hand van wat zij beiden schrijven over hun eerste heilige communie. Ik begin met een kort citaat van Godfried Bomans:

“De eerste heilige communie, dat was me ook wat. Jezus kwam in je hartje. Hoe dit te werk ging, dat vertelde de kapelaan op de ‘lering’. Men moest om te beginnen geheel en al ‘nuchter’ zijn. Er was eens een jongetje geweest, hij zag het ventje nog duidelijk voor zich, en dat had op de ochtend van zijn eerste communie zijn tanden gepoetst. Er ging een kreet van afgrijzen door de klas. Juist, zei de kapelaan, jullie begrijpen me.”

Dan Michel van der Plas:

“Nee, het was niet ‘de mooiste dag van mijn leven’, die zondag dat ik mijn eerste communie deed. Angst was een belangrijke factor op die dag. Angst om toch maar niet ’s morgens een druppeltje water binnen te krijgen en daardoor uitgesloten te worden van het ontvangen van de hostie. Angst of mijn zieltje nu wel werkelijk blank en schoon en rein genoeg was voor het duizelingwekkende bezoek.”

Het gaat over hetzelfde, neemt hetzelfde voorbeeld bij de lurven, de conclusie is in grote lijnen dezelfde, maar toch is er een verschil van dag en nacht. In het eerste fragment is een groot en geestig verteller aan het woord, het type dat op een huiskamerfeestje alle lachers en luisteraars op zijn hand heeft. Het tweede fragment is van een oude zeur, die in een hoekje van dezelfde huiskamer eenzaam zit te kniezen, terwijl zelfs de meest beleefde toehoorder allang is opgestaan om nog een glas wijn in te schenken in de keuken.

Bomans schrijft onmiskenbaar karikaturaal over zijn roomse jeugd; met groteske overdrijvingen, al te krasse anekdotes, en genadeloze spitsvondigheid. Van der Plas is in zekere zin realistischer, bedaarder, genuanceerder. Maar het merkwaardige is, dat Bomans’ boek al bij al een veel gevarieerder en genuanceerder beeld geeft van het vroeg-twintigste-eeuwse katholicisme dan dat van Van der Plas. Bomans schrijft met liefde en welwillendheid over die tijd, zonder die evenwel te idealiseren of er naar terug te verlangen. De schetsen van Van der Plas daarentegen, staan stijf van de bittere weemoed en het zure zelfbeklag. Ze ontberen volledig de geestigheid en de intelligentie die in Bomans’ schrijfsels van de pagina’s spatten. Ik heb in Onder dak zonder dak niet één humoristische observatie of diepzinnige gedachte kunnen aantreffen. Misschien kan ik het het beste zo zeggen: Bomans wekt in zijn boek een voorbij tijdsgewricht genereus tot leven, Van der Plas begraaft het juist in een stortvloed van persoonlijke kleinzerigheden.

Een ‘schrijver in de schaduw’, werd Van der Plas niet ten onrechte genoemd in een mooie, nog vrij recent verschenen RKK-documentaire. Bomans was één van die hoge bomen onder wiens schaduw Van der Plas nooit is uitgekomen. Nogmaals, het is misschien niet helemaal fair om deze twee boeken, deze twee schrijvers met elkaar te vergelijken, want ze zijn nu eenmaal van ongelijke grootte. Toch kon ik mij mijn hele vakantie lang niet van de ergernis bevrijden. Ik dacht terug aan andere boeken van Van der Plas die ik gelezen heb. Onder meer de gedetailleerde biografie van de jonge Bomans, waar ik voor mijn roman veel uit heb kunnen putten. Maar ook de veel imposantere, meer volledige biografie van een andere intellectuele held in wiens schaduw hij gestaan heeft: Anton van Duinkerken.

Die beide biografieën, hoe interessant ook, hebben mij ook niet weinig geërgerd. Ik vind het moeilijk daar precies de vinger op te leggen, maar wil er toch dit over zeggen. Van der Plas beschrijft de levens van deze katholieke grootheden met veel oog voor detail, hij heeft grondig onderzoek verricht in knipselarchieven en bij nabestaanden. Maar in al zijn gedetailleerdheid vergeet hij de persoon zélf te portretteren. Wat mij bijvoorbeeld steeds weer opviel, is hoe weinig aandacht deze beide biografieën hebben voor het huwelijks- en gezinsleven van hun onderwerp. Misschien is dat een generatiekwestie; ik weet ook wel dat ik een kind ben van een roddelzieke tijd, die juist vaak te veel belangstelling heeft voor het privé-leven van beroemdheden. Maar kom op, zeg: het is toch een te belangrijk onderwerp om in een lijvige biografie bijna volledig te negeren, en slechts terloops, in afgeraffelde bijzinnen, ter sprake te brengen? Veelzeggend is dat in de Van Duinkerken-biografie diens vrouw Nini zelfs helemaal ontbreekt in het verder toch zeer precieze namenregister achterin. Het verleidde mij tot de boze gedachte, dat de biograaf zijn literaire helden – naar wie hij vele honderden pagina’s bewonderend opziet – helemaal niet wilde delen met zoiets prozaïsch als een vrouw.

Gisteren, zondag 21 juli, de laatste dag van mijn vakantie, fietste ik nogmaals naar Goes – nu om de eucharistieviering bij te wonen in de H. Maria Magdalena, schuin tegenover het antiquariaat waar ik de twee boeken had aangeschaft. Als slotlied zong het koor het lied Zingt voor de Heer van liefde en trouw. Tekst, zo stond te lezen in het misboekje: M. van der Plas.

Zingt voor de Heer van liefde en trouw,
die onder ons verblijven wou.
Zingt als het gras, dat dankt voor dauw,
alleluja, alleluja.

Ik zong mee, want ik probeer altijd mee te zingen, maar kon niet de devotie opbrengen om mijn ergernis te vergeten. Gras dat zingend dankt voor dauw – wat een vreselijk afgezaagde beeldspraak. En verderop: “Zingt voor de deur die open staat.” Ik ben me daar gek, om te gaan zingen voor een openstaande deur – doe ‘em liever dicht om tocht of zomerse hitte buiten te houden.

Diezelfde ochtend overleed Michel van der Plas, pseudoniem van Ben Brinkel, op 85-jarige leeftijd – en ik bid de goede God dat hij mag rusten in vrede. Elders kun je vriendelijkere in memoriams lezen, die hem ongetwijfeld meer recht doen. Ik heb nu helaas niets dan mijn ergernis te delen – iets anders zou onoprecht zijn. Dit wil ik er echter wel aan toevoegen: ik vind het jammer dat hij niet op mijn brief gereageerd heeft, want ik had hem graag nog eens geïnterviewd.

N.B. (23-7-2013): Ik heb inmiddels, naar aanleiding van de vele reacties die ik mocht ontvangen op dit stukje, mijn woorden wat nader toegelicht in deze bedenkingen bij de bedenkingen

18 gedachten over “Waarom Michel van der Plas mij ergerde

  1. Mwah. Om Bomans kon je misschien harder lachen, maar doe mij – na enig wikken en wegen – toch Michel van der Plas maar. Ik vind beide citaten over de Eerste Communie overigens ook niet echt te vergelijken. Dat van Bomans is geestig, zeker. Maar dat van Van der Plas raakt me als echte emotie.
    Enfin, ik herken wel het gevoel dat de ergernis over een tekstdichter je soms belet om devoot mee te zingen. Dus daarin sta ik naast je 😉

  2. Ha Anton, ik merk dat mijn houding over evt zuurpruimerij van de generaties voor ons veranderd is, toen ik ben gaan beseffen wat een benauwde tijd eraan voorafging; wat een plotselinge ommezwaai er was; wat een verwarring het resultaat was; en wat die verwarring aan polarisatie opleverde. Misschien is eerbied een heiligere emotie dan irritatie. Hartelijk, jos.

  3. Ha Anton, ik merk dat mijn houding over evt zuurpruimerij van de generaties voor ons veranderd is, toen ik ben gaan beseffen wat een benauwde tijd eraan voorafging; wat een plotselinge ommezwaai er was; wat een verwarring het resultaat was; en wat die verwarring aan polarisatie opleverde. Misschien is eerbied een heiligere emotie dan irritatie. Hartelijk, jos.

  4. Beste Anton de Wit,
    U leeft nog, en ik wens u een lang en gelukkig leven, en dat u nog vele stukjes mag schrijven die wel het lezen waard zijn. Maar de Nachruf die u aan Michel van der Plas wijdt vind ik niet terecht en niet kies. Fijn dat u van Bomans kunt genieten, dat is ook de bedoeling. Godfried schreef om leuk gevonden te worden. Maar Michel van der Plas was in mijn ogen een gedreven gelovige en een auteur die respect verdient. U hebt zeker een punt met de kritiek op zijn poëzie voor kerkelijk gebruik. Maar moet men zoiets spuien als de overledene nog boven de aarde staat?

  5. Beste Anton,

    Misschien vind je me heel ouderwets maar zoiets doe je gewoon niet naar aanleiding van een overlijden. Ik zou dit niet op dit moment geplaatst hebben. De vergelijking tussen de twee auteurs gaat mijn inziens mank en is duidelijk een kwestie geworden van appels en peren vergelijken. Maar als je dit wilt doen, doe dit niet nu en hier.

  6. Het lijkt mij bijna een verschil tussen dag en nacht, de manier hoe toen en nu mensen ter communie gaan. De ene uiterste is pure angst, en de andere uiterste is de ongevoeligheid die ik herken van mijn eerste communie in mijn kinderjaren. Hoe is nou een goede balans te vinden, en hoe leg je de mensen uit wat ter communie komen betekent vandaag de dag. Is het niet nog steeds een doodzonde om ter communie te komen zonder in staat van genade te zijn? Maar wat is dan in staat van genade zijn… Dat lijkt me tegenwoordig met de impopulaire sacrament van de Biecht een problematisch punt.

  7. Goed punt, Jos; ik wil over het 'oude zeer' ook zeker mild zijn… Wat betreft je opmerking dat eerbied een heiligere emotie is dan irritatie: daar ben ik het op zich van harte mee eens, maar denk anderzijds dat ze elkaar niet uit hoeven te sluiten. Ik heb het hier vooral over ergernis gehad… Ik verkies dat woord boven irritatie, omdat irritatie kleiner en venijniger is – geïrriteerd ben ik door een mug die om mijn hoofd zoemt of een stofje in m'n oog. Ergernis reikt wat dieper (zeker zo ik het hier bedoel): het gaat me om een intellectuele kortsluiting, iets dat me bezig houdt, wat door de kop blijft zeuren… Dat iets of iemand mij op die wijze ergert, sluit de eerbied niet uit – sterker nog: veronderstelt die; want dat ik mij erger betekent dat ik de auteur serieus neem, met zijn woorden bezig wil zijn, dat ik voldoende eerbiedig ben om het er mee oneens te zijn. Dat heb ik hier willen uitdrukken. Ik lees nu veel reacties van mensen die het niet kies vinden dat ik zo over Van der Plas schrijf, maar ik snap dat oprecht niet.

  8. michel van der plas komt uit een bijzondere tijd. De tijd van de jaren 70 en 80 (8 mei beweging) was ook nodig. En we zijn er nog niet. Zij hebben ons geleerd dat wij samen de kerk zijn en alle gedoopten zelf ook verantwoordelijk zijn voor hun band met Christus. De tijd gaat wel verder en de kerk za zich steeds moeten hervormen en zuiveren. Maar deze mensen (en oa Halkes, Schillebeeckx, Stael Merckx) hebben hier aan een grote bijdrage geleverd.

  9. Sorry hoor, ik vind dit op zij zwakst gezegd een simpele conclusie.
    Raar ook om je te ergeren aan iets wat iemand uit zijn gevoel opschreef.
    Ik heb dat mn ook zo beleefd, die "angst" meer: de zorgvuldigheid die je wilde ten opzichte van het allerheiligste, dat was gewoon een tijdbeleven.
    Retrospectief "oordelen" is hier niet verstandig.
    "Beetje dom" ( vrij naar Maxima).
    Ik. Ind ze allebei prima, alleen anders
    Sommige mensen houden perse niet van bv poezen. Ik vind alle dieren leuk, de een minder, de ander meer.
    Maar ergeren, nee absoluut niet..

  10. Ik heb nooit om Bomans gelachen. Niet zacht, niet hard. Hij begon nl. zelf al om zijn grap te lachen vóór hij hem verteld had. Zijn humor was zelfingenomen, gemaakt. Een vergelijking met de ijdele Mulish dringt zich op. Bomans en Michel van der Plas zijn onvergelijkbaar. Inderdaad roept de echte, 'kleine' humor van M.v.d.P. ook echte emotie op. Grenzend eerder aan die van Toon Hermans.

  11. Anton de Wit Ik denk dat je ergernis over n'importe welke schrijver dan ook niet het probleem is, maar de timing vind ik ook wat onkies. De man is nog niet eens begraven, sterker nog: er is pas één nachtje over zijn dood heengegaan, en jawel: daar verschijnt een blog van een religiejournalist: "WAAROM MICHEL VAN DER PLAS MIJ ERGERDE". Misschien had je beter een paar weekjes kunnen wachten?

  12. Ben Pieter Hes, Bomans was ook een behoorlijk narcistische man en daarbij een moralist van het zuiverste water, natuurlijk. Mulisch' ijdelheid grensde nog aan zelfironie, maar Bomans claimde schaamteloos het Grote Gelijk.

  13. Zingt voor de Heer van Liefde en Trouw als typisch van der plas aanhalen is ook wel een beetje een zwaktebod. Neem dan:

    Zij verstaat de kunst van bij me horen
    In mijn lichaam heeft ze plaats gemaakt voor twee
    In mijn ogen woont ze, in mijn oren
    Ze hoort en ziet mijn hele leven met me mee
    Soms begint ze in mijn hart te zingen
    Waar het nacht was heeft ze lichtjes aangedaan
    En door haar weet ik dan door te dringen
    Tot de onvermoede schat van ons bestaan

    Zo alleen maar wil ik verder leven
    Schuilend bij elkaar
    En als ik oud moet worden, dan alleen met haar

    Zij kent al mijn dromen en mijn wanen
    Al mijn haast en al mijn honger en mijn spijt
    Als ik lach kent zij alleen de tranen
    Die daar achter liggen in de tijd

    Zo alleen maar wil ik verder leven
    Schuilend bij elkaar
    En als ik oud moet worden, dan alleen met haar

    Zij is meer dan deze woorden zeggen
    In mijn lichaam heeft ze plaats gemaakt voor twee
    Maar wie weet een wonder uit te leggen
    En een wonder draag ik met me mee

    En als je het over humor hebt. Kijk dan gewoon naar Sonneveld met zijn act alsFrater Venantius. Ook tekst van v.d. Plas. Je moet het ook gewoon willen zien ipv niet willen zien.

      1. Je sluit je betoog ermee af, als ik een stuk lees wil ik met mijn laatste alinea mijn betoog nog even met een goede quote kracht bijzetten. Je keuze daar voor een anekdote met een liturgische tekst die jou niet bevalt, is voor mij het onderstrepen van je boodschap.

  14. Pingback:Zingt voor de deur die open staat | Jan Brouwers

  15. Pingback:Wat bedenkingen bij de bedenkingen | Anton de Wit

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *