We stinken er altijd weer in

“Religie blijft ongrijpbaar, wetenschap past bescheidenheid.” Een mooie kop boven een mooi artikel over het afscheid van de godsdienstpsycholoog Jacques Janssen aan de Nijmeegse universiteit. Toen ik het stukje las, herinnerde ik mij dat ik Janssen enige jaren geleden ook geïnterviewd heb, over vergelijkbare thematiek, voor de nieuwsbrief van de Radboudstichting (niet te verwarren met de Radboud Universiteit). Dat interview vond ik het (her-)lezen waard, al zeg ik het zelf. Ook met het oog op huidige debatten over geloof, ongeloof, bijgeloof en wetenschap. Nou ja, beter goed gekoppiepeest dan slecht geparafraseerd, dus hier komt-ie:

Godsdienstpsycholoog Jacques Janssen:
“Om intellectuele integriteit kan niemand heen”

Menselijke waardigheid heeft niet alleen met lichamelijke, maar ook met intellectuele integriteit te maken. Dat zal Jacques Janssen betogen in zijn lezing bij het jubileum van de Radboudstichting op 12 november 2005 in Rotterdam. “Je moet blijven nadenken. Om het met Montaigne te zeggen: hoe kun je katholiek zijn en toch je verstand bewaren?” Een interview met een ‘prakkiserend katholiek’.

Door Anton de Wit

Het is hoog zomer, Jacques Janssen komt in zijn kantoor aan de Radboud Universiteit Nijmegen bij van een lange dag hard werken. Ondanks de hitte en de vermoeidheid – en ondanks het feit dat het evenement nog maanden in het verschiet ligt – denkt de socioloog en godsdienstpsycholoog hardop na over de lezing die hij tijdens de jubileumbijeenkomst van de Radboudstichting op 12 november zal geven. Aan hem de eer om de keynote lecture te verzorgen over menselijke waardigheid.

Een breed begrip – dus wat is dat nou? Wat valt er onder? Janssen: “Er wordt veel gesproken over lichamelijke integriteit. Dat maakt onlosmakelijk deel uit van de menselijke waardigheid. Maar ik wil het in mijn lezing graag hebben over een ander onderdeel van die waardigheid, namelijk intellectuele integriteit. Daarmee bedoel ik: wat mag je gezien de huidige stand van de wetenschap nog denken met betrekking tot allerhande ultieme vragen? Hoe gek mag je nog zijn?”

Als voorbeeld noemt hij het televisieprogramma Wonderen bestaan van de KRO, waarin mensen over bovennatuurlijke gebeurtenissen vertellen. Op het eerste gezicht onschuldig amusement, ware het niet dat de makers hun onderwerp een “air van feitelijkheid” meegeven, aldus Janssen. “Ik heb er niks op tegen als mensen vertellen over wonderlijke dingen die hun overkomen zijn. Maar als er een religieuze claim bij komt kijken, wordt het gevaarlijk. Want hoe ver mag je gaan in het naar jezelf toerekenen van de wereld om je heen? Hoe ver mag je gaan in het materialiseren van allerlei vage fantasieën, waar ligt de grens?”

Verwachting
Het antwoord wil hij ook wel geven: de grens ligt daar waar realisme overgaat in illusie. Janssen: “Ik heb me altijd bezig gehouden met die problematiek. Jarenlang gaf ik cursussen in de psychologie van de magie. Dat deed ik in eerste instantie omdat ik het interessant vond. Waarom trappen mensen in astrologie, terwijl je kunt aantonen dat dat geen reële kennis is? Toen new age in de belangstelling raakte, merkte ik dat mijn colleges steeds meer weerstand opriepen bij studenten. Ik kreeg op een gegeven moment huilende mensen aan mijn kantoor, die het shockerend vonden dat ik hun het geloof in astrologie probeerde af te nemen. Ik heb toen de teneur van die cursus aangepast door niet meer voortdurend aan te tonen dat het niet werkt, want dat houdt nooit op. Je kunt in een experiment aantonen dat een wichelroede niet werkt. Maar je draait je om en de mensen zijn er al weer mee bezig. Het helpt niks. Ik heb de vraag veranderd en gezegd: hoe is het toch mogelijk dat zulke weldenkende mensen in zulke gekke dingen geloven? Dan kom je een stapje verder. Dan zie je dat hoop en verwachting een belangrijke rol spelen.”

Ook in de grote godsdiensten, waaronder het katholicisme, spelen die zaken een rol. Tasten die religies de intellectuele integriteit daarom ook aan? Nee, dat ligt anders, volgens Janssen. Het grote verschil is dat die religies er voorzichtiger mee omgaan. “Men giet hoop en verwachting in een rituele vorm”, licht hij toe. “Veel mensen lijken dat niet te begrijpen. Dat bleek wel toen paus Johannes Paulus II een aantal jaren terug op de eerste zondag van de advent predikte dat God Zijn gelaat had afgekeerd van de mens. Als zanger in een Gregoriaans koor wist ik dat hij letterlijk voorlas uit het Rorate Caeli: ‘abscondisti faciem tuam a nobis’. Hier in Nederland werd het echter een mediahype: de paus geeft het op, hij gelooft er niet meer in. Maar het was een ritueel spel van hoop en verwachting, waarin ook de angst ontstaat dat het niet zal gebeuren. Vergelijk het met Sinterklaas, daarbij zingt men ook: zal de goede Sint wel komen? En even later: hij komt, hij komt! Dat is een klassieke angst die in die viering is ingebouwd. Het totaal verwarren van het journalistieke met het rituele niveau vond ik ronduit stuitend. We kunnen blijkbaar alleen nog maar denken in termen van de werkelijkheid, en daar wordt religie dan op afgerekend. Zo zit het voor mij niet in elkaar.”

Worsteling
Desalniettemin ligt de inbreuk op de intellectuele integriteit ook bij het katholicisme voortdurend op de loer. De stap van het rituele spel naar een waarheidsclaim is immers niet zo heel groot. Zelf heeft Janssen daarom ook de nodige worstelingen met zijn geloof gekend. “Ik was een jaar of dertien, toen ik een priester te spreken vroeg, omdat ik een groot probleem had. Namelijk dat ik mij niet kon voorstellen dat wij gelijk hadden. En ‘wij’, dat waren dan de katholieken. Het was natuurlijk niet uit te sluiten, maar het was toch wel heel toevallig dat uitgerekend wij gelijk hadden, en niet die anderen. De priester praatte er wat om heen en zei me dat ik een 9 had voor mijn proefwerk Latijn. Daardoor was ik voor dat moment tevreden, maar de vraag bleef wel hangen.”

Lange tijd was geloof een gesloten boek voor Janssen. Dat boek opende zich weer langzaam toen hij het verschijnsel als wetenschapper ging bestuderen. Hij deed onder meer onderzoek naar bidden bij jongeren en de neuropsychologische aspecten van religieuze ervaringen. Daardoor kijkt hij wel eens “met een timmermansoog” naar religieuze praktijken, maar zijn beleving lijdt daar naar eigen zeggen niet onder. “Er is een heel domein waar de wetenschap geen vat op heeft. Dat is het domein waar de poëzie begint en waar het ritueel begint. Dat is een ander werkelijkheidsniveau.”

Maar voorzichtigheid blijft geboden, meent de hoogleraar. Een ‘prakkiserend katholiek’ noemt Janssen zichzelf daarom. “Je moet wel blijven nadenken. Om het met Montaigne te zeggen: hoe kun je katholiek zijn en toch je verstand bewaren? Dat is een constante strijd. Of ik mij nu op het standpunt stel van een traditioneel katholiek jongetje, een prakkiserend katholiek of een atheïst – en ik ben denk ik alledrie – in elk standpunt overweeg ik de andere weer. Dat zal ik nooit afleren. In elk standpunt moet ik mij verantwoorden. De langste passage die Dante in zijn Divina Comedia wijdt aan het typeren van de mens, gaat over de eigen verantwoordelijkheid. Daar kun je niet omheen. Je kunt je zonden niet op iemand anders afschuiven. In Dantes hel zit ook iemand wiens zonden door de paus vergeven waren.”

Religiekritiek
 “Je stinkt er altijd weer in als mens. De mooiste instinker vind ik nog wel die van Freud. Die heeft een prachtig vertoog tegen religie geschreven. Dat is interessant en relevant, omdat religie natuurlijk altijd het gevaar van het illusoire in zich houdt. Freud zegt: we moeten ophouden met het koesteren van valse hoop, in de hemel zijn alleen maar mussen en verder niks. Wees realistisch, zegt hij. Maar, vraagt hij zich af: zullen mensen religie ooit afzweren? Zij willen immers bedrogen worden. Nou, zucht Freud dan ineens: ‘Wir dürfen es immerhin hoffen’. Ik vind het frappant dat een atheïst in zo’n vooruitgeschoven positie uiteindelijk niets anders kan dan terugvallen in een religieuze grondcategorie, namelijk de hoop. Elke religiekritiek leidt tot religie. Wat kun je anders? Je kunt niet buiten de wereld gaan staan.”

Belangrijker dan de vraag of en wat je gelooft, is volgens Janssen dus hoe integer je geloof of ongeloof is. “Om de intellectuele integriteit kan niemand heen. Ik kan ook heel moeilijk mensen verdragen die zich niet op verschillende standpunten kunnen stellen. Die niet erkennen dat ze meerdere posities in hun hoofd hebben ronddwalen. Een mens is altijd in beweging. Die beweeglijkheid, daar ben je als mens toe geroepen, om dat in stand te houden. Dat hoort ook bij de menselijke waardigheid.”

Bron: Radboud info 65, september 2005.

2 gedachten over “We stinken er altijd weer in

  1. Uitzending: zondag 12 april om 19:50 op Nederland 3

    Op eerste Paasdag treedt de VPRO letterlijk in de voetsporen van Jezus. De correspondenten van Metropolis TV kregen de opdracht om bij hen in het land op zoek te gaan naar mensen die in de voetstappen van Jezus proberen te lopen: van opvallende Jezus-look-a-likes en zelfverklaarde nieuwe Jezussen

    http://www.metropolistv.nl/?cat=148?lang=nl

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *