Wijze woorden van Flannery O’Connor

Ik kwam er pas achter dat veel van de vragen die ik mij de afgelopen maanden gesteld heb, reeds beantwoord zijn op 19 augustus 1959. Goed, dat is wat overdreven, maar ik voelde toch veel herkenning toen ik de op die datum geschreven brief las van de Amerikaanse schrijfster Flannery O’Connor (1925-1964) aan de bevriende letterkundige Ted Spivey.

Flannery O'ConnorO’Connor was rooms-katholiek, Spivey protestant. De laatste had klaarblijkelijk de nodige vragen en bedenkingen over het katholicisme (ik beluisterde er een echo in van de discussie tussen katholieken en protestanten waar ik laatst over schreef), maar kreeg van katholieken die hij ontmoette weinig bevredigende antwoorden. Toen hij zijn teleurstelling daarover aan O’Connor beschreef, antwoordde zij met een scherpe en rake observatie:

“You seem to have met nothing but sorry and dissatisfied Catholics and abrupt priests with no understanding of what you want to find out. Any Catholic or Protestant either is defenceless before those who judge his religion by how well its members live up to it or are able to explain it. These things depend on too many entirely human elements. If you want to know what Catholic belief is you will have to study what the Church teaches in matters of faith and morals. And I feel that if you do, you will find that the doctrinal differences between Catholics and Protestants are a great deal more important than you think they are. I am not so naieve as to think such an investigation would make a Catholic out of you; it might even make you a better Protestant; but as you say, whatever way God leads you will be good.” (Uit: Flannery O’Connor, Collected Works, p. 1102.)

Spivey had – zo valt op te maken uit haar reactie – O’Connor geconfronteerd met het veelgehoorde verwijt dat katholieken vaak nogal lauw omgaan met hun geloof. Het kerkbezoek, het vasten, deelname aan de sacramenten: ze doen het wel, maar vooral omdat het moet, omdat het erbij hoort… kortom, met meer uiterlijke dan innerlijke beweegredenen. O’Connor bestreed deze indruk niet, maar, zo schreef zij:

“…it is better to be held in Church by habit than not to be held at all. The Church is mighty realistic about human nature. Further it is not at all possible to tell what’s going on inside the person who appears to be going about his obligations mechanically. We don’t believe that grace is something you have to feel. The Catholic always distrusts his emotional reaction to the sacraments.” (Idem, p. 1103)

Ik moest hierbij denken aan die verzuchting van Gerard van Maasakkers, die ik onlangs ook al noteerde: “Lieven Heer, ik vuul ‘t nie meer…” Natuurlijk, je kunt zeggen – en ik heb die analyse zelf eerder ook be- en onderschreven – dat die ‘buitenkantkerk’ van de decennia voor het concilie heeft bijgedragen aan de snelle erosie van het kerkelijk leven in de decennia na het concilie; de mensen ‘voelden’ het simpelweg niet meer, het was te lang een vorm zonder inhoud geweest. Maar deze wijze woorden van Flannery O’Conner werpen wel een ander licht op de kwestie, een licht dat op z’n minst een correctie is op de genoemde analyse. Misschien zijn wij ook wel te veel en te krampachtig gaan eisen dat we altijd maar moeten ‘voelen’ wat we doen en denken en geloven. We nemen geen genoegen meer met de loutere handeling, we willen van alles ervaren. Een piekmoment, een thrill, een vervoering, een extase, een emotie. Dan pas noemen we het écht, authentiek, existentieel.

Flannery O'ConnorJe kunt je echter de vraag stellen of je die ‘ervaarbaarheid’ wel kan eisen van het geloof. Natuurlijk, er moet een relatie zijn tussen het uiterlijke handelen en het innerlijk gevoelen. Maar steeds maar weer op zoek gaan naar die innerlijke sensatie, kan de werkelijke geloofservaring (die veel alledaagser is; een gewoonte, een houding, een mentaliteit) ook vertekenen en vertroebelen. Het verlangen naar sensatie wordt in het ergste geval het object van het geloof, en daarmee de facto een afgod. Dat is mijn grote bedenking bij de meer evangelicale, ervaringsgerichte stromingen binnen het christendom (ook binnen het katholicisme). Het grote risico is dat een tijdelijke afwezigheid van de emoties en ervaringen – en wie kan er nou de godganse tijd vervuld zijn van allemaal verheven religieuze gevoelens? – direct wordt begrepen als een geloofscrisis. De persoon bemerkt het prettige gevoel niet meer dat hij of zij met God is gaan associëren en concludeert ‘dus’ door God verlaten te zijn. Het is alsof… nee, niet eens alsof, het is precies hetzelfde… het is als van een liefdesrelatie voortdurende verliefdheid en vlinders in de buik eisen. Dat kan niet, het zou niet eens gezond zijn; het is goed dat die “mechanical obligations” waar O’Connor het over heeft ook op liefdesgebied ontstaan. En ik bedoel niet eens te zeggen: je moet realistisch zijn en je idealen temperen, om teleurstelling te voorkomen. Nee, meer nog: je moet het ideaal uitzuiveren, en inzien dat de verliefdheidservaring niet het summum van de liefde is, en parallel daaraan, dat de geloofservaring niet het summum van geloven is – sterker: wie dat denkt, perverteert en verminkt de liefde of het geloof onherkenbaar. Met grote letters wil ik dit kerninzicht van Flannery O’Connor overschrijven, dat ze in een andere brief en een andere context verwoordde:

“Grace can’t be experienced in itself. An example: when you go to Communion, you recieve grace but you experience nothing; or if you do experience something, what you experience is not grace but an emotion caused by it.” (Idem, p. 1067)

Zo kan ik haar enthousiast en instemmend blijven citeren, want alleen al in die brief aan Spivey van 19 augustus 1959 stelt zij alle thema’s aan de orde die op dit blog de laatste maanden de revue passeerden: de waanideeën over vrouwelijke religieuzen, de ‘politiek’ van  de kerk, teleurstelling over de clerus… Maar nogmaals, ik kan haar wel blijven citeren: de boodschap zal duidelijk zijn, dat de helaas haast vergeten schrijfster Flannery O’Connor gewoon het lezen waard is. (Niet alleen haar brieven hoor, ook haar proza.)

Nog één citaatje dan, een toegift in deze hele context:

” A Protestant habit is to condemn the Church for being authoritarian and then blame her for not being authoritarian enough. They object that politically all Catholics do not think alike but that religiously they all hold the same beliefs.” (Idem, p. 1104-5)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *